Initiatieven zijn er genoeg, maar wie zet de Lerarenimpuls door?

Wat is er gebeurd met de Lerarenimpuls?

Analyse | door Floris van Berckel Smit & Tim Cardol
12 juni 2019 | Het vorige kabinet Rutte besloot in de periode 2013-2016 eenmalig €100 miljoen uit te trekken voor de uitbreiding en verbetering van het lerarencorps. Wat deze ‘impuls leraren tekortvakken’ heeft opgeleverd is allesbehalve duidelijk.
Foto: John Phelan

Wie al wat langer in het onderwijs werkt kan het gevoel bekruipen dat er altijd een lerarentekort is geweest en er altijd zal blijven. Toch is er niet altijd een tekort aan onderwijzend personeel geweest – zorgen om een tekort in de toekomst dan weer wel. Ook de laatste jaren schetsen de prognoses een somber beeld. Naar verwachting zal er in 2025 een tekort van 905 fte zijn in het voortgezet onderwijs en een tekort van maar liefst 7200 fte in het basisonderwijs.

Monitor impuls leraren tekortvakken

Ook in 2013 werd geconstateerd dat de lerarentekorten in het po, vo en mbo aan het oplopen zijn. Daarom werd er door OCW destijds eenmalig €100 miljoen extra uitgetrokken voor een ‘impuls leraren tekortvakken’. “Wij willen het beste onderwijs voor onze leerlingen. Juist daarom zetten we in op hoger en beter opgeleide leraren. Met deze incidentele middelen willen we maximaal structureel effect en de best mogelijke resultaten behalen,” schreven minister Bussemaker en staatssecretaris Sander Dekker in 2013 aan de Kamer toen zij hun plannen voor de impuls toelichten.

De bewindvoerders op OCW spraken destijds het vertrouwen uit dat de eenmalige extra investering van €100 miljoen een bijdrage zou kunnen leveren aan het terugdringen van het tekort, maar waren voorzichtig over de uiteindelijke impact. “We kunnen hiermee niet garanderen dat het verwachte kwantitatieve lerarentekort in het voortgezet onderwijs volledig zal zijn opgelost. Er gelden namelijk meer economische factoren en er bestaan regionale verschillen in tekorten en verschillen per vak.”

“Wij vertrouwen er echter op dat onze maatregelen een flinke bijdrage leveren aan de aanpak van het kwantitatieve en kwalitatieve lerarentekort.” Maar hoe flink is die bijdrage precies gebleken? Het is inmiddels drie jaar geleden dat het geld van de Lerarenimpuls zijn weg vond naar het onderwijs. Het is daarom interessant eens te kijken wat er met dat geld is gebeurd en welk effect dat heeft gesorteerd.

De verschillende doelen van de Lerarenimpuls

De doelstellingen uit de Lerarenimpuls hebben niet alleen betrekking op het tegengaan van de docenttekorten. Ook de groei van het aantal bèta-opgeleiden heeft in de plannen van Bussemaker en Dekker een plek gekregen.
De Lerarenimpuls formuleert in antwoord op deze vragen een veelvoud aan programma’s. Ten eerste kan simpelweg de aanwas worden vergroot door nieuwe mensen te trekken. Daar komt bij dat docenten met een bevoegdheid die niet voor de klas staan kunnen worden geënthousiasmeerd om weer aan de slag te gaan. Ten derde liggen er kansen bij docenten die deeltijd werken. Meer docenten voltijds laten werken zou de omvang van het aantal fte’s logischerwijs doen toenemen.

Het uitgezette doel in de Lerarenimpuls was daarom dan ook drieledig: allereerst moest er in een vroeger stadium bètatalent worden herkend, liefst al op de basisschool. Er moesten meer studenten worden opgeleid in universitaire lerarenopleiding die uiteindelijk voor de klas zouden komen te staan. Ten slotte moest er gezorgd worden voor het behoud van de reeds gestarte en ervaren leraren. 

Meten is weten?

Om te bepalen of de vanuit de Lerarenimpuls gestarte initiatieven ook daadwerkelijk effectief zijn, voerde het CPB begin dit jaar een monitorstudie uit op initiatief van OCW. De monitor heeft de verschillende studies die er zijn gedaan naar de verschillende projecten in het kader van de Lerarenimpuls bij elkaar gebracht en getracht te kijken of er daaruit een overkoepelend beeld ontstaat over de resultaten van de impuls.

Opmerkelijk is dat de auteurs van de monitor zelf een belangrijk voorbehoud noemen, namelijk dat “het type onderzoek dat gebruikt is voor de evaluatie van deelmaatregelen zich in veel gevallen niet [leent] om uitspraken te kunnen doen over het causale effect van de maatregel uit de impuls op de kwaliteit of kwantiteit van het lerarencorps.” Het is derhalve lastig een goed beeld te schetsen van de opbrengsten van de Lerarenimpuls.

Wel geeft de monitor van het CPB een eerste indruk van de uitwerking van de programma’s die onder de Lerarenimpuls vallen zoals Eerst de Klas, het Onderwijstraineeship en het project hybride docentschap. Alle drie de projecten richten zich op de aanpak van de lerarentekorten met name in het bètatechnisch domein.

Belangrijk om in ogenschouw te nemen, is dat veel van de evaluaties hebben onderzocht hoe de programma’s werden ervaren door de deelnemende (potentiele) docenten. Daarmee wordt dus aangetoond hoe aantrekkelijk de programma’s zijn, onder andere voor deelnemende docenten, maar ook voor bedrijven en scholen. Maar intussen blijft onduidelijk of de programma’s direct hebben geresulteerd in een toename van het lerarencorpus.

Al vroeg op zoek naar bètatalent

Met het aanbieden van verschillende (onderwijs)programma’s is de afgelopen jaren doelgericht gepoogd meer docenten aan te trekken voor de bètavakken. Onderzoek uit 2017 laat zien dat pabo’s er inmiddels beter in slagen om Wetenschap & Techniek te integreren in het curriculum. Ook wordt een inhaalslag gemaakt om ook de bestaande docenten om te scholen op het gebied van W&T.

Anna Hotze is lector Wetenschap & Techiekonderwijs op Hogeschool iPabo. Haar lectoraat is in zekere zin een voortvloeisel van de subsidiegelden om wetenschap en techniekonderwijs op de pabo’s te versterken. Op iPabo heeft de impuls onder meer geresulteerd in een minor W&T en is het uitstroomprofiel Onderzoekend leren bij W&T en rekenen-wiskunde (als een van de drie uitstroomprofielen) prominent in het programma opgenomen.

De impuls heeft dus wel degelijk invloed gehad op dit vlak, maar Hotze ziet ook dat het soms moeilijk is dergelijke inspanningen te continueren. “Pabo’s staan niet stil. We zitten nu in een curriculumvernieuwing en ik merk dat zaken die je hard bevochten hebt wel onder druk komen te staan.Bij de iPabo is dat niettemin gelukt: het lectoraat is actief en ook het uitstroomprofiel wordt voortgezet, maar het geeft wel aan in welk krachtenveld geopereerd wordt. “Er zijn zoveel impulsen en het risico is dat je steeds weer met een andere wind gaat meewaaien in het onderwijs.

Hotze ziet wel dat aandacht voor wetenschap- en techniek in het basisonderwijs op verschillende plekken groeit. “Al hangt het wel vaak af van het schoolbestuur. Je ziet schoolbesturen die het echt omarmen, waar van alles wordt georganiseerd, van ICT-lessen tot grote techniekprojecten. Maar op andere plekken blijft het meer beperkt. Ik denk ook dat het staat of valt met de leerkracht. Die moet toch echt zelf ook affiniteit hebben met het onderwerp.”

Er is dus wel degelijk het een en ander in gang gezet door de extra investeringen van Bussemaker en Dekker. De eenmaligheid van de impuls is wel reden voor extra oplettendheid: nieuwe initiatieven zijn er genoeg in het onderwijs, maar het continueren van reeds bestaande inspanningen is een stuk moeilijker.

Universitaire lerarenopleidingen

De tweede pijler van de Lerarenimpuls had betrekking op het terugdringen van het lerarentekort. Het grootste deel van de docenten heeft een vooropleiding in het hbo gehad, maar ook vanuit de universiteiten stromen docenten in. Dat laatste mag nog wel een stapje extra, zo stelde OCW in 2013. Er werd daarom ingezet op een uitbreiding van het aantal eerstegraads universitair opgeleide leraren. Hoe is het daarmee gegaan?

“Het is jammer dat we hier niet meer hebben kunnen doen,” zei Karl Dittrich in 2017 bij zijn afscheid als VSNU-voorzitter over de universitaire inspanningen om een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het lerarentekort. “Ik geloof dat het eigenlijk het meest complexe bestuurlijke veld is waarin ik in al mijn jaren als bestuurder terecht ben gekomen.”

Dittrich doelde daarbij op het opleiden van leraren en wie in het stelsel van hoger onderwijs daar de verantwoordelijk voor draagt. In de Lerarenimpuls werd nadrukkelijk gekeken naar welke rol universiteiten hier kunnen spelen. Zo werden programma’s als Eerst de Klas (EDK) en het Onderwijstraineeship (OTS) geïntroduceerd om universitaire studenten een andere – aantrekkelijkere – route naar het leraarschap in het voortgezet onderwijs te bieden.

De doelstelling van beide programma’s was om het aantal opgeleiden via de universitaire eerstegraads lerarenopleiding te verdubbelen van ongeveer 850 in 2012 naar 1600 in 2017, zo valt te lezen in de monitor. Hoewel de ervaringen van deelnemers aan beide programma’s positief zijn, hebben EDK en OTS kwantitatief de vooraf geformuleerde ambities niet waargemaakt. Uiteindelijk zijn via de programma’s in de periode 2013 tot en met 2016 in totaal 324 nieuwe leraren opgeleid, waarvan 165 lesgeven in een bètatechniek tekortvak.

Beatrice Boots van het voormalige Platform Bèta Techniek constateert dat de ambities voor EDK destijds erg ambitieus waren. “Ja die waren nogal onrealistisch, maar daar moet wel bij gezegd worden dat er echt genoeg aanmeldingen kwamen, we hebben wel eens 600 aanmeldingen voor één jaar gehad.”

Het voornaamste probleem voor het programma was dat zich voornamelijk mensen aanmeldden die een vooropleiding hadden die niet aansloot op de gevraagde tekortvakken. “We moesten ook studenten kunstmatige intelligentie en bouwkunde afwijzen, omdat het niet genoeg aansloot om op te leiden tot bijvoorbeeld leraar natuurkunde. Studies aan de universiteiten en hogescholen worden steeds breder en meer divers, maar schoolvakken zijn nog steeds hetzelfde. Het systeem kraakt wat dat betreft op deze manier.”

En dat is jammer, vindt Boots, want er is genoeg animo. “Uit onderzoek blijkt dat 40% van de beroepsbevolking potentieel interesse heeft om in deeltijd voor de klas te staan, maar de meeste mensen komt gewoon niet voor een schoolvak in aanmerking op deze manier.”

Hybride docent 

De oplossing voor het tekort aan leraren werd niet alleen gezocht in universitaire programma’s. Een ander aandachtsgebied van de Lerarenimpuls was het verleiden van werknemers tot zijinstroom in het onderwijs. Zo werd in 2015 door Platform Bèta Techniek (PBT) gestart met het project Hybride Docent, dat als doel heeft om het leraarschap te combineren met een andere loopbaan.

Op zoek naar de stille reserves

Het project Hybride Docent is niet onomstreden. Nadat PBT onderzoek had laten doen naar de mogelijkheden en kansen om circulaire carrières tussen bedrijfsleven en het leraarschap mogelijk te maken, toonde OCW zich enthousiast. In de Tweede Kamer klonken echter zorgen over de kans dat onbevoegden door de plannen voor de klas zouden komen te staan. Dat werd overigens versterkt door het feit dat ook onbekostigde opleiders nieuwe trajecten naar het docentschap wilden gaan aanbieden.

Op dit moment registreren zich maandelijks nog altijd ruim 100 mensen voor de webapp – een tool om te kijken of een carrière als hybride docent bij iemand past – van Expertisecentrum Hybride Docent. Zij hebben interesse in leraarschap als hybride docent en vormen een interessante pool om via maatwerk op te leiden.

Blik op de toekomst

Hoewel de lerarentekorten geenszins zijn opgelost in de afgelopen jaren, laat de monitor Lerarenimpuls wel zien dat de programma’s een rol spelen. Betrokken partijen geven aan tevreden te zijn over de programma’s. De ervaringen mogen dan positief zijn, de realiteit blijft dat onduidelijk is of de programma’s ook effectief zijn. Anders geformuleerd: of ze daadwerkelijk een groei van de omvang van het lerarencorpus realiseren.

Toch is de monitor van het CPB een essentiële stap. Het onderzoek laat zien dat simpele oplossingen niet bestaan. Tegelijkertijd legt het een aantal belangrijke uitdagingen bloot. De vraag naar leraren verschilt sterk per regio, terwijl de werving op landelijk niveau is georganiseerd. Dat vraagt om een andere aanpak. Ook toont de studie dat een op de vijf hoger opgeleiden best les zou willen geven, mits het gecombineerd kan worden met een andere baan. Zo bezien levert de monitor wel degelijk een relevante bijdrage aan de aanpak van het lerarentekort.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK