Proefdiervrije ontwikkelingen komen met eigen uitdagingen

Verslag | door Sicco de Knecht
28 november 2019 | In de transitie naar proefdiervrije wetenschap wordt een keur aan alternatieven ontwikkeld, met kunstmatig menselijk weefsel bijvoorbeeld. Maar wat zijn de ethische implicaties daarvan? Op de Vrije Universiteit voeren onderzoekers hierover het debat.
Dasja Pajkrt – Foto: Peter Valckx

Onderzoekers en beleidsmedewerkers van VU en Amsterdam UMC zijn afgekomen maandag afgekomen op een programma over de proefdiervrije innovaties die aan de instellingen worden gebruikt en ontwikkeld. De broodjes bij de lunch zijn vegetarisch – we hopen dat de kroketten gevuld zijn met groente.

Rector Vinod Subramaniam opent de middag en stelt in zijn openingswoord dat het tijd is dat dit onderwerp campusbrede aandacht krijgt. Hij laat het daarbij niet bij woorden, maar stelt om te beginnen vanuit de VU 125.000 euro beschikbaar voor projecten waarin wordt gewerkt aan proefdiervrije alternatieven. Subramaniam vindt dat het tijd is voor aanpassing van het traditionele denkkader dat uitgaat van de 3 V’s: vermindering, verfijning en vervanging. “Ik denk dat we een voorbeeld kunnen nemen aan het Max Planck Gesellschaft. Zij voegden hier onlangs de vierde V van ‘verantwoordelijkheid’ aan toe.”

De sprekers deze middag komen uit verschillende vakgebieden en schijnen elk hun licht op de wijze waarop hun aanpak een proefdiervrije toekomst dichterbij moet brengen. Nagenoeg geen van de aanwezigen denkt dat dit binnen tien jaar te behalen valt, maar de meesten rekenen wel op een significante reductie. De ambitie van de overheid om ‘voorloper’ te worden in de wereld op dit gebied is een welkom steuntje in de rug.

In algemene zin worden er deze middag twee typen proefdiervrije alternatieven besproken. Aan de ene kant is er de beweging in de richting van de proef met (menselijke) weefsels en organoïden Humane organoïden zijn klompjes cellen die samen functioneren als een kleine versie van een normaal orgaan. Ze kunnen gekweekt worden uit stamcellen en bijvoorbeeld worden gebruikt om medicijnen op te testen. . De andere aanpak is meer gericht op het beter benutten van de mogelijkheden van digitalisering: big data en modelleren. Vooral de organoïde en zogenaamde ‘organs on a chip’ kregen de afgelopen jaren veel aandacht als het ging om innovaties die het aantal proefdieren terug kunnen dringen, maar er zijn belangrijke kanttekeningen.

Een stap naar voren en twee achteruit

In haar bijdrage vertelt onderzoeker Sue Gibbs (Amsterdam UMC, ACTA) over de grote stappen die er momenteel worden gezet in het huidonderzoek. Zo is het mogelijk om verschillende celtypen samen ‘in kweek te brengen’ op zo’n manier dat het bijzonder veel gaat lijken op de menselijke huid. “Met dergelijke modellen kunnen we het gebruik van proefdieren in bijvoorbeeld het ontwikkelproces van medicijnen fors reduceren,” vertelt ze.

“Daarvoor hebben we fysiologisch relevante menselijke modellen nodig,” vervolgt ze. Menselijk, want dat blijft toch de kortste route in de richting van een medicijn dat veilig in mensen kan worden gebruikt. “Als je kijkt naar de transitie die nu is ingezet in Nederland en in Europa dan is het heel bemoedigend om te zien hoeveel momentum er is.”

Er zijn natuurlijk ook beperkingen aan het gebruik van kunstmatig gegroeide weefsels en (mini-)organen. Niet in de laatste plaats heeft ook een hartspier in een Petri schaaltje voedingsstoffen nodig. Met name eiwitten maar ook andere nutriënten moeten vaak alsnog worden gewonnen uit dierlijk materiaal – het zijn misschien geen proefdieren, maar desalniettemin heeft het een dierlijke bron.

Ook is het vaak maar de vraag in hoeverre kunstmatig gekweekt materiaal zich natuurgetrouw gedraagt. “Het is vooralsnog heel erg moeilijk, nagenoeg onmogelijk, om een echte immuunrespons na te bootsen,” vertelt Gibbs. Niet verwonderlijk, zo zegt een onderzoeker in de zaal. “Als je alleen al even nagaat hoeveel celtypen er in een simpel weefsel als een spier zitten dan zit je al snel op meer dan tien.” Erg lastig dus om in zijn geheel na te bootsen.

Nieuwe ethische dilemma’s

De laatste jaren zijn er grote ontwikkelingen geweest in het kweken van organen. Een keur aan mini-hartjes en mini-hersenen passeert de revue en toont hoe snel deze ‘organoïde-revolutie’ gaat. In die ontwikkeling rijzen steeds meer ethische vragen. Kinderarts en onderzoeker Dasja Pajkrt (Amsterdam UMC) gaat hier in haar bijdrage uitgebreid op in.

De eigenschappen van deze complexe celstructuren, die ook uit menselijke (stam)cellen worden gemaakt, zijn zodanig dat er volgens Pajkrt geheel nieuwe dilemma’s uit voortvloeien. “Wie is bijvoorbeeld de eigenaar van een organoïde? Is dat de wetenschapper die deze kweekt, het bedrijf dat de cellen levert, of de oorspronkelijke donor?”

Biologen moeten zich vaker mengen in het embryodebat.

Bovendien begint de vraag te rijzen welke ‘rechten’ deze klompjes cellen hebben. “Want zijn het wel ‘klompjes’ cellen? Of moet je op het moment dat je een stamcel laat ontwikkelen tot embryo dit organisme niet dezelfde rechten toekennen als embryo’s die uit een ‘normale’ bevruchting voortkomen?” Ze werpt terloops de vraag op wanneer een organoïde ‘bewustzijn’ of ‘emotie’ heeft, om vervolgens te concluderen dat het niet getuigt van wijsheid om deze vraagstukken bij de onderzoeker te laten. “Wetenschap is er om te vertellen wat mogelijk is, en niet wat ‘goed’ is.”

Doen we genoeg?

In aanloop naar het paneldebat werpt hartonderzoeker Jolanda van der Velden (Vrije Universiteit) de vraag op of onderzoekers op dit moment wel genoeg doen om het aantal dierproeven te verminderen. “Ik bemerk bij andere onderzoekers dat ze lang niet altijd stilstaan bij alternatieven.” Terugslaand op de vierde ‘V’ benadrukt ze dat onderzoekers hier een verantwoordelijkheid hebben. “Niet alleen om je te informeren maar bijvoorbeeld ook om te kijken of je de onderzoeksvraag anders kunt stellen en beantwoorden, of om zelf iets te ontwikkelen.”

Op de vraag aan het panel bij wie de verantwoordelijkheid zou moeten liggen om een alternatief aan te bieden voor proefdieren, of eventueel een onderzoeksvraag aan te passen, komen meerdere antwoorden terug. “Er is een gebrek aan expertise en bekendheid van alternatieven,” zegt Pajkrt die daarin wordt aangevuld door Gibbs: “De oplossing ligt bij de dierethische commissies, zij moeten het onderzoek goedkeuren maar zijn nog niet altijd op de hoogte van de alternatieven.”

Praktisch gezien kunnen ook onderzoeksfinanciers veel invloed uitoefenen, vertelt Gibbs. “De brandwondenstichting trekt bijvoorbeeld al geen geld meer uit voor onderzoek met proefdieren, en er is een bredere beweging gaande. Onderzoekers zullen steeds beter moeten beargumenteren waarom een proefdier noodzakelijk is voor het beantwoorden van een vraag. En of het een goede vraag is.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK