De lage kennisoverdracht in het vmbo en mbo is een groot probleem

Nieuws | door Frans van Heest
20 februari 2019 | Studenten uit het mbo krijgen te weinig begeleiding naar het vinden van een baan. Dat blijkt uit onderzoek van Talitha Stam van de Erasmus Universiteit.

Stam promoveerde op haar onderzoek naar witte meisjes op het vmbo en mbo in het domein zorg. Zij wilde met haar onderzoek kijken hoe zij het doen tijdens hun opleiding en later op de arbeidsmarkt. Volgens Stam ligt er te veel focus in het vmbo en mbo op de groep jongens die vaak uitvalt of geen startkwalificatie behaalt voor de arbeidsmarkt. Terwijl de groep meiden het vaak ook lastig heeft om een baan te vinden op het juiste niveau. Mbo-instellingen zouden deze studenten beter moeten begeleiden naar een baan.

Meisjes in de minderheid

Het proefschrift van Stam is een etnografische studie naar de beroepsaspiraties en schoolloopbanen van witte meisjes met laagopgeleide ouders, zo legt ze uit bij de ECBO Expertisecentrum beroepsonderwijs bijeenkomst in het Utrechtse vergadercentrum Domstad. “Mijn onderzoek heb ik gedaan op multi-etnische vmbo-basis en mbo-niveau 2 opleidingen, in de richting zorg. Het waren vier verschillende scholen in de Randstad; twee vmbo’s en twee mbo’s. En met multi-etnisch bedoel ik dat deze meisjes een minderheid zijn op deze opleidingen.”

Voor haar onderzoek heeft de promovenda van de Erasmus Universiteit deze studenten twee jaar intensief gevolgd. “Ik zat gewoon achter in de klas en ik was bij de zorgoverleggen en bij de teamoverleggen. Ik kwam ook regelmatig bij de meisjes thuis.” Daarnaast deed ze groepsinterviews en individuele interviews met ouders, leerkrachten, en natuurlijk ook met de meiden zelf en hun klasgenoten. “Het ging dan over beroepsaspiraties en schoolloopbanen.”

Alle groepen verdienen aandacht

Tijdens haar onderzoek kwam de Stam er al snel achter dat er voor deze groep meisjes eigenlijk maar weinig aandacht is. “Waar ik al heel snel achter kwam is dat beleidsmakers en onderzoekers als het gaat om voortijdig schoolverlaten vooral kijken naar jongens met een migrantenachtergrond. Dat is ook niet zo gek, want die komen het meest voor in de cijfers,” zegt Stam. “Maar dat betekent dat groepen die niet zo vaak voorkomen in de cijfers niet worden meegenomen.”

Volgens Stam wordt er te makkelijk vanuit gegaan dat deze groep geen aandacht verdient. “Er wordt van uitgegaan dat het wel goed gaat met ze. Ik was juist heel erg benieuwd naar deze groep. Iedereen lachte mij ook uit en vroeg zich af: ‘wat ga je nou doen met die groep?’ Je moet je richten op die andere groep, daar moeten we veel meer voor elkaar krijgen.”

Aanvankelijk was haar onderzoek ook bedoeld om te kunnen leren van deze groep. Waarom doen ze het beter dan die jongens? “Dat ik deze groep wilde onderzoeken kwam vanuit een positieve insteek. Als het goed gaat met deze groep, laten we dan kijken waarom het zo goed gaat. Wat kunnen we van hen leren en kunnen we die successen ook implementeren bij andere groepen? Maar helaas ging het helemaal niet zo goed met ze. We kunnen zeker van ze leren, maar dan over hoe we het beter kunnen doen voor alle groepen.”

Moeizame start op de arbeidsmarkt

Waar Stam nog wel het meest van schrok tijdens haar onderzoek was de aansluiting op de arbeidsmarkt. “De groep die ik heb onderzocht – en dan trek ik het breder naar heel Nederland van alle jonge die helpende zorg mbo-niveau 2 heeft gedaan – daarvan gaat 77% naar de arbeidsmarkt.”

“Je zou kunnen stellen dat dit best goede cijfers zijn. Maar als je dieper in deze cijfers duikt dan zie je dat van die 77% van de jongeren die een startkwalificatie hebben in de helpende zorg slechts 12% een baan vindt van 33 uur of meer.” Die 33 uur in de week werken is nodig om voor een minimumloon. “Dat 12% dat maar heeft van deze groep vind ik echt schokkend.”

Stam legt de zaal, die bestaat uit mbo-docenten, ambtenaren van OCW en beleidsmakers, uit dat deze studenten het lastig vinden om op de juiste plek terecht te komen. “De banen zijn er wel degelijk. Maar als je gaat kijken wie deze banen opvullen dan zijn het vaak niet niveau-2 studenten, maar studenten met niveau-3 die het ook als vaste baan doen. Of het zijn geneeskundestudenten die het als bijbaantje doen. Wat ik heb gezien in mijn onderzoek is dat deze meiden het lastig vinden om die banen te vinden. Zij weten niet dat ze naar een website kunnen gaan met vacatures en dat ze dan vervolgens kunnen solliciteren. Zij zouden daar meer begeleiding in moeten krijgen vanuit de mbo-instelling.”

Te veel focus op de startkwalificatie

Uit het promotieonderzoek van de Rotterdamse promovenda blijkt dat veel van de onderzochte studenten niet in staat zijn om dromen na te jagen. “Uit mijn onderzoek blijkt dat negen van de tien meisjes hun aspiraties niet kunnen waarmaken en op onzekere posities belanden op de arbeidsmarkt. Uiteindelijk kom ik tot de conclusie in mijn promotieonderzoek dat er eigenlijk te veel focus is bij mbo-instellingen op de startkwalificatie en dat leidt tot onzichtbaarheid zoals van deze meisjes.”

Een ander probleem is volgens Stam dat mbo-docenten onvoldoende ruimte krijgen om deze studenten te motiveren om hun dromen na te jagen. “In de klassen waar ik onderzoek naar heb gedaan zag je dat de kennisoverdracht tijdens de lessen heel beperkt is. Internationaal onderzoek van de OESO laat ook zien dat Nederland het slechtste schoolklimaat heeft van Europa.”

Hoeveel tijd er in de les besteed wordt aan kennisoverdracht is in Nederland het slechtst van de OESO-landen, met name in het vmbo en mbo. “Dat is echt een serieus probleem en dat mogen wij ook best benoemen. Daar hebben leerkrachten ook last van. Die vinden het ook lastig, dat als er een student is die zij wel kunnen en willen helpen zij te veel bezig moeten zijn met het reguleren van de rest van de leerlingen en studenten in de klas.”

Ook is er in het mbo te veel focus op het behalen van de startkwalificatie ziet Stam die bij meerdere intakegesprekken aanwezig is geweest. “Veel mbo-instellingen hebben een intake voor jongeren waarbij zij kunnen vertellen waarom zij heel graag deze opleiding willen volgen. Wat ik vaak zag is dat tijdens de intake de interesse vanuit de mbo-instellingen vooral uitging naar de opleiding en niet zozeer naar het arbeidsperspectief. Tijdens de intake werd er niets verteld over de beroepsmogelijkheden en werd er alleen verteld wat de opleiding inhield.”

In het kader van de macrodoelmatigheid van het mbo-aanbod gaan studenten er juist vanuit dat als een opleiding wordt aangeboden dit ook de mogelijkheid tot arbeid biedt. “Aan de andere kant zag je bij studenten dat ze helemaal niet nadenken over het arbeidsperspectief. Zij zeggen: maar waarom wordt deze opleiding aangeboden als er geen werk in zou zijn als er geen baan mogelijk. Dan zou deze opleiding toch helemaal niet bestaan. Zij gaan er eigenlijk vanuit dat ze alles kunnen kiezen, want anders zou de opleiding er niet zijn daarom zijn ze niet bezig met de arbeidsmarktperspectieven.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK