We hebben helemaal niet meer (student)promovendi nodig

Opinie | door Anne de Vries & Reinder Broekstra
19 juni 2019 | Vorige week dienden CDA, VVD, SGP en PVV een motie in waarin wordt aangedrongen op een extra ronde van het experiment met promotiestudenten. Met steun van FvD, Denk en 50Plus, werd de motie aangenomen. Het is het zoveelste hoofdstuk in een inmiddels langslepende discussie die helaas gevoerd wordt op basis van onvolledige en soms zelfs onjuiste informatie. Tijd om wat feiten op een rij te zetten.

In het Experiment Promotieonderwijs worden promovendi aangesteld als student met een beurs en dus niet als werknemer (zoals in Nederland gebruikelijk is). Het experiment vindt met 850 promotiestudenten hoofdzakelijk plaats aan de Rijksuniversiteit Groningen (RUG). De promotiestudenten verdienen bezien over het hele traject netto ruim € 20.000 minder dan werknemer-promovendi, bouwen geen pensioen op en hebben geen cao-rechten. Zij hebben een zogeheten “fictief dienstverband” wat er kortgezegd op neer komt dat er volgens de belastingdienst wel loonbelasting verschuldigd is en dat de promotiestudenten recht hebben op WW.

Experiment in zwaar weer

Al bij de start stuitte het experiment op kritiek, door onszelf, maar ook door organisaties zoals de Jonge Akademie, vakbonden en studentenorganisaties als het ISO en LSVB. Inmiddels zijn daar bezwaren vanuit promotiestudenten bijgekomen. Zij voelen zich tweederangs-promovendi en menen dat de beloofde voordelen van het experiment, zoals meer vrijheid, uitblijven. De RUG noemt het experiment daarentegen een groot succes en doet de klachten van de promotiestudenten af als ‘fake news’.

PNN betoogde eerder dat de berichtgeving vanuit de RUG een eenzijdig goednieuwsshow is. Er zijn aanhoudende signalen dat de universiteit het niet zo nauw neemt met de objectiviteit van het experiment. Bij de tussenevaluatie werden medewerkers en studenten voorafgaand aan interviews aangespoord bij te dragen aan een positieve evaluatie, om zo de minister te overtuigen het experiment met nog een ronde uit te breiden.

Deze week kwam naar buiten dat nadelige enquêteresultaten weggehouden zijn uit de jaarlijkse zelfevaluatie die de universiteit moet uitvoeren. Uit de achtergehouden informatie bleek dat begeleiders promotiestudenten niet meer vrijheid geven in hun onderzoek, terwijl dit wel één van de belangrijkste voordelen zou zijn. Relevante informatie, want zoals arbeidsjuristen en ook minister Bussemaker aangaven: als er in de praktijk te weinig verschillen zijn met promovendi-werknemers, kunnen promotiestudenten een arbeidscontract eisen. Inmiddels hebben volgens de RUG 57 promotiestudenten zo’n eis ingediend.

We hebben niet meer promovendi nodig

De RUG wil ondanks de aanhoudende kritiek 800 extra promotiestudenten aanstellen. In reactie op een reeks Kamervragen heeft Minister van Engelshoven drie keer laten weten dat die uitbreiding er wat haar betreft niet in zit. Niet verassend, want haar voorganger Jet Bussemaker gaf al aan dat een tweede ronde bedoeld is voor universiteiten voor wie de eerste aanvraagronde te snel kwam.

Verder schrijft de wet voor dat het merendeel van de promotiestudenten uiterlijk in 2018 moet beginnen Artikel 8 lid 2 van het Besluit Experiment Promotieonderwijs. . Een tweede ronde zo dicht op de eindevaluatie, die volgens de wet plaats moet vinden in 2021, kan niet tot zinnige resultaten leiden. Toch willen CDA, VVD, PVV en SGP (met steun van FvD, Denk en 50plus) een nieuwe lichting promotiestudenten. Het idee is dat Nederland anders binnenkort te weinig gepromoveerden heeft.

Dat strookt alleen niet met de feiten.

Zowel het experiment als de motie zijn gebaseerd op het idee dat er in Nederland een tekort aan gepromoveerden is. Ook de VSNU meldt op haar website dat Nederland “in vergelijking met andere landen niet veel gepromoveerden als percentage van de beroepsbevolking” heeft. Vooral in vergelijking met de Scandinavische landen doen we het slecht en: “Deze achterstand wordt alleen maar groter.”

Een verontrustend beeld in een systeem waar kwantiteit (te) vaak gezien wordt als een teken van kwaliteit. Wat daar ook van zij: het beeld blijkt onjuist. Nederland staat al sinds 2011 steevast in de top 5 van EU landen met de meeste gepromoveerden onder 25-34 jarigen. Het aantal gepromoveerden op de totale populatie geeft geen actueel beeld omdat daarin verdisconteerd zit dat Nederland in de jaren ’80 en ’90 aanzienlijk minder gepromoveerden afleverde dan nu. De waarschuwing dat de achterstand alleen maar groter wordt, strookt niet met het feit dat sinds het jaar 2000 het aantal gepromoveerden verdubbeld is.

Overigens wordt door partijen ook zonder onderbouwing aangenomen dat een hoog aantal gepromoveerden zijn oorsprong vindt in een systeem met promotiestudenten. In de Scandinavische landen Zo zijn in Denemarken (een ander land dat ieder jaar in de genoemde EU top 5 staat) promovendi universitaire werknemers: de promotiestudent bestaat daar niet. In Zweden was al langere tijd het merendeel van de promovendi als werknemer aangesteld en is dit recent bij wet verplicht gesteld. Ook in Noorwegen zijn promovendi normaal gesproken aangesteld als werknemer en zijn er maar zeer beperkt beurzen beschikbaar voor internationale promovendi. , die vaak dienen als referentiegroep vanwege het hoge aantal gepromoveerden, wordt echter net als in Nederland vooral gewerkt met werknemer-promovendi.

De doelen van het experiment zijn niet te meten

Het idee dat een nieuwe ronde nodig is, om meer gepromoveerden af te leveren, is dus onjuist. Maar zouden we wellicht toch wat kunnen leren van een tweede ronde? Laten we eens naar de drie doelen van het experiment kijken. Het experiment moet uitwijzen of in een systeem met promotiestudenten: 1) het aantal gepromoveerden aan universiteiten wordt vergroot, 2) de mogelijkheid voor promovendi om eigen onderzoeksvoorstellen in te dienen toeneemt en 3) of de positie van gepromoveerden op de arbeidsmarkt wordt verbeterd.

Het probleem is dat twee van deze drie doelen niet te meten zijn. Dat is deels ingebakken in het experiment: de eindevaluatie moet plaatsvinden in 2021 en dan valt er nog maar weinig te zeggen over de aansluiting op de arbeidsmarkt. De meeste promotiestudenten zijn begonnen in 2017 en 2018. Promovendi doen gemiddeld ruim vijf jaar over hun proefschrift. Oftewel: veel promotiestudenten zijn in 2021 nog helemaal niet klaar. Bij een tweede ronde valt er op dit punt al helemaal niets te zeggen.

Ook de grotere vrijheid bij het indienen van een eigen onderzoeksvoorstel valt niet goed te meten. Aan de RUG zijn alle promovendi-werknemers uit de eerste geldstroom vervangen door promotiestudenten. Deze promotiestudenten worden nu vergeleken met werknemer-promovendi op tweede of derde geldstroom projecten. Een promovendus die meedraait in een extern gefinancierd project van een senior onderzoeker heeft allicht minder vrijheid bij de onderwerpskeuze. Dat staat echter los van diens status als werknemer dan wel student. Overigens geven begeleiders zoals gezegd aan niet meer vrijheid toe te kennen aan promotiestudenten.

Dan is er nog de vraag of er extra promotieplekken worden gecreëerd. Daar is een tweede ronde niet voor nodig: dat kun je berekenen. De extra plekken aan de RUG worden voor een groot deel gecreëerd doordat er jaarlijks ruim € 10 miljoen extra wordt geïnvesteerd. Extra investeringen zijn buiten het experiment ook mogelijk: daar kun je dan extra werknemer-promovendi voor aannemen. De RUG geeft aan dat een promotiestudent zo’n 40% goedkoper is. Bij narekening Sinds september 2018 ontvangen promotiestudenten aan de RUG een beurs van bruto €2120 per maand: €101.760 over vier jaar. Tel daar nog vijf maanden WW bij op, want promovendi werken vaak door in de WW, en het totaal komt uit op € 108.826. De kosten voor een werknemer-promovendus zijn (bruto) volgens de huidige salarisschaal, inclusief vakantiegeld en eindejaarstoeslag, over vier jaar € 149.995. Tel je daar vijf maanden WW bij op en de transitievergoeding (die krijgen promotiestudenten niet) dan kom je op een totaal van € 165.589. Aan de RUG valt het verschil waarschijnlijk nog lager uit, omdat sommige promotiestudenten een compensatie hebben ontvangen voor de gemiste inkomsten of – in vergelijking met werknemer-promovendi – een jaar langer de tijd krijgen. blijkt het verschil 34%.

Hierbij wordt echter steevast één belangrijk gegeven over het hoofd gezien: werknemer-promovendi die – zoals de promotiestudenten aan de RUG – uit de eerste geldstroom worden betaald, verzorgen normaal gesproken onderwijs. Zo’n dag per week Aan de RUG kan dit zelfs oplopen tot een kwart van de werkweek, wat overigens in de ogen van PNN een te zware onderwijslast is bij een promotietraject van vier jaar. , is onze ervaring.

Stel dat je voor iedere vijf werknemer-promovendi één junior docent minder hoeft aan te nemen, dan is een promotiestudent opeens nog maar 15% goedkoper Een junior docent, startend in trede 0 van schaal 10 (met jaarlijks een trede stijging) kost over vier jaar conform de huidige salarisschaal: €158.316. Junior docenten krijgen eigenlijk nooit een vaste aanstelling, dus daar tellen we nog een transitievergoeding van €4.383 bij op. Per promovendiwerknemer bespaar je dan 1/5e van dit bedrag, oftewel €32.539. .

Tijd om de stekker eruit te trekken

Tja, hoe moeten we dit nu samenvatten? Het experiment poogt een probleem op te lossen (te weinig gepromoveerden) dat er niet is. De drie doelen van het experiment zijn niet te meten of worden door de universiteit geëvalueerd op basis van zeer losse en onvolledige berekeningen. De RUG manipuleert de evaluaties van het experiment met als doel nog meer promotiestudenten aan te mogen stellen.

Al met al voldoende reden om de stekker eruit te trekken, zou je denken, maar de Tweede Kamer vraagt om uitbreiding. Terwijl een tweede ronde eigenlijk bedoeld was voor universiteiten die niet eerder meededen, de resultaten van een tweede ronde niet meer fatsoenlijk kunnen worden meegenomen in de eindevaluatie van 2021 en een scala aan problemen inmiddels meermaals de media heeft bereikt. En dan laten we de slechtere voorwaarden (‘lagere inkomsten, geen pensioenopbouw, geen cao-rechten) nog buiten beschouwing.

Het is te hopen dat de minister voet bij stuk houdt.

Anne de Vries :  Voorzitter PNN

Het Promovendi Netwerk Nederland (PNN) is de landelijke belangenorganisatie voor en door promovendi. Als zodanig komt PNN in een groot aantal dossiers op voor promovendi.

Reinder Broekstra :  Vicevoorzitter Promovendi Netwerk Nederland

Vicevoorzitter van het Promovendi Netwerk Nederland en promovendus aan het UMCG van de Rijksuniversiteit Groningen.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK