Wat levert investeren in CERN eigenlijk op?
In 2017 waarschuwde NWO dat extra investeringen in grote digitale onderzoeksinfrastructuren nodig zijn. De wetenschap maakt in toenemende mate gebruik van onder meer lichtpaden, supercomputers en datafaciliteiten. Veel van dergelijke grote faciliteiten worden op Europese of zelfs mondiale schaal georganiseerd. Maar wat leveren die investeringen nu precies op?
Druk op digitale infrastructuur neemt toe
Het Rathenau Instituut heeft een rekenmodel ontwikkeld om globaal een inschatting te maken welke ‘return on investment’ er is voor Nederland bij grote internationale onderzoeksinfrastructuren. “In essentie bestaat de gebruikte methode uit het bepalen van het aandeel dat Nederland verkrijgt uit de aanbestedingen, afgezet tegen het aandeel dat Nederland bijdraagt aan de financiering van de betreffende onderzoeksinfrastructuur.”
Vier instituten tegen het licht
Het rekenmodel bestaat uit drie relatief eenvoudige stappen. Allereerst wordt berekend hoeveel Nederland in verhouding tot het totaal aan investeringen bijdraagt aan de betreffende infrastructuur. Vervolgens wordt gekeken naar de aanbestedingen. Grote infrastructuren als CERN en LOFAR organiseren aanbestedingen voor het bedrijfsleven voor de levering van delen van de techniek. Hier wordt gekeken welk aandeel van die aanbestedingen voor rekening van Nederlandse bedrijven komt.
De zogeheten returncoëfficiënt is vervolgens het aandeel dat Nederland verkrijgt uit de aanbesteden afgezet tegen het aandeel dat Nederland bijdraagt aan de financiering van de onderzoeksinfrastructuur. Om te illustreren hoe dat in de praktijk uitwerkt heeft het Rathenau Instituut vier internationale projecten via het rekenmodel tegen het licht gehouden. Naast CERN en LOFAR zijn dat de European Synchotron Radiation Facility (ESFR) en International Thermonuclear Experimental Reactor (ITER) beiden in Frankrijk gevestigd.
Nulmeting voor toekomstig evalueren
Uit de berekeningen van het Rathenau Instituut blijkt dat met ITER en LOFAR een returncoëfficiënt hebben die hoger ligt dan 1. Dat betekent dat het aandeel aanbestedingen dat Nederland ophaalt hoger ligt dan het aandeel van de Nederlandse investeringen in het totaal aan investeringen in de onderzoeksfaciliteit. Bij CERN en ESFR is de returncoëfficiënt beduidend lager.
Daarbij moet aangetekend wordt dat voor LOFAR geldt dat het hier een onderzoeksinfrastructuur betreft met een en nadrukkelijk Nederlandse signatuur. Dat betekent dat het overgrote deel aan investeringen in en aanbestedingen uit het project van Nederlandse komaf is.
Het Rathenau Instituut verbindt dan ook geen conclusies aan de uitkomsten, maar ziet de vier voorbeelden vooral als testcase om de werking van het rekenmodel te laten zien. “We concluderen dat de ontwikkelde methode goed werkt om een kwantitatief inzicht te geven in de directe return on investment voor Nederland, bij vier sterk uiteenlopende grootschalige onderzoeksinfrastructuren.”
De uitkomsten van het onderzoek kunnen daarom volgens het Rathenau Instituut gezien worden als een nulmeting “voor een toekomstige evaluatie van eventuele beleidsmaatregelen die de Nederlandse overheid zou kunnen nemen om de deelname van Nederlandse bedrijven in dit soort aanbestedingen te bevorderen.”
Meest Gelezen
Masterstudenten in het hbo worstelen met academisch schrijven en onderzoek
“Ik zal niet de meest populaire onderwijsminister zijn”
“Langstudeerboete raakt kern van hoger onderwijs”
CvB Erasmus Universiteit weigert tweetalig te vergaderen met medezeggenschap
Taal- en rekentoetsen hebben lerarentekort vergroot maar kwaliteit pabo niet verbeterd