Dat er mensen zijn die hun werk bullshit vinden is zorgelijk

“Ik denk dat Graeber met bullshit jobs een belangrijk vraagstuk heeft aangesneden”

Interview | door Sicco de Knecht
24 april 2019 | Afgelopen jaar maakte antropoloog David Graeber furore met zijn boek over nutteloze en schadelijke banen: bullshit jobs. Erg sterk is het bewijs voor zijn these niet vindt econoom Robert Dur (EUR), “maar ik denk wel dat hij een heel belangrijk vraagstuk heeft aangesneden.”
Robert Dur – Foto: ScienceGuide

Wat begon als een plagerig essay van antropoloog David Graeber (London School of Economics) over mensen die op verjaardagen niet durven te vertellen wat voor werk ze doen, mondde vorig jaar uit in een bestseller onder de naam: Bullshit Jobs – a theory. Een boek waarin de anarchist Graeber zich verdiept in mensen met een baan waarin ze, naar eigen zeggen, het nut niet van kunnen ontdekken. Het is ook zonder meer een prikkelend idee, met enorme economische en maatschappelijke implicaties.

Het idee dat er, voornamelijk in Europa en Noord-Amerika, heel wat mensen zijn die nutteloze banen hebben en soms zelfs werk doen dat de samenleving schade berokkent was duidelijk een gevoelige snaar die nog niet eerder zo stevig aangeslagen was. Graeber stond weken lang in de aandacht van internationale media, en ook in Nederland was het boek aanleiding voor veel discussie. Tegelijkertijd was er kritiek op het boek, vooral op de bronnen en de bewijsvoering die is samengesteld uit losse enquêtes, polls en gesprekken op Twitter en mailconversaties.

Een bijzonder extreem idee

Voor econoom Robert Dur (Erasmus Universiteit), was de publicatie van het boek direct aanleiding om in het geweer te komen. In zijn onderzoek houden Dur en zijn collega zich primair bezig met de vraag wat mensen voldoening verschaft in hun werk. “De uitspraken van Graeber liggen in zekere zin in het verlengde van deze vraag, maar zijn vanuit de omgekeerde richting gesteld.”

En alhoewel het gedachtengoed van Graeber bijzonder interessant is voor economen voelde Dur wel gelijk de neiging om het bewijs ervoor eens goed tegen het licht te houden. “Als je ziet dat dit soort ideeën invloed hebben op beleidskeuzes, dan kunnen ze maar beter eerst goed getoetst zijn. Voor ons als economen kwam het idee dat mensen nutteloos werk doen bijvoorbeeld over als een bijzonder extreem idee.”

“Als je ziet dat dit soort ideeën invloed hebben op beleidskeuzes, dan kunnen ze maar beter eerst goed getoetst zijn."

In zijn boek gaat Graeber de strijd niet aan om bepaald type werk op zichzelf nutteloos of schadelijk te noemen. Het gaat hem om de ervaring van de werknemer zelf. Zodra deze het gevoel heeft niets bij te dragen – een ‘sociaal nutteloze’ of schadelijke functie te vervullen – telt zij of hij mee in de getallen.

Perceptie is wel degelijk relevant

Op de vraag of dit een slinkse manier is om de kern van de discussie te ontlopen valt Dur zijn collega Graeber toch bij. “Wat mensen denken en voelen is natuurlijk wel degelijk relevant, zeker als je zoals wij geïnteresseerd bent in arbeidsvoldoening en arbeidsmotivatie.” Het is volgens hem ook een van de weinige aspecten waar je grip op kunt krijgen als onderzoeker. “Het schetst niet het hele verhaal, maar wel een deel van het vraagstuk.”

Dat neemt niet weg dat ook het gebied van overlap tussen perceptie en ‘werkelijkheid’ aandacht verdient. “Misschien zijn het wel de mensen die werk doen dat heel schadelijk is voor de samenleving, maar dat absoluut niet zo beleven. Of vice versa. Het komen tot een maatstaf van nut of schadelijkheid is volgens Dur een route waar maar weinig heil in zit. “We kunnen extreme voorbeelden aanwijzen natuurlijk, bankiers die woekerpolissen aanbieden aan mensen van wie ze weten dat het ze zal schaden, daar is het duidelijk.” Als het gaat over de tabaksindustrie en gokken is het alweer een stuk lastiger, al was het maar omdat het wel gewoon om legale activiteiten gaat.

“Wel krijg ik het gevoel bij Graeber dat hij eigenlijk achter de vraag aanzit of er niet gewoon een heleboel banen zijn die nutteloos of schadelijk zijn. Dit is een beetje hoe ver hij komt.” De aanpak die gekozen is voor Bullshit Jobs is een losse aanpak waarbij de onderzoeker met mensen in gesprek ging die via Twitter of e-mail aangaven hun baan bullshit te vinden.

Wankele bewijsvoering van Graeber

In zekere zin lijkt de exercitie dan ook erg op die waar Joris Luyendijk voor koos in zijn boek Het kan niet waar zijn, een spraakmakend project over de bancaire sector. “Een van onze studenten heeft Luyendijk er bij een Studium Generale wel eens op gewezen dat het wel een hele gekleurde steekproef was die hij gebruikte voor zijn serie in The Guardian.” Volgens Dur wuifde Luyendijk dat commentaar wel erg makkelijk weg.

“Wat ik denk dat een stap vooruit is in deze kwestie, is toch dat je tot een representatieve steekproef probeert te komen. Dat klinkt misschien een beetje saai, maar dat is wel wat nodig is.” Wat dat betreft is Dur nog niet overtuigd door de twee steekproeven die Graeber zelf beschrijft in zijn boek. Een daarvan was een steekproef van YouGov, de ander van het Nederlandse opleidingsinstituut Schouten en Nelissen. Uit die onderzoeken bleek respectievelijk dat 37% van de Britten en 40% van de Nederlanders hun baan bullshit vonden ScienceGuide heeft herhaaldelijk gevraagd of het onderzoek en de achterliggende data van het onderzoek van Schouten en Nelissen ingezien kon worden. Schouten en Nelissen zei dat het onderzoek niet meer beschikbaar was. David Graeber had het origineel ook niet liet hij via Twitter weten. .

“Misschien zijn het wel de mensen die werk doen dat heel schadelijk is voor de samenleving, maar dat absoluut niet zo beleven."

Dur is niet bijster onder de indruk van de onderzoeken die Graeber aanhaalt. Daarin staat hij niet alleen. In een interview met de Volkskrant bij het verschijnen van het boek Bullshit Jobs stelde journalist Jonathan Witteman het geduld van Graeber duidelijk op de proef door over de kwaliteit van de onderzoeken door te vragen. Graeber komt uiteindelijk tot de conclusie dat”: ‘statistieken uit arbeids-enquêtes niets te betekenen hebben. Mensen winkelen hoe dan ook selectief in de cijfers.’

Wat selectief winkelen betreft is het rapport van Schouten en Nelissen in ieder geval niet geschikt om als wetenschappelijke bron aan te halen stelt Dur. “Als je dat leest kun je in een oogopslag zien dat het niet representatief is. Driekwart van de respondenten is vrouw, het is een selectief uitgestuurde internetenquête, et cetera.” Dat betekent niet dat je er niets mee kunt zegt hij, maar je kunt in principe geen uitspraken over doen over de algemene populatie. Het onderzoek van YouGov is op dat vlak beter uitgevoerd denkt hij. “Het lastige is alleen dat het een commerciële partij is die de data niet wil delen.”

“Kort gezegd dachten wij dat er op het onderzoek wel wat toe te voegen was.” Daarvoor gingen Dur en zijn collega Max van Lent op zoek naar andere datasets en vonden een groot internationaal onderzoek waarin vergelijkbare vragen stonden: het International Social Survey Programme. “Het was een gouden vondst. Er stonden in hun ‘work module’ precies de juiste vragen die we nodig hadden.”

Alsnog bijna een op de tien

Het aandeel werknemers dat hun baan als socially useless zag dat Dur en zijn collega vonden in de internationale dataset was bij lange na niet zo groot als de getallen waar Graeber zich op beroept. Uit de internationale vragenlijst bleek dat slechts 8% van de respondenten aangaf ‘niet bij te dragen’ aan de samenleving met hun baan – 17% kon het niet met zekerheid zeggen.

Dur vindt dit alsnog heftige uitkomsten. “Je hebt het alsnog over een kwart van de beroepsbevolking die niet het gevoel heeft sociaal nuttig werk te doen. Ik vind dat nogal wat.” Afgezet tegen het percentage respondenten dat aangaf dit aspect van hun werk wel belangrijk te vinden – 77% – heeft een dergelijke bevinding wel degelijk betekenis vinden Dur en zijn collega. “En vice versa, dat 23% het niets uitmaakt vind ik net zo goed een hele bijzondere bevinding.”

"Dat een kwart van de werknemers het niet uitmaakt of hun werk iets toevoegt aan de samenleving vind ik net zo goed bijzonder."

Deze uitkomsten hebben dan ook wel degelijk beleidsimplicaties. “Als je als bedrijf er achter komt dat 10 – 20% van je medewerkers het nut van hun werk niet inziet, dan zou je daar toch wat aan moeten doen.” Ook binnen het kader van arbeidsrechtelijke bescherming van medewerkers, bijvoorbeeld bij het aanhouden van werknemers in banen die eigenlijk ‘niet meer nodig zijn’ hebben deze uitkomsten wel degelijk betekenis voor het beleid dat (lokale) overheden, vakbonden en bedrijven overeenkomen.

Enquêtes kunnen natuurlijk altijd beter en uitgebreider, en in dat kader vindt Dur het wel jammer dat sommige aspecten niet aan bod komen. “Wat ik jammer vind is dat we geen verschil kunnen maken tussen nutteloze en schadelijke banen, dat zou nog wel mijn wens zijn.”

Shit jobs, geen bullshit jobs

In de context van bullshit jobs wordt er nog wel eens gesuggereerd dat beroepen als docent of verpleger onder die categorisering moeten vallen. Graeber zelf heeft meermaals expliciet aangegeven dat dit niet het geval is. Het zijn in sommige gevallen dan wel banen voor weinig geld en met veel werkdruk, maar over het algemeen voelen werknemers in de sectoren onderwijs en zorg zich zeer nuttig. Het zijn dan ook eerder ‘shit jobs’ dan ‘bullshit’ jobs.

Ook in de internationale dataset vonden Dur en zijn collega dat werknemers in deze beroepsgroepen uitzonderlijk hoog scoorden in het gevoel van sociaal nuttig te zijn. “Voor die groepen vinden we enorm lage percentages, nagenoeg nul procent van de mensen heeft het gevoel sociaal nutteloos werk te doen.” Dat geeft volgens hem ook tegelijkertijd aan dat de enquêtes wel degelijk iets meten. “Er zijn aanzienlijke verschillen.”

“Wij waren overigens niet zo verrast door die bevindingen. In ons vakgebied komen de publieke sector en de not for profit er altijd vrij goed uit.” Wat wel een verrassende uitkomst was voor Dur is dat ook in het bedrijfsleven veel respondenten aangeven die tak van sport te hebben gekozen om ideologische redenen.

We zijn aan het denken gezet

Kort samengevat is Dur bijzonder kritisch op de methodologie en bewijsvoering die Graeber gebruikt voor zijn Bullshit Jobs – a theory. Hij staat daarin niet alleen, en hoopt dat andere onderzoekers hun best zullen doen om hard te werken aan het uitbreiden van de kennis op dit gebeid.

Op de hamvraag of Graeber het vakgebied en de samenleving een plezier of ongenoegen heeft gedaan is Dur heel helder. “Over het algemeen bezien heeft hij ons een dienst bewezen. Hij heeft veel te grote uitspraken gedaan en zeker als een wetenschapper dat doet vind ik dat behoorlijk ergerlijk. Tegelijkertijd heeft hij mensen – waaronder wij – aan het denken gezet, en dat dit thema op de agenda staat vind ik goed.”

Sicco de Knecht :  Hoofdredacteur

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK