Bindend studieadvies kan alleen een sluitstuk zijn van een integrale onderwijsaanpak

“Als je kunt garanderen dat je onderwijs zo goed in elkaar zit dat iedereen het kan halen, dan is het bsa helemaal niet nodig.”

Interview | door Sicco de Knecht
7 maart 2019 | “Er wordt heel veel gerepareerd, maar we moeten eigenlijk terug naar de tekentafel. Het bouwplan van een opleiding moet centraal staan.” Volgens Ellen Klatter, voorzitter van de commissie studiesucces van Hogeschool Rotterdam, is een samenhangende onderwijsvisie van cruciaal belang. Een visie die over meer gaat dan alleen de inhoud van het curriculum. "Bij sterke opleidingen zie je dat er een sterke pedagogische oriëntatie is op elkaar."
Ellen Klatter – Foto: ScienceGuide

Is het een goed idee om als college van bestuur de regie over de punteneis voor het bindend studieadvies (bsa) aan de opleiding te laten? Die vraag zorgde twee jaar geleden op de Hogeschool Rotterdam voor een patstelling tussen het college en de centrale medenzeggenschap van de hogeschool. Vandaag publiceert een onafhankelijke commissie, onder leiding van lector studiesucces Ellen Klatter, haar adviesrapport over verantwoorde en gedragen maatregelen ter verbetering van het studiesucces.

Vanaf begin af aan heeft Klatter aangegeven dat haar commissie zich niet louter en alleen zou gaan richten op het bsa, zo gaf zij eerder al aan in een interview met ScienceGuide. “We willen vooral ophalen wat er speelt en leeft binnen de hogeschool rondom studievoortgang. Het bsa is daarbij een focuspunt, maar we zijn geen one-issue commissie.” Nu het rapport er is blijkt dat de commissie zich aan dat uitgangspunt heeft gehouden. Alhoewel het bsa een rol speelt in het advies, is het niet de hoofdmoot geworden.

Integrale aanpak studiesucces ontbreekt

De commissie deed onderzoek aan hand van bestaande wetenschappelijke literatuur, ervaringen binnen opleidingen en talloze interviews en gesprekken met docenten. Op basis hiervan adviseert de commissie om het studiesucces en studierendement te verhogen door aan alle opleidingen te vragen een integrale aanpak van onderwijsverbeteringen vorm te geven.

Die vele gesprekken waren een eye-opener voor Klatter en haar mede-commissieleden, zo schrijft de commissie in het rapport. “In de gesprekken was te merken dat opleidingen met veel passie en inzet bezig zijn met het thema studiesucces, maar dat de activiteiten tegelijkertijd ook erg divers en op zichzelf staand zijn.”

“We hebben steeds zeven brede vragen gesteld aan de opleidingen, maar wat ik had verwacht bleek niet het geval,” licht Klatter toe. “Ik verwachtte dat docenten gingen vertellen over hoe hun curriculum was opgebouwd en hoe ze lesgaven, maar dat viel me eigenlijk erg tegen.” Het waren toch meer de randvoorwaarden of specifieke projecten waar docenten op aansloegen.

Geen integrale aanpak dus, maar specifieke projecten of problemen. “Er wordt niet alleen heel erg ingezoomd op specifieke problemen, maar ook wordt er te vaak ‘extern geattribueerd’ In andere woorden: de ‘oorzaak’ ligt altijd bij iemand anders: de studenten, bij het ministerie, het college van bestuur.”

“Er wordt heel veel gerepareerd, maar we moeten eigenlijk terug naar de tekentafel."

De vraag wat een opleiding nu doet aan studiesucces wordt al snel versmald naar een onderwerp als doorstroom of uitval. “Er wordt heel veel gerepareerd, maar we moeten eigenlijk terug naar de tekentafel. Het bouwplan van een opleiding moet centraal staan.” Dat houdt volgens Klatter niet alleen in dat er aandacht is voor de inhoud van een opleiding, maar ook voor de didactische stijl die een opleidingsteam hanteert, en hoe hier onderling over gesproken wordt.

Aandacht voor pedagogiek zwelt aan

De meest positief stemmende bevindingen van de commissie zijn dan ook de opleidingen waar de aandacht voor pedagogiek en didactiek sterk aanwezig is. “We moeten er eerlijk over zijn dat iedere docent zijn eigen manier van handelen heeft. Bij sterke opleidingen zie je dat er een sterke pedagogische oriëntatie is op elkaar. Docenten kennen elkaars pedagogische stijl en spreken elkaar daar ook op aan.”

Klatter, die zich in het verleden al eens uitliet over de ‘tanende aandacht voor de pedagogiek’ was dan ook aangenaam verrast door de sfeer die ze bij sommige opleidingen aantrof. “Een opleidingsmanager zei dat het team zo lekker in hun vel zit dat docenten graag bij hen willen komen werken. Die cultuur is blijkbaar zo krachtig en straalt zo veel enthousiasme uit dat mensen bij dat team willen horen.”

De pedagogische verlegenheid achter je laten

Die aspecten centraal durven stellen is niet altijd gemakkelijk en het vergt onderwijskundig leiderschap. Op dat laatste punt is de commissie heel duidelijk in haar aanbevelingen. “Er moet echt meer aandacht komen voor onderwijskundig leiderschap. Dat betaalt zich dubbel en dwars uit. Niet alleen in studiesucces maar ook in ziekteverzuim onder docenten en de werktevredenheid.”

Het belang van een gedeelde visie

“Doordat docenten zelf de verantwoordelijkheid hebben zijn ze ook in control. Je zet je met plezier in voor je werk omdat je het effect ziet.” Klatter vergelijkt dat met het verschil in betrokkenheid tussen medewerkers in loondienst, en zij die werken in hun eigen bedrijf. “Het is belangrijk dat docenten zich identificeren met elkaar en de opleiding en dat ze een gedeelde visie hebben.”

Die visie moet bij het primaire proces beginnen, op het niveau van het lesgeven. Het gaat dan echt met de houding waarmee docenten lesgeven. Zodra docenten de zin ontglipt ‘dat studenten punten moeten halen van de opleiding’ dan is er al sprake van een alarmerende situatie volgens Klatter. “Dan zet je jezelf in zekere zin al buitenspel. Het gaat in een studie niet om de cijfers en de punten, het gaat om de ontwikkeling. Je moet studenten begeleiden in de ontwikkeling.”

“Goede docenten reflecteren met studenten op de vraag waarom het nu niet gelukt is om een gesteld doel te bereiken.”

Die ongewenste houding slaat ook over op studenten, zo valt te lezen in het rapport. Studenten geven aan dat de focus op cijfers het onderwijs in sommige gevallen onpersoonlijk maakt en dat het bsa te veel gericht is op punten en onpersoonlijk is. “Ze merken op dat er een advies volgt van iemand die hen helemaal niet kent, met genoeg zesjes krijgen ze groen, met achten en een paar onvoldoendes oranje of rood.”

Dat is volgens Klatter precies het punt waar de pedagogische ruimte compleet braak ligt. Goede docenten voelen de ruimte en autonomie om niet de studieadviseur deze zaak op te laten knappen maar, bij zowel kleine als grote doelen, in te grijpen. “Zij reflecteren ook met studenten op de vraag waarom het nu niet gelukt is om een gesteld doel te bereiken.”

In het verlengde hiervan onderstrepen de vele vragen die Klatter van docenten krijgt over loopbaanbegeleiding het belang van dit onderwerp. “Die wens leeft blijkbaar erg maar zodra daar niet meer alle aandacht naar uitgaat dan is dat al snel funest. Bovendien moet zo’n gesprek gaan over wat je wilt betekenen voor een student en niet over taakuren zoals in de praktijk vaak het geval is.” Volgens de lector studiesucces is de praktijk van loopbaanbegeleiding voer voor een vervolgonderzoek.

Wederzijdse verantwoordelijkheid

Het algemene advies van de commissie wat betreft het bsa laat zich samenvatten in het inzetten op een hogeschoolbrede verbeterslag, waarin alle opleidingen op basis van een integraal plan binnen drie jaar de kwaliteit van het onderwijs optimaliseren door middel van goed onderbouwde onderwijskundige interventies. Heel sec voegt Klatter daar aan toe: “Als je kunt garanderen dat je onderwijs zo goed in elkaar zit dat iedereen het kan halen, dan is het bsa helemaal niet nodig.”

Werkend vanuit de realiteit dat de hogeschool nu eenmaal een bsa heeft is Klatter anderzijds ook weer praktisch over de interpretatie daarvan. “Als wij hoge verwachtingen hebben van studenten, dan mogen zij ook wederzijds hoge verwachtingen hebben van de opleiding.” Die lijn van redeneren volgende is het prima dat een College van Bestuur dan wel hoge doelen stelt aan studenten, maar betekent dit ook dat zij hoge doelen moet stellen aan docententeams.

“Als je kunt garanderen dat je onderwijs zo goed in elkaar zit dat iedereen het kan halen, dan is het bsa helemaal niet nodig.”

“Als je studenten wilt stimuleren dat ze alle punten halen dan moet je daar ook de omstandigheden naar maken.” Daarnaast is er ook nog een hele praktische reden voor de commissie om het aantal niet-behaalde punten in het eerste jaar zo klein mogelijk te maken. “Anders blijf je eindeloos aanmodderen. Die niet behaalde punten achtervolgen je en blijven concurreren met de vakken in het reguliere programma.” Mijn collega commissielid Klaas Visser noemt dat geïnstitutionaliseerde vertraging organiseren.”

“Wat doet ze nu?”

Uiteraard opereert de Hogeschool Rotterdam niet in isolatie als het gaat om het bsa. Er is onder studenten en toetsdeskundigen kritiek op de maatregel, en onderzoeken naar het effect op het studierendement en de adviesfunctie is kritisch op de meerwaarde. Ook waren er vragen over de wettelijke ruimte om een bsa-eis van 60 EC te stellen. In dat geval oordeelde het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) in mei 2018 dat een bsa-eis van 60 EC toegestaan.

ons dossier over selectie

Dat ook de minister en de Kamer zich roeren in deze discussie is niet onopgemerkt gebleven op de hogeschool zo valt te lezen in het onderzoek. “De ministeriële proefballon om de norm op 40 EC te zetten, wordt allerwegen weggezet als lachertje. Men vindt het een ondoordachte zet, maar gaat erin mee dat de student wel een slippertje moet kunnen maken (tijdsdruk is daarin het issue).”

Klatter vult deze passage uit het rapport nog even aan. “Heel veel opleidingen waren hier absoluut niet blij mee. Die hadden een gevoel van ‘wat doet ze nu?’.” Volgens haar is het ook een kwestie van uitstraling en het type boodschap dat je als minister uitzendt met een proefballon als deze. “We willen jongeren opleiden of opvoeden met een specifiek doel voor ogen en dan zeg je ineens dat 2/3 van dat doel ook voldoende is.”

Volgens de commissie is er, mits de basisvoorwaarden gegarandeerd zijn, dan ook geen reden om tegen een hoge bsa-eis te zijn, maar Klatter wil daar nog wel een belangrijke ‘mits’ aan toevoegen. “Ik denk dat onze voorstellen goed zijn omdat compensatoir toetsen In een systeem van compensatoir toetsen worden de behaalde resultaten van studenten in samenhang bezien. Een slecht cijfer kan in dit regime worden gecompenseerd met een goed cijfer - binnen grenzen die de opleiding stelt. een integraal onderdeel is van zo’n pakket.” Volgens Klatter valt namelijk niet te verwachten dat elke student op elk onderdeel van de opleiding kan excelleren. “Doseren is hier een belangrijk aspect, het is de voorwaarde voor het hoog leggen van de lat.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK