Gezonde koeien als maatschappelijke licentie

Verslag | door Sicco de Knecht & Toske Andreoli
24 juni 2019 | Annet Velthuis is de nieuwe lector Management van Rundergezondheid aan de Aeres Hogeschool. In haar lectorale rede vertelde ze hoe ze de gezondheidsrisico's van melken, weidegang en afkalven onderzoekt én hoe die kunnen worden beperkt. Dat is belangrijk voor de koe, maar ook voor het voortbestaan van de melkveehouderij: "Een gezonde koe is wat de maatschappij van ons vraagt."
Foto: Michiel Verbeek

Tijdens de introductie van haar inaugurele rede wordt direct duidelijk wat lector Annet Velthuis heeft bewogen om zich in de melkveehouderij te specialiseren. Ze vertelt over het boerenbedrijf waar zij opgroeide en als kind meermaals zieke kalfjes probeerde er weer bovenop te helpen. “Ik zat dan met dat kalfje in het stro en dacht: wat kan ik doen om dit dier te helpen?”

Maatschappelijk relevant

Net als andere lectoren aan de Aeres hogeschool is het lectoraat Management van Rundergezondheid sterk verbonden met de agrarische sector. Zo heeft Velthuis een aanstelling bij zowel de diergezondheidsorganisatie GD als bij Aeres. “Ik ben iemand van samenwerken,” zo vertelt ze, en dat wordt beaamd door haar GD-collega Bert de Lange die voorafgaande aan de inaugurele rede het woord tot Velthuis mag richten.

“Wat ik bewonder in Annet is haar vermogen om vanuit de praktijk te denken, en dat altijd vanuit een stevige wetenschappelijke basis. Me dunkt dat dit de beste aanpak is.” En er is volgens De Lange genoeg te doen in het onderzoek in de melkveehouderij, vertelt hij met een verwijzing naar het verleden. “Het was de rundertuberculose waarvoor de GD in 1919 werd opgericht. Dat was een gevaar voor dieren en ook voor mensen. Het is niet bij tbc gebleven, er zijn nog tal van diergezondheidsprogramma’s voor meerdere melkveeziekten bij gekomen.”

Het lectoraat is bovendien zeer relevant omdat de kalversterfte in Nederland hoog is. Eerder dit jaar meldde RTL Nieuws op basis van cijfers van het ministerie van Landbouw dat bij ruim 1200 bedrijven twintig procent van de kalveren binnen veertien dagen na de geboorte sterft.

Studentparticipatie

In het onderzoek binnen Velthuis’ lectoraat zijn het vaak studenten die met een onderzoeksvraag het veld in worden gestuurd. “Als ik eerlijk ben dan doen de studenten het meeste werk.” Het meedoen in het onderzoek is een belangrijk onderdeel van de kennisverspreiding, zo benadrukt Velthuis. “Onlangs nog zag ik hoe dat er in de praktijk uitziet. Een studente die meedeed met een onderzoek naar de hygiëne van melkmachines was diezelfde week op het familiebedrijf. Daar wees ze haar vader, ook melkboer, op het belang om zijn apparatuur goed schoon te maken.”

Want alhoewel er veel wijsheden bestaan in de melkveehouderij is er nog ampel ruimte om deze te stutten of te ontkrachten met onderzoek. “Zo snapt iedereen dat een uierinfectie besmettelijk is, en overgedragen kan worden van koe op koe via de melkmachine. Er is echter maar één onderzoek over te vinden, en dat is uit de jaren zeventig.” Om die lacune in de kennis te dichten liet Velthuis haar studenten de zuignappen van de machines met het heetste water uit de kraan of kokend water schoonmaken en vergeleek de resultaten.

Het zijn dit soort praktische vraagstukken die direct van toepassing kunnen zijn in het boerenbedrijf, vertelt de kersverse lector. Ze wijst erop dat het vaak ingesleten aannames zijn die grote risico’s verhullen. “Zo denken mensen dat een koe in droogstand geen melk meer geeft, maar dat blijkt helemaal niet zo te zijn.”

Toen studenten een aantal reguliere controles uitvoerden in deze periode waar de melkveehouder veelal de dieren met rust laat, bleek dat bij een kwart van de koeien de uiers nog wel degelijk melk lekten. “Dat verklaart wellicht waarom vijftig procent van de uierinfecties alsnog in die droogstand start. De snelheid waarmee de veehouder het melken afbouwt blijkt van grote invloed op het risico. Dit is nou management waarmee je ziekte kunt voorkomen.” Een logische vervolgopdracht voor de studenten kan dus ook zijn om een protocol te schrijven voor deze situatie.

Velthuis’ lectoraat heeft drie onderzoeksdoelen: nagaan hoe de weerstand van runderen kan worden vergroot, de infectiedruk kan worden verlaagd, en hoe een zieke koe het beste kan worden verzorgd. Belangrijk, zegt Velthuis, want “een gezonde koe is wat de maatschappij van ons vraagt. De maatschappij is kritisch, en daarom is gezondheid een soort license to produce.”

Een kritische maatschappij

De kritische maatschappij kwam ook naar voren in het referaat dat op de inaugurele rede volgde. Ditmaal wordt deze verzorgd door Jos Verstraten, melkveehouder uit Brabant en bestuurslid van LTO. Hij geeft in zijn bijdrage een reflectie op de verschillende spanningsvelden waar melkveehouders in zitten. “De missie van LTO is om op te komen voor waardering van het boerenbedrijf, niet alleen wat betreft een eerlijke prijs maar ook voor maatschappelijke waardering voor wat de boer doet.”

“Vroeger was voedsel duur, en had dus ook waarde. Mijn ouders melkten in de jaren zestig nog steeds met de hand, net als de tienduizend jaren daarvoor. Maar nu staat er een melkrobot in de stal van de boer.” De schaalvergroting in de landbouw en veeteelt hebben er volgens hem voor gezorgd dat de boer steeds minder als vakman en diergezondheidsspecialist werd gezien, en steeds meer als industrieel. “Tegelijkertijd zijn er nog maar zo weinig mensen fysiek betrokken bij het boerenbedrijf dat het maatschappelijk inlevingsvermogen vele malen kleiner is dan een halve eeuw geleden.”

Verstraten constateert dan ook dat het in het debat over veehouderij nagenoeg nooit over de gezondheid van dieren gaat, maar veel eerder over dierenwelzijn. “En het dier met de laagste infectiegraad is niet per definitie het dier met het hoogste welzijn.” Hij haalt daarbij het voorbeeld uit Velthuis’ rede naar voren dat de maatschappij graag wil dat koeien zo veel mogelijk in de wei staan, maar dat dit in de zomerhitte een enorm gezondheidsrisico oplevert.

Passie en waardering

Het constante vergrootglas waar het boerenbedrijf onder ligt, tast op termijn ook de eigenwaarde van de boer aan, stelt Verstraten. “Je wordt boer, omdat je het leuk vindt om voor planten of dieren en de omgeving te zorgen. Het doet boeren pijn, en het tast de passie en het plezier in ons werk aan als we te horen krijgen dat we het niet goed doen. Wat vergeten lijkt te worden is dat we als boer een zorgplicht hebben over onze dieren.” Maar, zo stelt hij, een zorgplicht is niet hetzelfde als rechten voor het dier zelf. “Het invoeren van dat recht, zoals sommigen voorstellen, zou het einde zijn van het samenleven van mens en dier.”

"Het is een gegeven dat de integriteit van het dier leidend is. Diergezondheid zal zich daaraan moeten aanpassen."
Jos Verstraten

Toch vindt Verstraten het goed dat “partijen in de samenleving op tijd aan de rem trekken.” Een hyperintensieve en superefficiënte veehouderij zou maatschappelijk draagvlak verliezen. Verstraten erkent dat de betrokken burger altijd het laatste woord heeft en geeft dat mee aan Velthuis.

“Het is een gegeven dat de integriteit van het dier, het dierenwelzijn, leidend is. In de discussie, en dus ook het onderzoek. En dat diergezondheid zich daaraan zal moeten aanpassen. Ik vind het mooi, Annet, dat de context altijd relevant is in jouw onderzoek. Wat betekenen weerstand, infectiedruk en zorg voor zieke koeien, als bijvoorbeeld wordt bepaald dat het kalf bij de koe moet blijven? Of de koe natuurlijk gedekt moet worden? Of haar hoornen behouden moeten blijven?”

In het licht van onder andere de plannen van minister Carola Schouten (LNV) om te komen tot kringlooplandbouw doet Verstraten dan ook een oproep om goed te onderzoeken welke beleidsmaatregelen nu ook werkelijk hun doel raken en wat de gevolgen zijn voor de diergezondheid. “De regels omtrent fosfaat hebben op een aantal terreinen hun doel geraakt, maar het leidt er ook toe dat boeren ophouden met het opfokken van jongvee, en daardoor zijn er weer meer transportbewegingen en veterinaire risico’s.”

“Dit is misschien wel het moeilijkste moment in de geschiedenis van de landbouw en mijn hoop is dat dit lectoraat bijdraagt aan kennisvermeerdering en herstel van de waardering van de melkveehouderij.” In aansluiting daarop complimenteert hij de onderzoeksattitude van Velthuis door twee soorten boeren te schetsen. “De een zegt dat hij het altijd zo gedaan heeft en dus niets wil veranderen, de andere soort boer stelt vragen om zodoende altijd te blijven verbeteren.” Het moge duidelijk zijn tot welke soort Velthuis behoort.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK