Op zoek naar evidence-based criteria voor masterselectie

Opinie | door Frank van Rijnsoever & Timon de Boer
25 maart 2019 | Een aantal politieke partijen is kritisch over selectie voor masteropleidingen. Onderzoekers Frank van Rijnsoever en Timon de Boer (beiden Universiteit Utrecht) betogen dat er meer onderzoek nodig is voordat de politiek ingrijpt. De onderzoekers stellen dat selectie voor de masteropleidingen noodzakelijk is, en geven uitgangspunten waar een selectieprocedure aan moet voldoen. Ten slotte geven zij een kort overzicht van wat we wel en niet weten op dit moment.
Foto: Tico_24

Het selecteren van studenten bij masteropleidingen wordt steeds gebruikelijker. Op dit moment zijn 33% van alle masteropleidingen in Nederland selectief Een selecterende master is een master die aan alle studenten die zich aanmelden aanvullende documentatie vraagt of toetsen afneemt. Dit geldt ook voor studenten die een gerelateerde bachelor aan de eigen instelling hebben afgerond. . Bij sommige instellingen, zoals de Universiteit Utrecht, is het percentage selecterende masters zelfs meer dan 90%, zo blijkt uit onderzoek van de onderwijsinspectie.

De toenemende selectie voor masteropleidingen leidt tot zorgen bij de minister, Tweede Kamer en de samenleving. De angst bestaat dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in gevaar komt, doordat bepaalde groepen studenten makkelijker door de selectie komen dan anderen. Daarom roepen D66, SP en het CDA de regering per motie op om eisen te stellen aan de onderbouwing van gehanteerde selectiecriteria voor masterstudenten.

Deze motie is maar een onderdeel van de variërende politieke standpunten over selectie. Recentelijk pleitten meerdere partijen voor het afschaffen van selectie of het herinvoeren van loting. Andere partijen stellen dat selectie, mits onderbouwd, juist goed is. Er is op dit moment echter nog te weinig bekend over de effecten van selectie, en welke criteria valide zijn. Politici maken daarom nog wel eens voorbarige statements over selectie. Daarom wordt er op meerdere universiteiten in Nederland, onderzoek gedaan naar selectie. Het is belangrijk dat onderzoekers de tijd krijgen om dit onderzoek goed uit te voeren en te delen, voordat er definitieve beslissingen worden genomen.

Wat is voorspellend voor studiesucces?

Ook onze faculteit Geowetenschappen (Universiteit Utrecht) is een onderzoek gestart naar de selectiecriteria van de eigen masterstudenten. In ons project toetsen wij of de selectiecriteria in de huidige aanmeldingsdossiers (zoals cijferlijsten, motivatiebrieven, cv’s en vooropleiding) een goede voorspeller voor diverse maten van studiesucces zijn.

Dit onderzoek is hard nodig, want veruit het meeste bestaande wetenschappelijk onderzoek naar selectie richt zich op bachelorstudenten in het medische domein aan Amerikaanse universiteiten. Ook in Nederland richten de meeste studies zich op bacheloropleidingen met een numerus fixus. Daarbuiten is het onderzoek zeer schaars. Het verschil tussen bachelor- en masterselectie is echter aanzienlijk. Waarbij bacheloropleidingen met numerus fixus vaak selecteren om te bepalen welke studenten het meest geschikt zijn, zijn masters veel meer bezig met bepalen welke studenten juist ongeschikt zijn. Vergelijk het maar met een groep kinderen die wil leren wedstrijdzwemmen. Numerus fixus opleidingen zoeken de 5 snelste zwemmertjes uit. Masteropleidingen verwelkomen doorgaans alle zwemmers, mits je zelf naar de overkant kunt zwemmen, dit om te voorkomen dat je spartelend ten onder gaat. Dit zijn twee wezenlijk andere vormen van selectie, en naar de tweede vorm is nog amper onderzoek gedaan.

Kantel de selectie in het hoger onderwijs

Het uitfilteren van ongeschikte studenten is echter een complexe puzzel met veel variabelen en selectiemethoden. In de rest van dit stuk geven wij aan (1) waarom goede selectie noodzakelijk is, (2) wat goede uitgangspunten van selectie zijn, (3) wat we tot nu toe wel- en niet weten over selectie en (4) wat belangrijke uitdagingen zijn.

De noodzaak van selectie voor de master

Sinds de invoering van de harde knip in 2012 is het niet meer vanzelfsprekend is dat studenten na hun bachelor automatisch doorstromen naar een aansluitende master. Dit heeft tot gevolg dat studenten steeds mobieler worden, vooral aan instellingen waar veel selecterende masters zijn. Zo is tussen 2009 en 2017 het aantal studenten wat doorstroomt naar een ‘vervolgmaster’ aan de eigen universiteit gedaald van 70% naar 55%. Deze ‘externe’ aanvragen lopen zeer uiteen, en sluiten lang niet altijd aan qua inhoud in niveau. Al deze aanvragen moeten individueel beoordeeld worden.

Daarnaast zijn bacheloropleidingen vaak breed en kennen steeds meer keuzeruimte. University colleges zijn het meest sprekende voorbeeld, maar ook reguliere bacheloropleidingen worden breder en meer multidisciplinair. Dit is uitstekend voor de persoonlijke ontplooiing van de student, maar dit geeft ook het risico dat de student niet de juiste voorkennis voor een gespecialiseerde master van hun keuze vergaart.

De universiteit heeft een verantwoordelijkheid naar student en samenleving om ervoor te zorgen dat studenten zoveel mogelijk op de juiste plek terecht komen. Voor studenten betekent een verkeerde studiekeuze vaak vertraging of soms geen diploma. Dit kost de student duizenden euro’s per jaar aan collegegeld, studiemateriaal en eventuele leningen. Natuurlijk kan een verkeerde studiekeuze een leerzame ervaring zijn, maar het zorgt vaak ook voor frustratie en onzekerheid bij een student. Daarnaast vergroot een diploma de kansen op de arbeidsmarkt.

De overheid heeft ook belang bij goede selectie. Zij legt jaarlijks ook bijna 10.000 euro per student bij Naast het wettelijk collegegeld financiert de overheid instellingen ook direct. Deze overheidsbijdrage varieert per studie en per instelling. Als een student vertraging oploopt dan wordt er belastinggeld aan een student besteedt ten koste van andere studenten. , selectie draagt daarmee bij aan het doelmatig besteden van publieke middelen. Daarom dient valide selectie een hoge prioriteit te hebben voor elke universiteit.

Een bijkomend voordeel van selectie is dat studenten die geselecteerd worden minder vaak stoppen met hun studie, betere cijfers halen, en aangeven gemotiveerder te zijn dan studenten die niet hoeven te selecteren of studenten die geselecteerd worden door middel van loting.

Uitgangspunten van masterselectie

Op basis van noodzaak, toegankelijkheid en doelmatigheid stellen dat wij een goede selectieprocedure voor de masterfase de volgende uitgangspunten moet hebben:

  • De student moet op de juiste plaats komen. In de praktijk betekent dit dat de student, rekening houdend met persoonlijke omstandigheden, binnen een bepaalde termijn de studie afrondt. Dit uitgangspunt heeft tot gevolg dat universiteiten voor veruit de meeste masters niet dienen te selecteren op enkel de topstudenten. Als een student een master kan afronden binnen een redelijke termijn, dan moet deze worden toegelaten. Daarbij maakt het niet uit of de student met een zes of negen afstudeert.
  • Selectie mag niet nadelig uitpakken voor studenten voor bepaalde groepen. Op dit moment worden ‘kwetsbare’ groepen, zoals studenten met een migratieachtergrond of laagopgeleide ouders, mogelijk structureel benadeeld worden door selectie. Daarmee is de toegankelijkheid van het hoger onderwijs in het geding.
  • Het selectieproces moet doelmatig zijn voor zowel student en universiteit. Universiteiten kunnen veel informatie van studenten vragen, zoals cijferlijsten, motivatiebrieven, aanbevelingen, cv’s en resultaten van gestandaardiseerde testen. Soms zijn er ook extra selectieactiviteiten, zoals toelatingsexamens of mondelinge interviews. Dit levert mogelijk onnodig werk op voor zowel student als universiteit. Het lijkt heel nuttig om elke student vooraf te interviewen en daarmee persoonlijk te kunnen beoordelen, maar interviewen is eigenlijk een heel duur selectie-instrument met nauwelijks aangetoonde voorspellende waarde voor studiesucces.

Deze uitgangspunten komen voort uit universitair beleid en vormen de basis voor ons onderzoek. Het zou goed zijn voor het debat over selectie als dit soort uitgangspunten op landelijk niveau geformuleerd worden.

Wat weten we wel?

Bestaand wetenschappelijke onderzoek geeft een aantal aanknopingspunten die kunnen bijdragen aan een betere selectie in de masterfase. Cijfers en gestandaardiseerde testen zijn de meest bestudeerde en gehanteerde selectiecriteria. Beiden zijn een goede voorspeller van studiesucces, maar wel met kanttekeningen. Cijfers tijdens de vooropleiding verliezen veel voorspellende waarde naarmate de vervolgopleiding vordert. In andere woorden: cijfers aan het einde van de middelbare school zijn bijvoorbeeld een prima voorspeller van studiesucces in het eerste jaar van de bachelor, maar een veel minder goede voorspeller van studiesucces in het derde jaar.

Het is te verwachten dat cijfers behaald aan het einde van de bachelor ook meer voorspellende waarde hebben voor studiesucces in de master, dan cijfers uit het eerste jaar. Gestandaardiseerde testen zijn vaak een goede voorspeller in combinatie met cijfers. Helaas is presteren op dit soort testen zeer coachbaar, en is deze coaching vaak alleen bereikbaar voor studenten uit rijkere gezinnen.

Daarnaast hebben klassieke een-op-een interviews een zeer beperkte voorspellende waarde voor studiesucces. Opvallend is verder dat vrouwen en oudere studenten het vrijwel altijd beter doen tijdens hun studie en tijdens toelatingstesten. Daarmee hebben deze groepen dus een voordeel. Veel opleidingen vragen studenten ook om een cv en motivatiebrief te leveren. Er bestaat echter nauwelijks onderzoek naar de voorspellende waarde hiervan. Aanbevelingsbrieven hebben weinig zin vanwege een hoge kans hebben op vervalsing; de student schrijft de brief gewoon zelf.

Uitdagingen

Het aantal ‘evidence based’ criteria om op te selecteren houdt dus niet over, en het is goed om daar meer over te weten te komen. Maar daarnaast zijn er nog extra uitdagingen die selectie complex maken. Zo is het aantal aanmeldingen enorm divers in niveau en aantal, waardoor aanmeldingen lastig te vergelijken zijn. Het is een vooral een uitdaging om het niveau van buitenlandse vooropleidingen te bepalen, laat staan de inhoud van bepaalde cursussen. Hoe bepaal je het niveau van een universiteit in China? En doe je iets met een cursus als ‘The great patriotic war of the Soviet people’ (studielast: 22 uur) die prijkt op de cijferlijst van menig Wit-Russisch student.

Een gerelateerde vraag is hoe transparant en eenduidig je selectiecriteria toepast op de zeer diverse set aanmeldingen. In de praktijk maak je voor elke student een individuele afweging. Daarbij kun je een valide criterium als cijfers op meerdere manieren toepassen. Kijk je naar het gemiddelde over hele opleiding, alleen de cijfers in het laatste jaar of alleen de relevante vakken? Hoe weeg je studieduur mee, en hoe verhoudt zich dit tot extracurriculaire activiteiten, zoals bestuurswerk, topsport of mantelzorg? Het is ondoenlijk om deze complexe afweging in regels vast te leggen. Hoe meer je dit probeert, hoe minder discretionaire bevoegdheid selectiecommissies hebben om studenten het voordeel van de twijfel te geven.

Een derde uitdaging is de vraag of studiesucces niet meer is dan alleen het afronden van een studie binnen een redelijke termijn. De universiteit is er ook voor om studenten een kritische houding aan te leren, te leren samenwerken, en voor te bereiden op hun maatschappelijke loopbaan. Dit is een stuk persoonlijke ontwikkeling die zich niet laat vatten in cijfers en diploma’s. Er is echter onvoldoende bekend over voorspellers van alternatieve succesmaten.

Conclusie

Masterselectie is een noodzakelijke, maar met onze uitgangspunten, ook zeer complexe puzzel. Wij, en andere wetenschappers, zijn druk bezig om deze puzzel op te lossen. Daarmee worden CDA, SP en D66 op hun werken bediend. Het is goed dat het onderwerp op de agenda staat, maar politici doen er verstandig aan om de resultaten van de lopende onderzoeken af te wachten alvorens met ingrepen te komen.

 

Frank van Rijnsoever :  Universitair hoofddocent Universiteit Utrecht

Universitair hoofddocent innovatiewetenschap aan de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht.

Timon de Boer :  Onderzoeker innovatiewetenschap Universiteit Utrecht

Onderzoeker innovatiewetenschap aan de faculteit Geowetenschappen van de Universiteit Utrecht. Hij doet onderzoek naar evidence-based masterselectie.

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK