Bonden en koepels struikelen over voorstel aparte Engelstalige tracks

Nieuws | door Floris van Berckel Smit
24 april 2019 | Begin dit jaar liep er een internetconsultatie over de voorgestelde wetswijzigingen in het kader van internationalisering. Hieruit blijkt dat zowel de studentenbonden als de koepels problemen signaleren met het voorstel om een numerus fixus op Engelstalige tracks in te voeren.
Foto: Ian Sane (CC BY 2.0)

Minister Ingrid van Engelshoven (OCW) werkt momenteel aan het wetsvoorstel ‘Taalbeleid en Toegankelijkheid’. In dat wetsvoorstel wordt een aantal vraagstukken over internationalisering behandeld. Tussen december ‘18 en eind januari ‘19 liep hierover een internetconsultatie. De internetconsultatie leidde tot tientallen openbare reacties. Vooral het wetenschappelijk onderwijs is sterk vertegenwoordigd in de respons.

De oorspronkelijke Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) stamt uit 1991 en is volgens een breed palet aan betrokken partijen in het hoger onderwijsveld aan herziening toe. Zo diende Kamerlid Judith Tielen (VVD) vorig jaar een motie in met het verzoek de mogelijkheden te verkennen tot betere samenwerking tussen universiteiten bij de aanmelding en toelating van buitenlandse studenten.

Hoog tijd voor revisie van de wet op het hoger onderwijs

Ook publiceerde de Onderwijsinspectie eind december een rapport waarin wordt geconstateerd dat veel (voornamelijk niet-bekostigde) instellingen nog niet beschikken over de wettelijk vereiste gedragscode met betrekking tot taal. Mede naar aanleiding van de motie en het rapport gaat de minister over tot een wetswijziging die ze voor het zomerreces wil aandienen. De vier ankerpunten van de minister beslaan: kwaliteit, toegankelijkheid, doelmatigheid en verbinding met de omgeving.

Numerus fixus en kwaliteit

Internationalisering kan volgens Minister Van Engelshoven toegevoegde waarde hebben voor de kwaliteit van het onderwijs. De vraag is echter of het opdelen van opleidingen in een Engelstalige en Nederlandstalige track die kwaliteit ten goede komt. In verschillende reacties worden zorgen geuit over dit voorstel om de WHW aan te passen in relatie tot de verwachte instroom.

Volgens de Landelijke Studentenvakbond vormt de instelling van aparte tracks een gevaar voor de kwaliteit an sich. “Het huidige voorstel zorgt ervoor dat groepen studenten worden gescheiden. De eerstegeneratiestudenten, studenten met een functiebeperking, studenten met een migratie-achtergrond, en zij die niet voldoen aan de selectiecriteria, hebben een grotere kans om de Nederlandstalige track te volgen. […] Het is zeer aannemelijk dat dankzij deze scheiding een, vermeend of objectief, kwaliteitsverschil ontstaat tussen verschillende tracks. Dit lijkt ons een onbedoeld effect van de maatregel.”

Zowel de Vereniging Hogescholen als de VSNU hebben in de overkoepelende zin een probleem met de nieuwe invulling van de numerus fixus. Zij waarschuwen dat de rol van de minister in het toekennen van de status numerus fixes te groot is. De VH: “Door de nu gekozen constructie krijgt de minister een grotere verantwoordelijkheid bij het inzetten van de numerus fixus. De vraag blijft, wat gebeurt er als de minister toestemming weigert en de kwaliteit van een opleiding toch in het geding komt?”

De VH pleit dan ook voor een andere uitvoering op dit punt. “Wij hadden het principieel juist gevonden als de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de opleiding volledig bij de opleiding was blijven liggen. Een toets achteraf (bijv. ingrijpen bij kennelijk oneigenlijk gebruik van de fixus) is volgens ons een zuiverder invulling van de regeerakkoord maatregel. We stellen voor het wetsvoorstel op dit punt te heroverwegen.” De VSNU sluit zich daarbij aan: “De kwaliteit van de opleidingen is de verantwoordelijkheid van de instelling: de keuze voor de inzet van de numerus fixus hoort daarom nadrukkelijk bij de instelling te liggen.”

Bij monde van directeur Ron Minnée doet de Vereniging Hogescholen nog een ander voorstel wat betreft de fixus, namelijk om zowel de Nederlandstalige als de Engelstalige tracks afzonderlijk een maximum te geven. “Experts op het gebied van de numerus fixus hebben er destijds op aangedrongen om gedifferentieerde capaciteitsbeperking binnen één CROHO mogelijk te maken. Dat zou kunnen gaan om dezelfde opleiding die door een instelling op verschillende locaties of in een Engelse / Nederlandse traject wordt aangeboden.”

Risico’s voor de toegankelijkheid

Het waarborgen van de toegankelijkheid van het onderwijs is voor de minister een prominent belang. Derhalve moet verdringing van Nederlandse studenten, veroorzaakt door internationalisering, zo goed als mogelijk is moeten voorkomen. In het wetsvoorstel signaleert de LSVb niettemin risico’s voor de toegankelijkheid van Nederlandstalige studenten. “Nederlandstalige studenten, die niet voldoen aan de selectiecriteria voor anderstalige tracks, kunnen niet samen met internationale studenten een opleiding volgen. Hierdoor krijgen zij minder kansen om interculturele kennis en vaardigheden aan te leren. Het is opmerkelijk dat een maatregel die poogt de onderwijs toegankelijkheid van Nederlandse studenten te waarborgen, een gedeelte van deze groep juist de toegang tot bepaalde tracks zal ontzeggen.”

Ook de numerus fixus zou de toegankelijkheid kunnen beperken, vooral voor studenten met een functiebeperking en studenten met een migratieachtergrond, aldus Nuffic. “[…] een numerus fixus [sluit] met name eerste generatiestudenten, studenten met een functiebeperking en studenten met een migratieachtergrond uit. Dat zijn precies de groepen die ook al minder gebruik maken van andere 4/6 internationaliseringsmogelijkheden in het onderwijs zoals uitgaande mobiliteit.”

Collegegelden

Een ander belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel is de vraag hoe vrij instellingen kunnen zijn in het vaststellen van hun instellingscollegegeld. Vorig jaar kondigde de TU Delft al aan het instellingscollegegeld Voor studenten uit NL of de EER geldt in principe het wettelijk collegegeld (€2060 in ‘18|’19), tenzij zij een tweede studie doen. Dan geldt het instellingscollegegeld. Niet-EER studenten betalen instellingscollegegeld, een bedrag dat door de instelling wordt bepaald en altijd hoger is dan het wettelijk collegegeld. voor niet-EER studenten met 40% te verhogen, om grip te krijgen op de internationale instroom.

Selectie op nationaliteit, mag het nu wel of niet?

De VH laat weten meer duidelijkheid te willen over de berekening van het maximale instellingscollegegeld. “Daarnaast blijkt uit de memorie dat het maximum instellingscollegegeld periodiek voor een aantal jaar wordt vastgelegd. Het ‘aantal jaar’ wordt echter niet gespecificeerd. Wij vragen om helderheid over de periode waarop het maximum wordt herzien.” Ook vraagt de koepel om extra aandacht voor de totstandkoming van het bedrag bij de kunstenhogescholen. Daar is de vaste voet aan bekostiging namelijk een stuk groter.

Vanuit studentenbonden klinkt juist kritiek op het voornemen van OCW wat betreft het instellingscollegegeld. “ASVA is blij met het maximum aan het instellingscollegegeld voor EER-studenten. Wel hebben wij zorgen bij het feit dat het instellingscollegegeld voor niet-EER-studenten geen maximum krijgt in de AMvB. Dit biedt een perverse prikkel om deze studenten als verdienmodel te gaan gebruiken. Wat ASVA betreft zouden ook niet-EER studenten niet meer collegegeld moeten betalen dan de kosten van hun studie zelf, rekening houdend met de misgelopen rijksbijdrage.”

Internationalisering en doelmatigheid

Een toename van internationalisering in het onderwijs moet alleen mogelijk zijn als de doelmatigheid daardoor niet in gevaar komt, stelt de minister. Het kan niet de bedoeling zijn dat een opleiding grotendeels internationale studenten opleidt die vervolgens buiten Nederland gaan werken. Dat is uitdrukkelijk geen doelmatige besteding van publieke middelen.

Daartegenover staat dat de minister internationalisering wel belangrijk vindt om bijvoorbeeld buitenlands toptalent binnen te halen. De bijdrage van internationalisering en internationale studenten aan de Nederlandse arbeidsmarkt blijkt volgens meerdere reacties op orde te zijn. Zo stelt Nuffic: “[…] in dit wetsvoorstel [worden] voor het middelbaar beroepsonderwijs (mbo) de mogelijkheden vergroot om tweetalig onderwijs aan te bieden. Het mbo leidt vaak op voor de regionale arbeidsmarkt, maar ook deze arbeidsmarkt is internationaal georiënteerd. Goede beheersing van een vreemde taal (Engels, maar ook Duits) wordt steeds belangrijker.

Ook de LSVb denkt dat het qua doelmatigheid zo’n vaart niet zal lopen. “[…] onderzoek stelt […] dat internationale afgestudeerden die in Nederland blijven wonen en werken, de schatkist € 1,57 miljard per jaar op leveren. Onder de huidige omstandigheden leggen niet-Nederlandse studenten dus geen beslag op de collectieve middelen, zij dragen hier juist aan bij. 

Verbinding met de omgeving

Een onderwerp dat opvallend onderbelicht is in de reacties, is de invloed die internationalisering heeft op de omgeving van de onderwijsinstelling. Zo was een onderwerp als huisvesting van internationale studenten de laatste jaren een terugkerend thema in de berichtgeving. Aan deze thema’s besteden de partijen die reageerden in de internetconsultatie echter weinig aandacht. Er wordt wel aandacht besteed aan de uitgaande en inkomende mobiliteit van studenten, maar niet zozeer aan de neveneffecten die dat kan hebben op de omgeving van instellingen.

Het wetsvoorstel is inmiddels door de ministerraad en ligt momenteel voor bij de Raad van State. Daarna moet de wet uiteraard nog aangenomen worden door de Tweede en Eerste Kamer.

Floris van Berckel Smit :  Junior onderzoeker

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK