Voer debat over diversiteit minder slordig en zonder stedelijke bias

Als het gaat om afspiegeling zijn niet superdiverse grootsteden maar Culemborg en Weert maatstaf

Essay | door Josse de Voogd
20 februari 2019 | Diversiteit is hét modewoord in het hoger onderwijs. Of het nu gaat om beleidsplannen, websites, thema’s voor een lustrum, zomerscholen of onderzoeksprioriteiten; je kunt er niet om heen. Met grote regelmaat verschijnen er berichten in de media dat universiteiten, maar bijvoorbeeld ook redacties, politieke organen of kunstinstellingen ‘te wit’ zouden zijn en te weinig een afspiegeling van de samenleving. In de ophef die daarna keer op keer ontstaat sneeuwt vaak de vraag onder of het ook daadwerkelijk zo is. Nogal eens worden verkeerde groepen vergeleken en te vaak is de grote stad de maatstaf.
Het straatbeeld in Leerdam – Foto: Josse de Voogd

Onlangs was het de Universiteit Utrecht die onder vuur lag. ‘Universiteit Utrecht te wit’ kopte de Telegraaf. In het artikel werden voorstellen aangehaald die door medewerkers en studenten zijn geopperd tijdens bijeenkomsten over diversiteit en die zijn gepubliceerd in een projectplan. In het verhitte debat werd dit al gauw vertaald naar: Universiteit Utrecht wil gescheiden ingangen voor mannen en vrouwen.

Verschillende maatregelen zouden een inclusiever klimaat moeten creëren en een meer diverse studentenpopulatie aantrekken. Een populatie die nu, wat betreft het aantal studenten met een migratieachtergrond, geen goede afspiegeling zou zijn van de leerlingenpopulatie op het vwo. De Universiteit Utrecht (UU) plaatste dezelfde dag een online bericht met nadere uitleg, met een link naar het projectplan waar het allemaal om ging.

De cijfers zijn ‘niet eenduidig’

In het plan van de UU blijkt een cruciale (reken)fout te zitten. Gesteld wordt dat op het vwo 20% van de leerlingen een migratieachtergrond heeft en op de UU maar 10%. Dit terwijl andere Randstedelijke universiteiten veel hoger zouden scoren. Maar kijk naar de eigen cijfers van de UU, naar eerder onderzoek naar diversiteit op universiteiten, en de cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het blijkt niet te kloppen.

De hoge cijfers van de andere universiteiten en van het vwo zijn waarschijnlijk inclusief studenten met een westerse migratieachtergrond, terwijl het lage percentage van de UU alleen de studenten met een niet-westerse migratieachtergrond betreft. Dit percentage ligt met zo’n 9 a 10% niet lager dan op het vwo. Een belangrijke pijler onder het diversiteitsbeleid valt daarmee weg.

Opvallend is dat de uitspraak wordt gedaan in het document bij een rijtje ‘hardnekkige misverstanden’ over diversiteitsbeleid. De ‘Taskforce Diversiteit’ is er blijkbaar al eerder op gewezen dat de studentenpopulatie in pas loopt met het vwo. Toch werd de fout herhaald.

De UU kreeg lucht van de zaak en een medewerker verwijderde zonder verdere mededeling in de loop van de dag de passage uit het bestaande rapport. Maar we hadden de foto’s nog. De volgende dag zag de UU zich genoodzaakt de passage te herstellen en een begeleidend schrijven toe te voegen: de cijfers bleken volgens de UU inderdaad ‘niet eenduidig’ en worden verder ‘onderzocht’.

Iets wat dus blijkbaar nog niet goed was gedaan voordat ze in de media kwamen en er een Taskforce Diversiteit werd opgetuigd. Een fout of onjuiste interpretatie is menselijk, maar dit was wel slordig gezien het ‘gewicht’ van het plan en de rangen en standen die betrokken zijn bij het initiatief.

80% van Nederland woont niet in een universiteitsstad

De UU is de tweede grote universiteit die moet terugkrabbelen als het gaat om cijfers over diversiteit. Eind 2016 kwam de diversiteitscommissie van de Universiteit van Amsterdam, geleid door professor Gloria Wekker, met het rapport ‘Let’s do diversity’. Een uitgebreide inventarisatie van de uitdagingen en problemen die leven aan de universiteit, mede gebaseerd op enquêtes en interviews over ervaringen van mensen met een niet-westerse achtergrond.

Per universiteit werd in het rapport bekeken hoe groot het aandeel studenten met een niet-westerse migratieachtergrond was. Aan de UvA bleek 13% van de studenten een niet-westerse migratieachtergrond te hebben. Dit is exclusief internationale studenten. Alle universiteiten bij elkaar genomen lag het aandeel studenten met een niet-westerse achtergrond op 12%.

Helaas ging de commissie in het rapport en in publieke uitlatingen op een belangrijk punt de mist in. Het percentage studenten met een niet-westerse migratieachtergrond aan de UvA en andere universiteiten werd afgezet tegen de bevolking van de steden waarin die universiteiten zijn gevestigd. Hierdoor werd ten onrechte een dramatisch beeld geschetst, want steden zijn veel gekleurder dan de rest van het land.

Natuurlijk hebben universiteiten een zekere regionale binding, maar die regio’s zijn veel en veel groter dan de betreffende gemeenten waarin de universiteiten gevestigd zijn. Maar net iets meer dan de helft van de UvA-studenten komt uit Noord-Holland, en binnen die provincie woont 70% niet in Amsterdam. Ondanks de naam is de Universiteit van Amsterdam niet van Amsterdam.

Ruim 80% van de Nederlandse bevolking woont NIET in een universiteitsstad. Deze 80% heeft dezelfde rechten op onderwijs en betaalt er evenveel aan mee. Het valt dus op geen enkele manier te verantwoorden dat de bevolkingssamenstelling in de universiteitssteden een relevante maat zou zijn. Juist die steden wijken vaak sterk af van het landelijk gemiddelde als het gaat om de samenstelling van de bevolking. Steden kennen veel hogeropgeleiden, veel mensen met een migratieachtergrond en relatief weinig ‘midden’.

Beleid dat niet voortvloeit uit de cijfers

Hoewel er al in een vroeg stadium kritische geluiden werden geuit op de onderbouwing van het rapport, is door de diversiteitscommissie toch succesvol het beeld neergezet dat, naast het personeel, en in haar ogen ook het curriculum, ook de studentenpopulatie van de UvA te wit zou zijn. De vergelijking universiteit versus stad blijft geregeld terugkeren aan de UvA en daarbuiten.

In de zomer van 2017 stond in Trouw een interview met de voorzitter van het College van Bestuur Geert ten Dam, met als kop ‘UvA is nog te wit en te mannelijk’. Ten Dam stelde, net als Wekker eerder deed, dat de UvA qua diversiteit een afspiegeling zou moeten zijn van het Amsterdamse vwo. Naar aanleiding van een reactie van mij destijds dronken we een kop koffie. We kwamen uiteindelijk overeen dat de stad inderdaad geen maatstaf zou moeten zijn.

Maar ook werd duidelijk dat naar aanleiding van de conclusies wel werd nagedacht over extra wervingsactiviteiten op gekleurde vwo-scholen. Beleid dat dus niet logischerwijs voortvloeit uit de cijfers. Het zou nog logischer zijn studenten weg te kapen bij de Vrije Universiteit. Want waar vanuit de UvA wel eens jaloers naar de VU wordt gekeken omdat het aandeel studenten met een niet-westerse migratieachtergrond daar hoger ligt, is die universiteit als het gaat om afspiegeling van het vwo eigenlijk ‘te gekleurd’. Een uitspraak die zo omgekeerd ineens heel ongemakkelijk klinkt.

Ervaring of feit?

Gezien het multiculturele karakter van de grote steden is het logisch dat de studentenpopulatie door stedelingen als ‘wit’ wordt ervaren. Maar dit betekent niet dat het ook zo is. Het binnenstappen van een universiteit betekent vooral een confrontatie met de nationale verhoudingen.

Dit wordt nog versterkt door de factor studiekeuze. Studenten met een migratieachtergrond zijn relatief vaak te vinden bij studies met een grotere baangarantie, zoals tandheelkunde en rechten. Als gevolg daarvan zijn juist de opleidingen waar vaak een sterk engagement aanwezig is en waar men het gebrek aan diversiteit waarschijnlijk als een probleem ervaart ook de opleidingen die weinig studenten met een migratieachtergrond aantrekken. Dat men dit binnen deze opleidingen als een probleem ervaart is begrijpelijk. Meer diversiteit kan het perspectief verrijken. Maar dit is wel een andere discussie dan of de studentenpopulatie in zijn geheel te wit is of niet.

Minder vwo, vaker universiteit

Waar het vergelijken van ongelijke groepen slordig is, en het vergelijken met steden in plaats van het land de plank misslaat, zijn er ook cijfers die verschillend geïnterpreteerd kunnen worden. Want als er gesteld wordt dat een studentenpopulatie te wit is, kijken we dan naar de samenstelling van de gehele bevolking, naar de samenstelling van de bevolking op de leeftijd dat men doorgaans naar de universiteit gaat, of naar de samenstelling van de leerlingen op het vwo?

Want waar de studentenpopulatie met 12% niet-westerse migratieachtergrond Het CBS komt wat hoger uit. Verschillende peiljaren, kijken naar uitstroom vwo en instroom universiteit of naar alle leerlingen of studenten aan een instelling, definities van migratieachtergrond en allochtoon en westers/niet-westers, het wel of niet meenemen van internationale studenten; het leidt tot beperkte verschillen qua cijfers. overeenkomt met de verhouding in de gehele bevolking, is het wel lager dan het aandeel op-18 jarige leeftijd, dat op 16% ligt. Tegelijk is het aandeel van 12% weer hoger dan op het vwo, waar 8 tot 11% een niet-westerse migratieachtergrond heeft.

Het komt er op neer dat leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond minder snel op het vwo terecht komen, maar eenmaal op het vwo juist vaker naar de universiteit gaan. Het zit hem dus niet in de instroom. Het lagere aandeel op het vwo heeft mogelijk te maken met gemiddelde verschillen naar sociale klasse. 

Onderschatting van talenten kan daarbij ook een rol spelen. Zo komt vaak het beeld naar voren dat leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond vaker een te laag schooladvies zouden krijgen. Toch blijkt ook dit genuanceerd te liggen. Ten opzichte van de Cito toets krijgen kinderen met een niet-westerse migratieachtergrond niet stelselmatig een lager advies.

Wat vooral blijkt is dat kinderen van hoogopgeleide ouders en kinderen in het westen vaak een hoger advies krijgen, en kinderen van laagopgeleide ouders en kinderen in de periferie een lager advies dan uit de Cito toets blijkt. Vooral rond Haarlem en Amsterdam worden vaak hogere adviezen gegeven. Regio’s die bekend staan om hoge inkomens, een hoog opleidingsniveau, én over het algemeen ook als goed gebekt.

Opvallend is dat bínnen Amsterdam allochtone kinderen wél vaker een te laag advies krijgen in vergelijking met autochtone leerlingen. Hier komt weer de bijzondere samenstelling van de grote stad naar voren. Een van de meest succesvolle stukjes ‘wit’ Nederland valt hier samen met een grote groep met een niet-westerse achtergrond.

De achterstandspositie van die tweede groep valt in de dynamische stedelijke context erg op en zal dus ook zo ervaren worden. Toch vallen zulke vergelijkingen nogal eens anders uit wanneer de rest van het land wordt meegewogen. Een patroon dat ook benadrukt wordt door de geograaf Christophe Guilluy in zijn analyses over de Franse periferie.

Twee uur met de bus

Waarom de leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond eenmaal op het vwo juist vaker naar de universiteit gaan kan verschillende redenen hebben. Mogelijk is de motivatie, en wellicht sociale druk, sterker om juist vanuit een achterstandspositie de mogelijkheden te verzilveren die zich voordoen. Daarnaast is de kans groot dat geografie een rol speelt.

Vanuit de Amsterdamse Bijlmer sta je binnen een half uur op de UvA, terwijl het vanaf Klazienaveen meer dan twee uur bussen is naar de Groningse campus. De fysieke drempel is groter. Kamers zijn duur en schaars, en moeilijker te vinden zonder netwerk in de stad. Een groot deel van mijn vwo-klas op het witte platteland ging naar de dichtstbijzijnde hogeschool en niet naar de grote universiteitsstad. En dat was nog voor het leenstelsel.

Als leerlingen met een niet-westerse migratieachtergrond vaker naar het vwo gaan, leert de rekensom dat er ook ergens een autochtone groep mínder vaak gaat. Het zou goed kunnen dat het beeld vergelijkbaar is met de schooladviezen. Namelijk dat er tussen autochtonen grote verschillen bestaan en allochtonen een tussenpositie innemen, die dan in de stad ongunstig afsteekt, maar daarbuiten in een ander perspectief staat.

Helaas komen dergelijke verschillen nog weinig naar voren in de diversiteitsrapporten. Het gaat vooralsnog vooral over wél, of geen migratieachtergrond. Wat we daardoor ook niet kunnen zien is of er misschien een groep met een migratieachtergrond is die de cijfers sterk omhoog trekt, waardoor de achterstand van een andere groep niet zichtbaar is. Er zijn nog veel vragen te beantwoorden.

Overalmensen en ergensmensen

De focus in het diversiteitsdebat op de grote stad is exemplarisch voor belangrijke ontwikkelingen in de samenleving. Grote steden lijken qua dynamiek en samenstelling meer los te komen van hun achterland. Ze zijn sterker opgenomen in wereldwijde netwerken van kapitaal, kennis en migratie. Academici reizen veel de wereld over, en migrantenjongeren identificeren zich soms begrijpelijkerwijs wel met de multiculturele stad, maar minder met het land. Voor iedereen gelden andere schaalniveaus als referentiepunt.

In de polarisatie in de samenleving tussen hogeropgeleiden en lager opgeleiden, stedelingen en niet-stedelingen, en zoals David Goodhart ze noemde, ‘overalmensen’ en ‘ergensmensen’ lijkt schaalniveau een belangrijke rol te spelen. Het ene uiterste ziet de kansen van mondialisering, het andere uiterste hecht meer aan de natiestaat, zowel als het gaat om identiteit als om sociale bescherming. Het zijn verschillen die goed zichtbaar zijn op de kaarten van verkiezingen en referenda.

Universiteiten hebben zich met verve aan het eerste wereldbeeld gecommitteerd. In een rap tempo neemt de verengelsing en internationale mobiliteit van academici toe. Tegelijk stellen ze dat ze geworteld willen zijn in de stad en soms regio. Maar over het land hoor je ze minder. De oriëntatie van universiteiten schuurt met andere wereldbeelden en het schuurt met het feit dat recht op en financiering van onderwijs nationaal zijn georganiseerd.

De superdiversiteit die in 88% van Nederland niet opgaat

Een term die geregeld valt in het debat is superdiversiteit. Een prima term als het gaat om het op velerlei fronten, van etniciteit tot samenlevingsvormen, steeds diverser worden van de samenleving. Maar vaak wordt met de term een situatie bedoeld waarin de oorspronkelijke autochtone groep geen meerderheid meer is. In Nederland wordt de term onder meer gebezigd door hoogleraar Maurice Crul, die net als Wekker geregeld opduikt in het debat over diversiteit.

Slechts drie gemeenten in Nederland kennen nipt een situatie van superdiversiteit, mits je ook mensen met een westerse, dus bijvoorbeeld Duitse, migratieachtergrond meetelt. In deze drie gemeenten woont nog geen 12% van de Nederlandse bevolking. Daartegenover is ook wel ergens 12% van het land te vinden waar van een multiculturele samenleving nog nauwelijks sprake is. De witste 12% is niet minder relevant dan de 12% meest gekleurde. Beide gebieden zijn uitersten en niet representatief voor Nederland. Toch wordt het debat over diversiteit sterk gekleurd door die 12%, evenals de aandacht in de media en de verdeling van onderzoeksgelden.

Kijk verder dan je eigen wijk

In het voorjaar van 2018 verscheen een studie van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid waarin het eens een keer wel over migratiediversiteit in héél Nederland ging. Crul schreef in NRC een kritisch stuk met een hoog ‘want bij mij in (Amsterdam) Westerpark’-gehalte. WRR-onderzoekers Engbersen en Bovens reageerden treffend: ‘migratieonderzoekers moeten verder kijken dan hun eigen superdiverse wijk.’ Precies hetzelfde kunnen we zeggen over zij die zich bezighouden met diversiteit.

Soms lijkt het of er naast schuring sprake is van ongeduld. De wereld en de stad zijn zo divers, maar bij veel instellingen, die in de praktijk vaak gewoon de  nationale verhoudingen weerspiegelen, ligt het (nog) zo anders. Ook de discussie over gendergelijkheid raakt hieraan. Waarom gaat het niet sneller met die vrouwelijke professoren en vrouwelijke wethouders?

In de steden vergeet je snel hoe enorm vergrijsd Nederland is. Ongelijkheden ontstaan in andere decennia gaan nog lang mee. Professor blijf je tot aan je pensioen en raadsleden zijn gemiddeld op hoge leeftijd. Als we al positief zouden discrimineren, dan zou het vooral moeten gaan om ‘grijze’ vrouwelijke herintreedsters, die destijds te weinig kansen hebben gehad. Als het gaat om het aandeel vrouwelijke wethouders, dan is dat nog laag, maar valt wel op dat het in de steden met een jonge bevolking al een stuk hoger ligt dan elders.

De intercity die representatief Nederland voorbij rijdt

De stedelijke bias in het debat is hardnekkig. Een treffend voorbeeld was een artikel in de Groene Amsterdammer over onderwijsongelijkheid in Nederland. Daarin was een grafiek opgenomen waarin te zien was hoe de verhouding wel/geen migratieachtergrond lag binnen verschillende onderwijsniveaus. Maar waarom werd er gekozen voor een grafiek die de situatie in de vier grote steden weergaf? Waarom niet gewoon een grafiek over Nederland die een heel ander beeld laat zien?

Want waar in de grote steden het vmbo grotendeels gekleurd is en het vwo grotendeels wit, liggen deze verhoudingen buiten die steden anders. Buiten de grote stad is een (v)mbo achtergrond ook voor autochtonen een normaliteit.

In het rapport van de UvA komt de stedelijke bias naar voren wanneer bij de staatjes voor de Universiteit Leiden wordt opgemerkt dat de grote gekleurde stad Den Haag in de buurt ligt Inmiddels zou het iets begrijpelijker zijn omdat de dependance in Den Haag snel groeit. Maar ook daar geldt dat studenten uit het hele land zullen komen. maar waarom zou dat relevanter zijn dan de kluwen aan middelgrote plaatsen, denk aan Lisse en Alphen aan den Rijn, die dichterbij Leiden liggen en opgeteld zeker net zo veel inwoners tellen?

Het zijn de woongebieden die de netwerkstedeling niet zo gauw ziet vanuit de intercity en het vliegtuig. Die ‘skipt’ ruimten en ziet daardoor een niet representatieve selectie van plekken. Pas als de trein kapot is en je met de streekbus van Haarlem naar Leiden moet zie je de echte verhoudingen in het land. Dan wordt inzichtelijk waarom rechts steeds weer de verkiezingen wint. En waarom universiteiten niet te wit zijn.

Het zijn dit soort grote dorpen, kleine stadjes en overloopgemeenten die representatief zijn voor hoe Nederland in elkaar zit. Dit komt naar voren uit de cijfers, maar ook uit bezoeken aan alle gemeenten van het land. Van het midden is er het meest. Denk aan plaatsen als Heemskerk, Etten-Leur, Schagen, Elst, Weert, Vianen, Nieuwegein, IJsselstein, Gorinchem en Culemborg. Het ‘Middenland’ waar mensen vooral in rijtjeshuizen wonen en sommige plekken op het oog ‘uit voorraad leverbaar’ lijken. Kleurloos zijn deze plaatsen zeker niet, maar het is ook geen Westerpark. Politici winnen er verkiezingen, maar komen er te weinig schreef ik. Voor politici kun je hier wederom diversiteitscommissies invullen.

Een ander straatbeeld uit Leerdam - Foto: Josse de Voogd

Diversiteit: ongelijkheid, kwaliteit of hype?

Dat mensen zich druk maken over ongelijkheid en toegankelijkheid valt toe te juichen. En toch lijkt er bij het thema diversiteit meer aan de hand. Zo zijn diversiteit en afspiegeling niet per definitie hetzelfde. Diversiteit wordt ook gezien als een kwaliteit omdat het gaat om een verrijking qua perspectief. Vanuit dit oogpunt is misschien wel meer diversiteit wenselijk dan op basis van afspiegeling het geval zou zijn.

Diversiteit is dan ook een van de beweegredenen achter internationalisering. Wat meteen ook laat zien dat er spanningen kunnen zijn tussen de verschillende diversiteitswensen. Want wat doet verengelsing en de druk om internationaal mobiel te zijn met afspiegeling en toegankelijkheid, aangezien lang niet iedereen vloeiend Engels spreekt en sommige mensen meer gebonden (denk aan mantelzorg) en geworteld zijn dan anderen?

En zijn het niet vooral gelijksoortige mensen uit verschillende landen die zich met elkaar verbinden? En leidt internationalisering er misschien toe dat debatten uit bijvoorbeeld de Verenigde Staten te makkelijk naar Nederland worden gekopieerd, zonder deze aan te passen aan de Nederlandse context?

Met de nadruk op diversiteit en internationalisering is het universiteitsbeleid onderdeel geworden van een maatschappelijke scheidslijn tussen hen die (grofweg) positiever staan tegenover migratie, globalisering en Europese eenwording en de groep die naar sceptischer over is. Een nieuwe verzuiling, die zich sterk langs opleidingslijnen voltrekt. Welke zuil domineert aan de universiteit wordt voortdurend door allerlei uitingen kenbaar gemaakt. De vraag is hoe divers en inclusief dit is.

Diversiteit lijkt naast zorgen om afspiegeling ook een identiteitskwestie en een statussymbool geworden. Het is een term die door de ene groep in de samenleving opzichtig wordt omarmd, terwijl deze door een andere groep onvermoeibaar wordt bespot en afgewezen.

Van deugen naar streefklasse

Het omarmen van diversiteit lijkt deel te zijn geworden van het cultureel kapitaal van een stedelijke progressieve hogere middenklasse. Wat door rechtse media soms spottend ‘deugen’ of ‘deugpronken’ wordt genoemd, heeft professor Elizabeth Currid-Halket onderbouwd met de term ‘streefklasse’.

Men is oprecht betrokken bij ongelijkheid, maar het hebben van de juiste mening en het doen van de juiste dingen is óók deel van een identiteit en fungeert als een statussymbool. Biologisch voedsel en diversiteit in je Twitterbio vervangt wat vroeger het dure horloge was.

Ook het bedrijfsleven heeft dit ontdekt. Zo presenteerde Ben en Jerry’s in de Verenigde Staten een ijsje dat zich ‘uitspreekt’ voor diversiteit en tegen Trump. Tegelijkertijd lobbyt het moederbedrijf voor lagere belastingen. De vraag doet zich voor in hoeverre het bij diversiteit gaat om ongelijkheid of om een commercieel interessant stokpaardje van een progressieve hogere middenklasse.

Opvallend was ook de verhuizing van de krant NRC Handelsblad van Rotterdam Alexander naar de Amsterdamse binnenstad. Zij verliet de een van de meest diverse plekken van Nederland waar echt alle leefwerelden bij elkaar lijken te komen voor het minst representatieve stukje Nederland, waar al zoveel mediaredacties zitten. Dichterbij de lezers was het idee. Vervolgens werd breed uitgepakt met, jawel, het thema diversiteit. Gaat het dan echt om diversiteit, of meer om de wensen van een niet diverse doelgroep?

Bezorgdheid om ongelijkheid heeft zich als het gaat om diversiteit op een bijzondere manier vermengd met vermarkting en status. Deze vermenging maakt het thema complex en gevoelig. Want val je met kritiek op het buzzword diversiteit nou minderheden in de samenleving en betrokken mensen aan, of het statussymbool van een bovenlaag?

Mars door instituties

De term diversiteit heeft zich snel gevestigd bij de bovenlaag van de samenleving. Van universiteiten tot multinationals en van ministeries tot de kunstwereld. Een element van competitie is ook niet afwezig. De VU en Harvard ‘doen het beter’ als het gaat om diversiteit, alsof het om een ranglijst gaat.

Diversiteit heeft een mars door de instituties gemaakt. Dat het is geagendeerd is goed en blijft nodig. Maar het betekent ook dat het thema onderdeel is geworden van de macht. En dus bekritiseerd en ook bespot zou moeten kunnen worden. Zeker wanneer het af en toe mis gaat.

We moeten niet onverschillig doen over onjuiste interpretaties omdat het toch om zulke goede bedoelingen gaat of omdat een onjuiste voorstelling politiek eigenlijk wel goed uitkomt. Een kritische blik hoeft helemaal niets af te doen aan betrokkenheid bij de groepen waar het in het diversiteitsdebat over gaat. Want waar de instroom geen probleem lijkt te zijn, zegt dit nog niks over thuis voelen, uitvallen, doorstroom en de positie op de arbeidsmarkt van Nederlanders met een niet-westerse migratieachtergrond.

Wie kanttekeningen zet bij het diversiteitsdebat en -beleid kan nogal eens rekenen op vinnige reacties. Variërend van ‘ongelijkheid interesseert je gewoon niet’ tot ‘extreem-rechtse charlatan’. Of de discussie wordt snel verlegd naar een ander probleem zoals de diversiteit onder medewerkers. Daar liggen de verhoudingen inderdaad heel anders, maar dat is een ándere discussie.

Soms wordt er een half proefschrift verwacht ter onderbouwing van de kritiek. Dit terwijl het diversiteitsdebat zich niet in de wetenschappelijke sfeer bevindt maar eerder raakt aan universiteitsbeleid en politiek. En natuurlijk zijn er ook positief kritische reacties. Maar ze bevragen me vooral vanuit het idee dat de achterstanden groter zijn dan ik beweer. Het zou verfrissend zijn als het ook eens andersom is.

Bij dit soort thema’s lijkt de angst groot om populistisch rechts in de kaart te spelen. Maar het presenteren van ondeugdelijke cijfers en het negeren van het meer kwetsbare deel van de autochtone bevolking, geografisch vaak onzichtbaar in de periferie van steden en het land, zullen populistisch rechts ook in de kaart spelen. En bovendien het vertrouwen in de wetenschap beschadigen.

De kwestie diversiteit mag kritischer bekeken worden binnen en buiten de universiteit. De vraag of de beweringen kloppen blijft te vaak liggen. Tekenend was hoe een nieuwscheck initiatief van een groep wetenschappers van de Universiteit Leiden wel een wat overtrokken tweet van een kritische eenling over de UU ‘factcheckte’ maar niet de onjuiste bewering van een grote universiteit.

Naar een diverser diversiteitsdebat

Als reden voor meer diversiteit wordt vaak genoemd dat het de kwaliteit van een organisatie kan verbeteren. Nieuwe perspectieven worden ingebracht en onderbelichte thema’s worden opgepikt. Zo kunnen bi-culturele Nederlanders op een nieuwsredactie anderen behoeden voor weinig sensitieve uitspraken.

Wat voor studenten, voor universiteitsbestuurders en voor nieuwsredacties geldt, geldt natuurlijk ook voor de diversiteitscommissies zelf. Een meer diverse groep zal stellingen eerder vanuit diverse invalshoeken bekijken. Het zou zomaar kunnen dat een PVV stemmende eerste generatiestudent uit de Drentse Veenkoloniën net even eerder aan de bel zou hebben getrokken toen bepaalde vergelijkingen werden gemaakt.

Een groot probleem in het debat over diversiteit is dan ook dat een niet diverse groep is gaan bepalen wat diversiteit is. Juist de groep die er zo mee bezig is zou ironisch genoeg grotendeels plaats moeten maken als instellingen op meerdere dimensies, dus ook sociale klasse, regio en politieke voorkeur, afgespiegeld zouden worden aan de Nederlandse samenleving.

Want een organisatie met bijvoorbeeld acht witte stedelijke GroenLinks- of D66- stemmers uit de hogere middenklasse en twee allochtonen is niet divers. Bij afspiegeling zou een meerderheid rechts stemmen, de helft een of meer (vaak onzichtbare) chronische ziektes hebben en negen zouden buiten de drie grote steden wonen. Misschien is het niet zozeer wit dat op allerlei plekken domineert, maar vooral een bepaalde witte groep. Voor andere groepen, zowel wit als gekleurd, blijft dan minder van de taart over om te verdelen.

Andere dimensies van diversiteit dan etniciteit, gender en geaardheid komen er bekaaid vanaf. De Universiteit Utrecht noemt er enkele in haar online bericht, maar bij de suggesties in het projectplan is er geen woord over te vinden. Het is belangrijk om te beseffen dat die andere dimensies niet alleen náást etniciteit en gender bestaan, maar die thema’s vaak ook in een ander perspectief zetten, zoals we zien als het gaat om instroom en schooladvies.

Het debat over ongelijkheid, diversiteit en afspiegeling zou midden in de samenleving moeten staan en in het geval van toegankelijkheid van het onderwijs niet moeten meewaaien met de laatste modetrend onder activistische academici of ambitieuze bestuurders. Het zou een debat moeten zijn dat uitgaat van hoe Nederland echt in elkaar zit. Waarin alle groepen worden gerepresenteerd. Zonder een persoonlijke of politieke voorkeur voor een bepaald soort diversiteit, en zonder geografische bias. Zorgvuldig, open en geoneutraal.

Josse de Voogd :  Geograaf

Josse de Voogd is onderzoeker en publicist op het raakvlak van ruimte, politiek en samenleving. Hij studeerde een combinatie van culturele antropologie, ontwikkelingsstudies, internationale betrekkingen, geografie en conflictstudies aan de universiteiten van Nijmegen, Utrecht, Amsterdam en Leiden. Hij werkte aan de Universiteit van Amsterdam, Telos en bij het wetenschappelijk bureau van GroenLinks. In de loop van dit jaar verschijnt zijn boek 'Gelaagd land', een portret van Nederland aan de hand van de verkiezingsgeografie.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK