“Controle is goed, vertrouwen is beter”

Interview | door Sicco de Knecht
5 december 2019 | "De reflex in Nederland is dat elk incident direct leidt tot het maken van meer regels. Als je dat te vaak doet dan dood je de ziel van het onderwijs." Scheidend collegevoorzitter van de Erasmus Universiteit Kristel Baele pleit voor meer vertrouwen in het hoger onderwijs.
Kristel Baele – Foto: Erasmus Universiteit

Vier jaar geleden zette Kristel Baele de stap van het hbo naar het wo, een primeur in meerdere opzichten. In oktober 2015 trad ze aan als eerste vrouwelijke hbo-bestuurder die ooit de directe stap maakte naar het bestuur van een universiteit. Ze was tevens de eerste Vlaming die aan het hoofd kwam te staan van een Nederlandse universiteit.

Baele was als collegevoorzitter onder andere verantwoordelijk voor de ontwikkeling van de nieuwe strategie van de instelling, waarin de band met de regio een veel grotere rol heeft gekregen. Ook stond ze aan het hoofd van de Leiden-Delft-Erasmus alliantie waarin de universiteiten in Zuid-Holland de laatste jaren veel meer met elkaar zijn gaan optrekken. Op nationaal niveau maakte ze zich de afgelopen tijd hard voor een – in haar ogen broodnodige – herziening van de Wet op het Hoger Onderwijs in het licht van internationalisering.

Nu, na één termijn, neemt Baele afscheid van de Erasmus Universiteit. Heeft het incident rond het vermeende plagiaat van interim-decaan Dymph van den Boom hier nog een rol in gespeeld? “Nee, absoluut niet,” vertelt ze met een glimlach. “Het heeft te maken met de strategie. Een intensivering van de regionale samenwerkingen betekent een herijking van het bestuursmodel. De universiteit staat nu voor de afweging of ze, net als de andere partners in de alliantie, naar een rector-voorzitter model wil.”

In dat model zijn beide rollen in één persoon vervat. “Die beslissing moet genomen worden zonder dat daar persoonlijke belangen een rol in spelen. Ik heb daarom besloten een stap terug te zetten. Ondertussen geniet ik van deze periode van rust om me te bezinnen op een volgende stap in mijn carrière.”

We kijken met haar terug op de afgelopen vier jaar en de grotere discussies die lopen in het hoger onderwijs. Wat zijn de voordelen van een binair stelsel? Hoe blijven de financiën van hoger onderwijsinstellingen op langere termijn gezond? En hoe ziet de toekomst van internationalisering eruit?

Om met het laatste te beginnen. U heeft hard gewerkt aan nieuw beleid rond internationalisering, bent u tevreden met het wetsvoorstel Taal en Toegankelijkheid dat volgende week behandeld wordt?

“Over het algemeen wel, maar het geeft helaas nog niet de mogelijkheid om te sturen op de instroom van EER-studenten. Het is wel goed om te zien dat de SER nu met het advies komt om een Europees fonds op te richten. Op die manier kunnen we verrekenen dat sommige landen in Europa veel meer studenten uit andere landen opleiden dan anderen.

Kijk, wellicht komt zo’n fonds er wel helemaal niet, maar dan is die discussie wel open. Maar we zouden ook kunnen praten over capaciteitsopbouw in die andere landen. Feit blijft dat de meeste mensen gewoon liever in hun eigen land blijven om te studeren, dus als het aanbod daar net zo goed is dan neemt de druk om naar het buitenland te gaan af.”

Toch was de minister aanvankelijk heel stellig: als je geen internationale studenten wilt dan moet je niet in het Engels lesgeven. Zat daar niet een kern van waarheid in? 

“Logisch klopt dat argument, maar praktisch niet. Nederland is van oudsher een open land en heeft een open economie. Als wij vanaf morgen alleen maar studenten aannemen die Nederlands praten dan gaan we het niet redden. Dit probleem gaat niet weg. En de wet is echt geschreven met een blik die uitsluitend op Nederland gericht is. Die wet moeten we aanpassen, met behoud van de Nederlandse identiteit en de taal. Dat wil niet zeggen dat we niet wat fijnmaziger kijken naar het taalbeleid, en naar het reguleren van de instroom.”

De plannen om die instroom te reguleren nemen inmiddels bijzondere vormen aan, de VVD kreeg kort geleden een motie aangenomen om ‘op grond van macrodoelmatigheid en ons toekomstig verdienvermogen’ meer regie te voeren op de instroom. Heet dat geen planeconomie?

“Ja, zo zou je dat zeker kunnen noemen en dat lijkt me ook geen weg die we in moeten slaan. Laat ik het zo zeggen, 40-plussers vraag ik vaak wat ze gestudeerd hebben en hoe dat zich verhoudt tot het werk dat ze momenteel doen. Het zal geen verrassing zijn dat daar vaak nogal wat ruimte tussen zit, en dat is ook logisch.”

"Als wij vanaf morgen alleen maar studenten aannemen die Nederlands praten dan gaan we het niet redden."

“Het idee dat een opleiding direct tot een beroep opleidt gaat maar zeer beperkt op. Het is toch vooral de academische vorming die er uiteindelijk toe doet, de inhoud is op lange termijn minder belangrijk. Bij bepaalde opleidingen moet je die instroom om praktische redenen reguleren maar je moet dat zeker niet willen voor alle opleidingen.”

Het huidige voorstel is dat instellingen de ruimte krijgen om te sturen op de instroom in Engelstalige tracks. In ruil daarvoor neemt de minister echter de regie op de numerus fixus terug

“Dat moet de minister niet doen en niet willen. Je kunt dan beter de numerus fixus als instrument aanpassen dan het aan je te houden. Dat is overigens wel wat ik steeds zie gebeuren, men delegeert verantwoordelijkheden naar het eerstvolgende niveau boven zich, niet doen! Het idee is dat het dan beter gaat maar in feite geef je de regie door aan een niveau dat er niet over zou moeten gaan.”

Er is te veel controledrang en te weinig vertrouwen?

“Exact. De reflex in Nederland is dat elk incident direct leidt tot het maken van meer regels. Als je dat te vaak doet dan dood je de ziel van het onderwijs. Een paar jaar geleden schreef ik als lid van de Onderwijsraad mee aan het advies “Kwaliteit in het hoger onderwijs”. In dat advies hebben we gekeken of er enige evidentie is dat meer regels tot betere processen leiden – dat bewijs is er niet. Controle is goed maar vertrouwen is beter.”

"De reflex in Nederland is dat elk incident direct leidt tot het maken van meer regels."

U kwam als eerste bestuurder uit het hbo op de stoel van universiteitsbestuurder te zitten in een periode dat er weer veel discussie is geweest over het binaire stelsel. Hoe staat u in deze discussie?

“Eigenlijk vind ik het een verkeerde discussie. Hij komt voort uit de Nederlandse traditie dat denkers meer gewaardeerd worden dan doeners, en ook meer verdienen. In Duitsland en België wordt vakmanschap veel meer gewaardeerd en dat zou een goede verandering zijn voor Nederland.

Ik zie wel dat er een verandering op komst is, en dat is dat bepaalde beroepen door digitalisering verloren zal gaan. Ook zullen loopbanen veranderen, en zullen mensen gemakkelijk zes carrières gaan krijgen waarbij ze steeds – dan weer praktisch, dan weer theoretisch – bijgeschoold zullen moeten worden. De huidige generatie ziet die waterscheiding tussen hbo en wo toch al minder en dat zal alleen maar meer vervagen denk ik.”

Toch wordt de discussie over de houdbaarheid van het binaire stelsel ook aangezwengeld door bestuurders, wat is daar de verklaring voor?

“Dat vind ik lastig in te schatten. Bij bestuurders in het hbo is er lang het gevoel geweest dat je niet meetelde. Je was wel hoger onderwijs, maar je hoorde er niet bij. Dat gevoel is de afgelopen tien jaar juist heel erg veranderd. Het hbo heeft zich ontzettend doorontwikkeld. Even geleden zat ik in de jury van de Deltapremie De Deltapremie is een tweejaarlijkse prijs die sinds dit jaar wordt uitgereikt aan twee lectoren. De prijs bedraagt €500.000 en werd dit jaar uitgereikt door minister Van Engelshoven. en ik was echt onder de indruk van de ontwikkelingen.”

Kan de universiteit in uw ogen lessen leren van de hogeschool?

“Ze kunnen zeker leren hoe je onderzoeksmatig de verbinding zoekt met de maatschappij. Daar is op de hogeschool nu al echt veel ervaring mee opgedaan en dat betaalt zich uit. Ook denk ik dat hogescholen meer bezig zijn met wat je ‘toekomstvast’ onderwijs kunt noemen. Dat betekent dat je kennis en vaardigheden afstemt op de vraag vanuit de praktijk, dat willen werkgevers ook van ons. Elementen daarvan zijn op de hogescholen al veel beter uitgewerkt.

In de nieuwe strategie van deze universiteit is de aandacht dan ook verschoven naar het maken van verbindingen. Binnen de universiteit maar ook daarbuiten. We moeten ons nog veel meer gaan realiseren voor wie we er zijn: de maatschappij.”

In het verlengde daarvan heeft de instelling onder uw leiding ook ingezet op de andere richting van deze reciprociteit: een nadruk op donateurs. Wat was de beweegreden hierachter?

“Een van de bewuste redenen is dat we als instelling minder afhankelijk willen zijn van de geldstromen vanuit de overheid. Je wilt mooie dingen kunnen doen en daar zijn gewoon niet altijd de middelen voor. Een tweede reden is dat je de dankbaarheid van alumni voor de opleiding die ze hebben gehad op deze manier een mooie uiting kunt geven. Als je dat sociale kapitaal niet gebruikt dan doe je jezelf onrecht aan als universiteit denk ik.

We kunnen daar mooie dingen mee doen die ook de samenleving weer verder helpen. Vanuit het Erasmus MC liep bijvoorbeeld al langer een programma over de gezondheid van zwangere vrouwen en vrouwen die zwanger willen worden. Dat hebben we uit kunnen breiden. Ik wil maar zeggen dat je als instelling meer kunt bereiken als je de hele community betrekt, dus niet alleen de mensen die hier nu werken en de studenten maar ook de alumni.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK