Bèta is ook maar gewoon een van de wetenschappen

Opinie | door Arne Smeets
26 juni 2019 | "Als abrupte bezuinigingen elders de prijs zijn die betaald moet worden voor een versterking van de bèta- en technische disciplines, dan passen vele bèta's daar vriendelijk voor." Wiskundige en lid van De Jonge Akademie Arne Smeets vraagt zich af hoe het voornemen van de minister om het advies van de commissie Van Rijn op te volgen ooit zal leiden tot de interdisciplinariteit die zij zegt na te streven.
Het gebouw van de bètafaculteit van de UvA – Foto: William Verbeek (CC BY-NC 2.0)

De mailbox van minister van Engelshoven zit ondertussen helemaal vol met brandbrieven en noodkreten van wetenschappers uit de alfa-, gamma- en medische disciplines, die haar plannen om middelen te verschuiven van hun eigen domeinen naar de bètatechnische sector niet bepaald kunnen smaken. Misschien haalt zij daar wel de schouders bij op en denkt zij stiekem: ‘Ach, wij van WC-eend…’. Mogelijk hoort zij de bèta’s en technici minder, en hoopt zij daar velen wél blij te maken met haar plannen. Welnu, dan heb ik slecht nieuws voor haar.

To bèta, or not to bèta?

Wat is dat nu eigenlijk, een bèta, in tijden waarin de grenzen van de wetenschapsgebieden steeds meer permeabel worden en samenwerking zo vaak de facultaire grenzen overschrijdt? Vraag aan willekeurige wetenschappers van mijn eigen faculteit, de Nijmeegse FNWI, of zij zichzelf bèta voelen, en de kans is groot dat het antwoord een vragende blik zal zijn.

Zelf doe ik nochtans aan monodisciplinaire wetenschap: als zuivere wiskundige zorg ik mee voor die cruciale humuslaag waarop andere disciplines kunnen groeien en bloeien. Maakt dat van mij dan geen bèta van de zuiverste soort? Ik voel me wiskundige, en heb veel gemeen met theoretische fysici en informatici, maar ook met taalwetenschappers en filosofen…

Mijn collega Kim, chemisch biologe, zit op dezelfde verdieping; zij werkt onder andere met onderzoekers van het RadboudUMC aan de ontwikkeling van nieuwe medicijnen. Een verdieping lager vinden we Lotte: zij bestudeert de landing van technologische revoluties in de maatschappij, en maakt daarbij ook gebruik van inzichten uit de sociologie en politieke filosofie. Op diezelfde verdieping werkt Heleen, scheikundige, ondertussen ook klimaat- en energiespecialiste: haar werk is multidisciplinair en bouwt op zowel de technische als de gamma-disciplines. Francesco ten slotte zit dan weer op het gelijkvloers, en werkt aan ons begrip van het menselijke brein; hij is verbonden aan het Donders-instituut, een multidisciplinair centrum dat psychologen, medici, taalkundigen, informatici, etcetera verenigt.

Zijn Kim, Lotte, Heleen en Francesco dan bèta’s? Zij hadden in elk geval even goed aan een andere faculteit kunnen werken, en in sommige gevallen ook aan een technische universiteit. We delen eigenlijk maar één ding: we zijn allen wetenschapper, en laten ons verder niet zomaar in hokjes duwen.

Dat geldt overigens óók voor collegae aan de technische universiteiten. Ik denk aan Behnam uit Delft, die zich buigt over ethische aspecten van het energievraagstuk, of aan Daniël uit Eindhoven, oorspronkelijk psycholoog, die zich met zijn statistische knowhow buigt over de interactie tussen mens en technologie. Het is voor de academicus op de werkvloer totaal onduidelijk waar ‘bèta en techniek’ precies ophoudt en waar ‘de rest’ begint. De minister denkt daar klaarblijkelijk anders over, en wil mensen blijkbaar heel graag in hokjes stoppen.

Boze bèta’s

Natuurlijk zijn veel wetenschappers in de brede bètatechnische sector het wel eens met de analyse dat de financiering van ‘hun’ disciplines is achtergebleven. De KNAW schreef ook al dat het relatieve aandeel van die sector in Nederland significant kleiner is dan in zowat alle kennislanden waarmee wij onszelf willen vergelijken, en de afgelopen 15 jaar gekrompen is. De druk op onderzoek én onderwijs is groot: de STEM-acties hebben succes gehad (mooi zo!) en de studentenaantallen zijn sterk gegroeid. Maar de staf en omkadering zijn niet gevolgd.

"Het klopt dat de druk in de bètawetenschappen hoog is, maar die druk is elders niet minder!"

Maar de druk is elders niet minder. Binnen de alfa- en gammadisciplines worden studenten sowieso minder bekostigd. Het onderzoek in de andere domeinen is internationaal leidend; die positie consolideren met wat de minister zélf de investeringen van een middenmoter noemt, is al lastig genoeg, en vergt erg veel van de academici die dat elke dag opnieuw waar moeten maken – laat staan dat dat realistisch blijft wanneer er fors bezuinigd wordt.

Als abrupte bezuinigingen elders de prijs zijn die betaald moet worden voor een versterking van de bèta- en technische disciplines, dan passen velen daar vriendelijk voor. Daarom hebben ondertussen 300 prominente figuren uit de bèta en techniek, óók uit Delft, Eindhoven, Twente en Wageningen, een verklaring ondertekend die geschreven werd door 12 bèta’s uit De Jonge Akademie.

Spinoza-winnaars, KNAW-leden, bèta-bestuurders, ‘bekende bèta’s’: ze staan allen op het lijstje. Zij weten namelijk als geen ander dat voor de opbouw en het onderhoud van een complex kennislandschap tijd, geld en vooral veel stabiliteit en stuurmanskunst nodig zijn. De afbraak daarentegen kan razendsnel gaan, en die willen zij niet op hun geweten hebben; zij beseffen dat óók hun eigen disciplines daardoor verzwakt zouden worden.

Het einde van de interdisciplinaire droom?

Een half jaar geleden schreef de minister nog in de Wetenschapsbrief:

“Door de sterkten van de alfa-, bèta-, gamma- en medische disciplines te gebruiken om verbindingen te leggen, kunnen wetenschappelijke vraagstukken over de grenzen van wetenschapsdisciplines heen gezamenlijk aangepakt worden.”

De verschuiving van middelen die zij voorstelt dreigt niet alleen deze sterkten te ondergraven, ze maakt ook de zoektocht naar verbinding veel moeilijker. Aan mijn eigen ‘brede’ universiteit wordt interdisciplinair onderzoek actief gestimuleerd, onder andere via bijkomende centrale middelen die daarvoor worden gereserveerd, en via interfacultaire instituten. Dat doet de minister zelf ook, bijvoorbeeld via de Nationale Wetenschapsagenda.

Het is onduidelijk hoe een brede universiteit, dé biotoop bij uitstek voor dat type onderzoek, een vruchtbare bodem kan blijven voor die interdisciplinaire samenwerking indien de minister van faculteiten tegenstrevers maakt. Natuurlijk hebben de bestuurders van die universiteiten een brede blik op de wetenschap en weten zij heel goed dat solidariteit en stabiliteit belangrijk zijn, maar de bèta-decanen staan voor een keuze tussen pest en cholera. Moeten zij de groei opeisen, om gelijke tred te kunnen houden met de ‘concurrentie’ binnen de sector? Dan gaat dat ten koste van de andere faculteiten, en van het kostbare lokale kennisweefsel waar hun bèta-wetenschappers zelf zoveel baat bij hebben. Of dragen ze mee de bezuinigingen? In dat geval riskeren zij met hun eigen faculteiten terrein te verliezen, bijvoorbeeld omdat hun wetenschappers elders aantrekkelijkere opties zien, aan bèta-faculteiten die wél fors groeien. Elk van deze opties is pijnlijk voor alle partijen, en schaadt de algemene wetenschappelijke samenwerking. Dat is in tegenspraak met de ambities die de minister heeft uitgesproken.

Beleidsaanbeveling

Er is zonder twijfel nood aan duurzame, doordachte groei van het onderwijs en onderzoek in de bèta en techniek, maar de sectorplannen voor het onderzoek en de recente extra middelen voor het onderwijs die de minister heeft vrijgemaakt zorgen er samen voor dat gezonde groei de komende jaren al mogelijk wordt, en bieden reeds heel wat perspectief op de korte termijn – ook zonder verdere abrupte verschuivingen die disciplines tegen elkaar uitspelen.

"Laten we eerst onderzoek naar de toereikendheid van het macrobudget doen, en nu niet overhaast aan de knoppen zitten draaien."

De commissie van Rijn adviseert om het bekostigingssysteem te herijken en de toereikendheid van het macrobudget te beoordelen; dat zal binnen enkele jaren al tot nieuwe herverkaveling leiden. Laten we dat dan éérst doen en daar de tijd voor nemen, zonder nu overhaast aan de knoppen te zitten draaien. Anders riskeren we nodeloos schade te berokkenen aan het Nederlandse kennislandschap, die pas op lange termijn en met erg veel moeite weer hersteld kan worden. Daarbij zou de hele wetenschap verliezen, inclusief bèta en techniek.

Arne Smeets :  Universitair Docent

Arne Smeets (1986) is als universitair docent verbonden aan de afdeling Wiskunde van de Radboud Universiteit, en werkte eerder in Leuven, Parijs en Londen. Hij is sinds kort lid van de Jonge Akademie (KNAW).


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK