“NVAO-standaarden zijn nog geen garantie voor goed onderwijs”

Het jaar van Ellen Klatter

Interview | door Toske Andreoli
31 juli 2019 | Aan het begin van dit studiejaar tipten wij lector Ellen Klatter (Hogeschool Rotterdam) als iemand om in de gaten te houden. Als voorzitter van de commissie die onderzoek deed naar de relatie tussen studiesucces en bsa waren dit voorjaar dan ook alle ogen op haar gericht. We blikken met haar terug op het afgelopen jaar, waarin haar onderzoek werd gelanceerd op een nationaal toneel.
Ellen Klatter – Foto: ScienceGuide

We spreken Klatter op de Onderwijs Research Dagen, waar ze is uitgenodigd om een keynote te geven over het adviesrapport Grip op Studiesucces. Ze laat een bericht op haar telefoon zien: een collega stuurt in de groepsapp een Kamerbrief van de minister door: “ons onderzoek wordt genoemd!”

Er was reikhalzend naar uitgekeken: het rapport van de commissie Studiesucces. In opdracht van het College van Bestuur en de Centrale Medezeggenschapsraad onderzocht de commissie de houdbaarheid van het bindend studieadvies en adviseerde daarover. Dat het onderwerp ook buiten Hogeschool Rotterdam een heet hangijzer is, bleek op de eerste dag van het collegejaar. Minister Van Engelshoven haalde zich toen lof en woede op de hals door aan te kondigen dat zij het bsa wilde beperken.

Wat weten we nu echt over het bindend studieadvies?

Op donderdag 7 maart verscheen het rapport. “Het was een heel mooie dag. Tweehonderd mensen hadden zich aangemeld, waaronder medewerkers van het ministerie van OCW. Het rapport werd zó goed ontvangen, ik had het niet durven hopen. Maar één fout maak ik nooit meer: ik had meteen daarna twee weken vakantie opgenomen, terwijl ik zo vaak werd aangesproken na afloop.”

Opvattingen beginnen te schuiven

Het rapport heeft van Klatter een bekende naam gemaakt. Ze heeft het rapport aan de minister mogen overhandigen en via de Vereniging Hogescholen is het inmiddels over alle hogescholen verspreid. “Ik merk nu nog regelmatig dat mijn naam wordt herkend. Laatst bij een bespreking zei iemand tegen me: jij bent echt wel booming hè? Ze zag overal mijn naam. Dat verbaasde me wel, want zelf merk je dat niet zo.”

De conclusie van de commissie was, kort gezegd, dat een bsa-norm van 60 EC Een studiejaar in hbo en wo bevat 60 EC, 1 European Credit staat gelijk aan ± 28 uur onderwijs. bevorderlijk is voor het studiesucces, zolang de onderwijskwaliteit in orde is. “Het is niet zo dat ik erg voor het bsa ben, maar het is wel een heel goed middel om mensen te activeren. Je houdt ze een worst voor de neus, je verleidt opleidingen en docenten door te zeggen: je krijgt studenten die 60 EC halen, maar het vraagt wel wat van je onderwijs. Alleen als het onderwijs verbetert kan het bsa omhoog.”

Bindend studieadvies kan alleen een sluitstuk zijn van een integrale onderwijsaanpak

Het plan dat de minister in september had – een maximale bsa-norm van 40 EC – vindt Klatter niets. Ze wijst erop dat een te lage drempel het effect kan hebben dat studenten stoppen met werken als die norm is behaald. “Je organiseert achterstand, want de student sleept die twintig studiepunten met zich mee naar het volgende jaar.”

“Bij ons is deze discussie ook gevoerd, sommigen vonden dat we ons programma aan moesten passen: vijf jaar studeren in plaats van vier jaar om de studenten meer rust te bieden. Maar wiens probleem los je daarmee op?” Het gaat Klatter er boven alles om dat er meer aandacht komt voor het studieprogramma. “Je doet niets aan de kwaliteit van onderwijs, docenten gaan op dezelfde voet verder. Terwijl studenten een extra jaar woningkosten en collegegeld moeten betalen. Als wij studenten echt meer tijd willen bieden, moeten we dat als maatschappij ook betalen.”

Het bsa is op zichzelf al omstreden, en de maximale norm van 60 EC helemaal. Naast het enthousiasme waren er dan ook kritische reacties. “Er waren tijdens de presentatie mensen aanwezig die sterk anti-bsa waren. Twee van hen – opleidingsdirecteuren – hebben naar aanleiding van het rapport toch besloten om de norm aan hun opleiding te verhogen, tot 60 EC. Het maakt blijkbaar toch wel iets los. Mensen gaan schuiven in hun opvattingen, komen uit hun loopgraven. Er heerst nu een idee van ‘wij zijn aan zet’, niet alleen maar naar studenten wijzen alsof zij alleen de oorzaak van het probleem zijn. Dat vind ik echt mooi om te zien.”

"Het bsa is vooral een worst voor de neus: je krijgt studenten die 60 EC halen, maar het vraagt wel wat van je onderwijs."

Op het moment werkt een projectteam van Hogeschool Rotterdam aan een programma om de aanbevelingen uit het rapport bij vijftien opleidingen uit te voeren. “Elk instituut mag een opleiding aanmelden, die hier geschikt voor is of juist heel graag met dit programma aan de gang wil gaan. We hebben nu al te veel aanmeldingen, dus we moeten selecteren want we hebben niet meer capaciteit dan voor vijftien.”

Deelnemende opleidingen schrijven zelf een verbeterplan. “Ieder zet in op eigen thema’s: bijvoorbeeld toetsing, begeleiding, het curriculum. En ze krijgen ondersteuning bij het uitvoeren. De onderzoekers van het Kenniscentrum Talentontwikkeling gaan dit proces onderzoeken zodat we over drie jaar kunnen laten zien wat ze hebben gedaan en tot welke effecten dat heeft geleid.”

Het vuurtje aanwakkeren

Het bsa is voor Klatter dus ondergeschikt aan haar missie: het onderwijs verbeteren. Je kunt optimaal scoren op de NVAO-standaarden, maar dat garandeert volgens Klatter nog geen goed onderwijs. “Ik ben lid geweest van visitatiecommissies en zag soms opleidingen die hun eindkwalificaties op een heel wonderlijke manier formuleren. De eindproducten van studenten voldeden formeel aan de criteria die zij in hun tabellen hadden gezet. Maar dan keek ik naar die scripties en vond ik daar de grootste nonsens tussen. De beoogde leerresultaten waren inderdaad behaald, maar het was geen goed onderwijs. Daar valt dan weinig aan te doen.”

Vanuit de lectoraten Versterking Beroepsonderwijs en Studiesucces kan Klatter wel iets doen om de dagelijkse lespraktijk te verbeteren. “Ik ben nu een soort sneeuwbal aan het creëren binnen de lerarenopleiding.” Twee jaar geleden heeft Klatter met collega’s voorgesteld om bij afstudeeropdrachten alleen nog maar vakdidactisch onderzoek uit te voeren. Dat houdt in dat de aankomend docenten in hun vakgebied een onderwerp kiezen waarvan ze merken dat leerlingen het moeilijk vinden om te begrijpen. De opdracht is vervolgens om de leerlingen en de docenten hierover te interviewen en literatuuronderzoek te doen. “Naar aanleiding daarvan experimenteren ze bijvoorbeeld met verschillende werkvormen op verschillende groepen. De resultaten worden vergeleken en die presenteren ze dan aan het docententeam op de stageschool.”

Een student van Klatter deed onderzoek naar reciprocal teaching, waarbij leerlingen elkaar bevragen en dingen uitleggen. Zij ontdekte dat dit een goede manier was om het rekenen met eenheden bij natuurkunde in vmbo-2 te leren. “De resultaten van de leerlingen waren sterk gestegen en ze vonden het ook leuk om te doen. Leerlingen uit de controlegroep baalden dat zij niet zo hadden gewerkt. Dat vind ik nou leuk: zo wakker je het vuurtje aan.”

"Dat je als student zoveel teweeg kan brengen, daar word ik nou warm van."

De docenten in het team van deze student waren ook verrast door de resultaten. “Ze zagen dat ze niet goed over hun aanpak hadden nagedacht en vonden dat ze naar zichzelf moesten kijken om te veranderen. Dat een studente dat allemaal teweeg kan brengen, daar word ik nou warm van. Eindelijk gebeurt er iets, in plaats van de verdediging dat het aan de leerlingen of het boek ligt. De kracht van didactiek is dat je naar de leerling kijkt, en wat anders probeert als het leerproces daarom vraagt. Niet dat je dezelfde uitleg maar blijft herhalen als leerlingen het niet snappen.”

Om beter onderwijs te geven moet je als docent een onderzoekende houding hebben, vindt Klatter. “Onderwijs en onderzoek zijn vergelijkbare systemen. In beide gevallen denk je na over de vraag of het doel, je methode, ga je toetsen, analyseer je resultaten en heb je een conclusie. Die twee loops wil ik over elkaar leggen, zodat docenten meer gaan nadenken over wat hun proces teweeg heeft gebracht. Die onderzoekende houding moet gewoon zijn in het onderwijs. Die parallel hebben docenten en managers vaak niet door.”

Ook op managementniveau moet er dus iets veranderen. “Teamleiders of directeuren weten vaak niet precies wat een onderwijsorganisatie vraagt. Sommigen hebben geen achtergrond in het onderwijs. Ze kunnen heel goed grote lijnen uitzetten, maar vergeten soms mensen mee te nemen naar een visie. Je moet met zijn allen die visie eerst ontwikkelen. De eerste maatregel die wij met de commissie adviseren is ook: zorg voor onderwijskundig leiderschap.”

Terugkeer van de pedagogiek 

Met een hoge bsa-norm en een onderzoekende houding rond didactiek ben je er nog niet. Om wel tot meer visie te komen op onderwijs, is er wat Klatter betreft een terugkeer van de pedagogiek nodig.

De pedagogische verlegenheid achter je laten

In april verscheen het pamflet Onderwijs om (te) vormen dat ze met hoogleraar psychologie en onderwijskunde Rob Martens schreef. Klatter deed ooit de Pedagogische Academie, om leraar in het basisonderwijs te worden, en studeerde later onderwijskunde en promoveerde in dat vakgebied. “Zowel Rob als ik zijn van huis uit geen pedagogen, maar wij hebben allebei wel heel veel affiniteit met dit onderwerp. Pedagogiek en onderwijs kunnen niet losgekoppeld worden van elkaar.”

Toch is die ontkoppeling tussen pedagogiek en onderwijs wel een feit. “Hier op de Onderwijs Research Dagen had iemand het in zijn onderzoek steeds over ‘de mentale staat van de docent’. Dus ik vroeg hem wat hij daaronder verstond. ‘Hoe docenten omgaan met moeilijke momenten in de klas’, antwoordde hij. Hij had het dus eigenlijk over pedagogiek: als er wat is, hoe handel je dan? Pedagogiek houdt zich bezig met hoe je je open stelt voor de student, dat je werkelijk ziet wat hij of zij nodig heeft. We zijn alleen al in de taal zo ver verschoven naar het cognitieve, onderwijskundige vocabulaire, daar zit het probleem. Daar proberen wij met ons manifest aandacht voor te vragen.”

"We zijn alleen al in de taal zo ver verschoven naar het cognitieve, onderwijskundige vocabulaire."

Onderwijskunde en pedagogiek hebben elkaar nodig, en de nood is hoog. “Het gaat slecht met de studenten, met hun welzijn, welbevinden en hun voortgang. Maar de onderwijskundige tools alléén, waar wij allemaal onderzoek naar doen, bieden geen uitkomst, omdat de oplossing in de relatie zit: de relatie tussen docenten en studenten.”

Docenten zouden niet alleen pedagogische theorieën moeten leren, maar ook worden begeleid in de geleefde ervaring van de onderwijspraktijk. “Wat voor sfeer zou je willen creëren als docent? Het is goed om stil te staan bij de organisatie van je klas en je school, want die heeft invloed op hoe studenten zich voelen. Als je wilt overbrengen dat fouten leermomenten zijn en die met studenten bespreken, moet je ook weten hoe je dat kunt doen. Elke situatie heeft verschillende perspectieven en belangen. Daarbij gaat het ook om de morele overtuigingen die je zelf hebt, hoe je afweegt, welke je op de voorgrond zet. Daar hebben we het niet meer over met elkaar.”

Daarom bestaat er nu een traject Pedagogical Empowerment, waarin Klatter samen met collega Monique van den Heuvel gesprekken voert waarin docenten pedagogische momenten uitdiepen. “Mijn stellige overtuiging is dat we de pedagogiek weer centraal moeten stellen. Als docenten meer kunnen expliciteren wat hen drijft, hoe ze dat omzetten in de praktijk en daar met collega’s het gesprek over kunnen voeren, dan is dat de eerste stimulans voor studiesucces.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK