De antwoorden van De Nationale Wetenschapsquiz 2019

Aankondiging | de redactie
28 december 2019 | De Nationale Wetenschapsquiz 2019 is gewonnen door Nadine Akkerman (Universiteit Leiden) en Casper Albers (Rijksuniversiteit Groningen). Voorafgaande aan de live-opname publiceerden we al 10 vragen, op de avond zelf kwamen daar nog 7 vragen bij. Hieronder vind je de antwoorden op alle vragen van de NWQ 2019.

1. Een moderne zeilboot gaat sneller als deze ‘ruime wind’ vaart dan wanneer deze ‘voor de wind’ vaart. Wat is daarvoor de belangrijkste reden?

A. Als de boot onder deze hoek vaart ten opzichte van de wind gaan de zeilen zich gedragen als vleugel en dat levert een extra kracht.
B. Door ruime wind te varen gaat de boot schuin hangen waardoor de weerstand van de boot in het water afneemt.
C. Als de boot voor de wind vaart is het oppervlak van de zeilen het grootst, maar het totale oppervlak van de boot dat wind vangt is kleiner.

Kijk hier de live-opname van De Nationale Wetenschapsquiz 2019 terug!

Het goede antwoord is A.

De wind is uiteraard de reden waarom een zeilboot zich vooruit beweegt. Of deze nu voor de wind of ruime wind zeilt. Als een zeilboot voortbeweegt, duwt de lucht recht van achteren op het zeil. Omdat de boot vooruit beweegt duwt het zeil ook luchtdeeltjes aan de voorkant opzij, wat juist weer wat remmend werkt. In een koers voor de wind zijn deze krachten aan elkaar gewaagd maar komt de boot aardig vooruit.

Zodra de zeilboot echter onder een schuine hoek vaart ten opzichte van de wind gebeurt er het volgende: de remmende werking van de lucht voor de boot neemt af (het oppervlak van het zeil dat haaks staat op de vaarrichting is kleiner) én er komt een kracht bij.

Een zeil van een zeilboot is namelijk niet recht, maar staat bij de meeste koersen bol. Die vorm lijkt erg op die van een vliegtuigvleugel op zijn kant, en de bolle voorkant zorgt ervoor dat het zeil een extra eigenschap krijgt.

Wanneer de lucht langs het zeil stroomt door de eigen beweging van de boot (ook wel de ‘schijnbare wind’ genoemd) moet deze aan de voorkant van het zeil namelijk een langere weg afleggen dan aan de achterkant waardoor het aan de voorkant harder gaat stromen en ‘verdunt’. En wanneer dat gebeurt ontstaat er een onderdruk aan de voorkant van het zeil, ten opzichte van de achterkant. Die onderdruk zuigt de boot in de richting van de onderdruk waardoor de boot een extra kracht naar voren krijgt. Bij ruime wind is – voor de meeste boten – de combinatie van vleugelwerking en wind die direct in het zeil blaast het meest effectief.

Kenners zullen dit principe herkennen als de wet van Bernoulli, die verklaart waarom een vliegtuigvleugel lift krijgt. Het verklaart dus ook waarom een zeilboot onder een hoek ten opzichte van de wind extra hard gaat.


2. Een onderzoeker is bezig met de ontcijfering van een oud schrift en komt erachter dat een bepaalde set tekens staat voor de naam van een beroemde koning uit die tijd. Ze springt een gat in de lucht. Wat maakt het herkennen van de naam van een koning zo waardevol voor de onderzoeker?

A. Met de naam van de koning kan de onderzoeker de tekst dateren. Zo kan ze afleiden in welke ontwikkelingsfase de taal zich bevindt.
B. Omdat namen grotendeels taalonafhankelijk zijn, kan ze dit schrift vergelijken met het schrift van andere talen uit diezelfde periode.
C. In de naam van troonopvolgers staat vaak een getal, waardoor het taalschrift te koppelen is aan bekend rekenschrift.


Het goede antwoord is B.

Of je nou Venezia, Venice of Venetië zegt, iedereen zal doorhebben dat je het over die bijna verzonken toeristische trekpleister in Italië hebt. Dit geldt ook voor veel farao’s, koningen en keizerinnen. Deze namen werden vaak ook buiten het betreffende ‘rijk’ gebruikt en zijn daardoor dus grotendeels taalonafhankelijk gebleven.

Bij het ontcijferen van een schrift is het in de eerste plaats belangrijk om erachter te komen wat voor soort schrift het eigenlijk is. Is het een klankschrift, zoals het alfabet dat wij gebruiken, waar elke letter staat voor een klank, of is het een betekenisschrift, zoals het Chinese karakterschrift Hanzi?

Lange tijd werd aangenomen dat hiërogliefen een betekenisschrift waren , totdat men ontdekte dat tekens binnen een bepaald figuur – een cartouche – stonden voor de naam van een koning. Door de schrijfwijze van die namen te vergelijken kwam men erachter dat het tóch om een klankschrift ging.

Een natuurlijke ontwikkeling in schrift lijkt vooralsnog niet te bestaan, meerdere wegen leiden naar een bruikbaar schrift. Ook is er geen eenduidige samenhang van het schrift dat voor letters of voor cijfers worden gebruikt. Er zijn bovendien ook nog onontcijferde schriften, bijvoorbeeld het Rongorongo dat op Paaseiland werd gebruikt.

Het Rongorongo - Beeld: Wikimedia Commons, Onbekende Auteur (CC BY-SA 3.0)

3. Je weet van iemand dat hij twee kinderen heeft, en dat hij van beide kinderen weet op welke dag ze zijn geboren. Je vraagt: “Klopt het dat je een dochter hebt die op zaterdag is geboren?” “Ja,” antwoordt hij. Hoe groot is nu de kans dat deze persoon twee dochters heeft?

A. Kleiner dan 0,5
B. Precies 0,5
C. Groter dan 0,5


Het juiste antwoord is A.

Twee kinderen, die elk op zeven dagen geboren kunnen zijn, en als een jongetje of een meisje geboren kunnen worden. Dat zijn in totaal 196 mogelijke combinaties. Maar zodra je weet dat minstens een van de kinderen een meisje is dat op zaterdag is geboren, vallen er een boel opties af. Je weet alleen nog niet of het gaat om het eerste of tweede kind.

Als we die opties opnieuw sorteren, dan kunnen we ze indelen in vijf groepen. Namelijk:

  • 7 gevallen waar de eerstgeborene een dochter is die op zaterdag is geboren, en het tweede kind een zoon is.
  • 7 gevallen waar het tweede kind een dochter is die op zaterdag is geboren, en het eerste kind een zoon is.
  • 6 gevallen waar de eerstgeborene een dochter is die op zaterdag is geboren, en het tweede kind een dochter is.
  • 6 gevallen waar het tweede kind een dochter is die op zaterdag is geboren en het eerste kind een dochter is.
  • 1 geval waar beide kinderen dochters zijn die op zaterdag zijn geboren.

Het antwoord is 13/27 (dus nét minder dan een half).

Dit is een zogenaamd ‘slecht-gedefinieerd’ probleem. De oplossing van het vraagstuk hangt af van de informatie die de vader geeft.


4. Aardgas heeft van zichzelf geen geur, deze is eraan toegevoegd zodat je hem ruikt bij een gaslek. Wat is er zo bijzonder aan deze gaslucht?

A. Het is een universeel afschrikwekkende geur.
B. Het activeert ons reptielenbrein.
C. Het is ook waar te nemen bij zeer lage concentraties.


Het goede antwoord is C.

De geur die wordt toegevoegd aan aardgas is het zogenaamde ethaanethiol. Deze thiolen zijn de verbindingen die de sterke geur van onder andere knoflook
zo geurig maken. Je ruikt het dus goed, maar echt afschrikwekkend is het niet. Een universeel afschrikwekkende geur bestaat overigens niet.

Nee, het bijzondere aan de geur is dat deze bij zeer lage concentraties waar te nemen is. Wat betekent dat je hem ook bij een klein gaslek ruikt. Ook mensen met een verminderd reukvermogen kunnen het vaak ruiken. Hoeveel je dan nodig hebt om het waar te nemen: neem deze vergelijking. Drie druppels in een olympisch zwembad zijn genoeg.


5. Waardoor werd het natuurrecht – het idee dat er rechtsprincipes bestaan die altijd en overal gelden – plotseling populair in de Republiek der Zeven Nederlanden?

A. Deze jonge staat was seculier en had behoefte aan een alternatief voor het door het geloof ingegeven recht.
B. Er was een rechtvaardiging nodig voor de agressieve handelspolitiek van de Republiek, die met geweld het recht van de sterkste kon claimen.
C. De Republiek had goede handelsbetrekkingen met Engeland en sloot daarmee aan op het rechtssysteem daar.


Het juiste antwoord is B.

Het is een populair misverstand dat de Republiek der Verenigde Zeven Verenigde Nederlanden seculier was. Je zou het wel denken. Amsterdam was immers lange tijd een zeldzame uitzondering omdat het hart van de stad niet de kerktoren maar het Paleis op de Dam – hiervoor het Raadhuis – was. Toch nam de Staten-Generaal wel degelijk de taak op zich om de “publieke” kerk van de Republiek te bepalen en te beschermen, te weten de Gereformeerde Kerk. Tijdens de Republiek was het alleen aan gereformeerden toegestaan een openbare eredienst te houden. Alle andere diensten werden slechts gedoogd, veelal in schuilkerken.

Nee, de populariteit van het natuurrecht werd vooral ingegeven door de agressieve handelspolitiek van De Republiek. Er waren rechtsprincipes nodig die van toepassing waren op zee en in landen ver voorbij de grenzen van de Republiek. Het natuurrecht werd gezien als universeel geldend recht aangezien deze was gebaseerd op de rede.

Een van de grootste voorvechters van het natuurrecht was Hugo de Groot – die van de boekenkist. De Groot dacht dat een volledig logisch afleidbaar recht, ingegeven door de menselijke rede, de onderlinge verhoudingen tussen staten kon regelen en burgers een zekere bescherming kon bieden. Uiteindelijk werd zijn werk de basis voor de Geneefse conventies en het Internationaal Strafhof.


6. Waarvoor gebruikten makers van traditionele Vonkelwijn (Zuid-Afrikaanse champagne) vroeger zout?

A. Om de zoutarme Kaapse grond te verrijken.
B. Om de gist en suiker uit de fles te krijgen.
C. Om de druiven in te drogen zodat ze zoeter werden.


Het goede antwoord is B.

Bubbelwijn maak je door suiker en gist toe te voegen aan wijn. De gist eet de suiker op en maakt daar C02 van: bubbels. De dode gist en ongebruikte suiker blijven achter in de fles. Maar toch is bubbelwijn helder en niet troebel zoals met biertjes die nagisten op de fles.

Maar hoe haal je nu die restanten uit de fles, zonder dat je helemaal ondergespoten wordt, in de negentiende eeuw?

Dit wordt gedaan door de flessenhals te bevriezen. De fles wordt langere tijd ondersteboven te hangen zodat de gist op de (kroon)kurk gaat liggen, daarna wordt de hals bevroren en kun je de fles openmaken en de gist er rustig uitscheppen.

Maar hoe bevries je een fles champagne? Met gewoon ijs is dat erg lastig omdat het gewoon niet koud genoeg is. Tot je zout toevoegt aan smeltend ijs!

Als je een overdaad aan zout op smeltend ijs strooit dan wordt dit een bijzonder mengsel. Het mengsel brengt zichzelf namelijk naar een lagere temperatuur en dat is eigenlijk best contra-intuïtief, zeker als de ruimte eromheen warmer is dan zowel het ijs als het zout. Het smelt dus niet, maar lijkt te bevriezen. Het gaat hier namelijk om een koudmakend mengsel omdat, u raadt het al, het dingen koud maakt.

Hoe werkt het?
1. Als er zout oplost in water dan ontstaat er een systeem dat niet in evenwicht is.
2. Onderweg naar het evenwicht smelt er water, en lost er zout op in het water. Dat oplossen kost energie en die moet ergens vandaan komen, dus koelt het mengsel af.
3. De temperatuur daalt nu naar het eutectetisch minimum, -21 graden Celsius.

Dat is wel voldoende voor een snelle ‘freeze’. Deze methode van disgourgement wordt nog steeds gebruikt door puristen.


7. De zon komt op in het oosten en gaat onder in het westen, dat weten de meeste mensen wel. Maar hoe laat staat de zon in De Bilt op 21 juni in het zuidoosten van de hemel?

A. Rond tien voor twaalf
B. Rond negen uur
C. Rond kwart voor elf


Het juiste antwoord is A

Tien voor twaalf! Raar eigenlijk: de zon draait om de aarde, en hangt steeds recht boven dit punt. Als ie om 12 uur in het zuiden staat, dan zou je verwachten dat hij drie uur eerder in het zuidoosten is, om 9 uur dus.

Maar: op 21 juni geldt zomertijd, dus de klok is een uur vooruitgezet. Dus op zijn hoogste punt staat de zon pas om 1 uur. En dat geldt dan ook nog eens alleen in het midden van onze tijdzone, bijvoorbeeld in Praag. Nederland ligt een stuk westelijker, dus daar is het hoogtepunt zo’n 40 minuten later, om 13 uur 40.

De vraag was bovendien: wanneer staat de zon in het zuid*oosten*? Drie uur eerder? Nou, Nederland ligt op 52 graden Noorderbreedte, en daarnaast is de aardas ook nog eens 23 graden gekanteld. Daardoor duurt het nog eens 1 uur en 10 minuten voordat op 21 juni de zon in Nederland in het zuidoosten staat: tien minuten voor het middaguur.


8. Je laat Vladimir Poetin en Donald Trump de bovenstaande drie vlakken zien en je vraagt welk van de twee onderste vierkanten het meest overeenkomt met het bovenste vierkant. Wie geeft sneller het goede antwoord, en waarom?

A. Vladimir, omdat hij jonger is.
B. Donald, omdat hij een Amerikaan is.
C. Vladimir, omdat hij Russisch spreekt.


Het goede antwoord is C.

De taal die iemand spreekt, heeft invloed op de waarneming van de wereld om diegene heen. Dit is een oud idee dat al door Wilhelm von Humboldt werd geopperd maar later bekend is geworden als: linguïstische relativiteit.

Het leuke is dat dit idee ook is getoetst, met twee groepen: Russischtaligen en Engelstaligen. In tegenstelling tot het Engels kent het Russisch namelijk verschillende woorden voor lichtblauw en donkerblauw:

goluboy en siniy – lichtblauw en donkerblauw

Russisch sprekenden konden sneller het goede antwoord geven welke vlakken het meest overeen kwamen. Het bewijs dat de taal die je spreekt, beïnvloedt hoe je de wereld waarneemt.


9. Hoe komt het dat tot de zestiende eeuw in Europa werd aangenomen dat de menselijke onderkaak uit twee aparte botten bestond?

A. In de Bijbel staat beschreven uit welke botten menselijk lichaam bestaat, waaronder twee kaakbotten.
B. Omdat het verboden was menselijke stoffelijke overschotten te ontleden. De anatomische kennis was daarom gebaseerd op dieren.
C. De enige kennis over het skelet van de mens was afkomstig van monniken die de lijken van de Franse adel aflegden. Leden van die lijn hadden door een mutatie twee kaakbotten.


Het goede antwoord is B.

Lange tijd was het een groot taboe om de lichamen van overledenen te ontleden, ze dienden met rust gelaten te worden. De beschikbare kennis die er was van het skelet kwam dus van onderzoek op dieren. Galenus was tot de 16e eeuw veruit de meest bekende anatoom, en hij ontleedde onder andere honden.

Nu zul je op het eerste gezicht zeggen dat ook de onderkaak van de hond bestaat uit een deel. Maar het is niet geheel vreemd dat Galenus dit dacht. De onderkaak ontwikkelt zich bij veel zoogdieren namelijk uit twee delen die aan elkaar groeien, en dat is ook nog zichtbaar als klein streepje in het skelet: de mandibulaire symfyse.

Galenus keek vooral naar hondenkaken, zo blijkt uit de geschriften, en die hebben een vrij duidelijke symfyse. Wel is het opvallend dat ook de onderkaak van apen, die net als bij mensen uit een deel bestaan, Galenus niet konden overtuigen.

De eerste die na millennia van taboe de menselijke kaak ontleedde was de Vlaming Andries van den Wezel, beter bekend als Vesalius. Hij kon tot geen andere conclusie komen dan dat de volwassen menselijke kaak uit één bot bestond. Een leuk extra weetje: als een mens geboren wordt heeft deze zo’n 300 botten, volwassenen hebben er 206.


10. Vier gevangenen staan achter elkaar in een rij. De bewaker heeft vier rode en drie blauwe mutsen en de gevangenen weten dat. De bewaker zet, van achter naar voor, achtereenvolgens een rode, een blauwe, een rode en een blauwe muts op de hoofden van de gevangenen. Elke gevangene kan alleen de mutsen van de gevangenen vóór hem zien.

Iedere gevangene mag eenmaal raden naar zijn eigen kleur: de achterste in de
rij eerst, dan die vóór hem, enzovoort. Ze kunnen elkaar horen. Raden hoeft niet: een gevangene mag ook passen. Alle gevangenen worden vrijgelaten als ten minste één iemand zijn eigen kleur juist raadt en niemand het fout heeft.

Kunnen de gevangenen met zekerheid vrijkomen?

A. Nee, de kans op vrijlating is hooguit vijftig procent.
B. Ja, de eerste twee moeten passen, maar de derde kan zijn mutskleur met zekerheid melden.
C. Ja, de eerste drie moeten passen, maar de vierde kan zijn mutskleur met zekerheid melden.


Het juiste antwoord is B.

De eerste gevangene (achteraan in de rij) ziet twee blauwe mutsen en een rode muts. Daaruit kan hij zijn eigen kleur niet opmaken, dus hij past. Alle andere gevangenen weten dan dat het is uitgesloten dat de gevangenen 2, 3 en 4 allemaal blauwgemutst zijn. Voor de tweede gevangene, die een rode en een blauwe muts ziet, is dat nog niet voldoende informatie om zijn eigen kleur te kennen, dus ook hij past.

De derde gevangene ziet een blauwe muts en redeneert als volgt. ‘Stel ik heb blauw. Dan kan de tweede niet ook blauw hebben, want dan zou de eerste niet gepast hebben. Dus dan heeft de tweede rood. Maar dan zou hij dat gezegd hebben.’ De tweede heeft echter gepast, waaruit de derde kan concluderen dat zijn veronderstelling dat hij zelf blauwgemutst is, onjuist is. De derde kan dus met volle overtuiging zeggen dat zijn eigen mutskleur rood is.

De volgende vragen zijn tijdens de live-opname in De Balie gesteld

Jupiter en zijn vier grootste manen (Ganymedes, Callisto, Io en Europa) - Bron: NASA/JPL (CC0)

11. De Italiaan Galileo Galilei staat bekend als degene die het eerst constateerde dat er vier manen om de planeet Jupiter draaien. Rond dezelfde tijd deed ook de Duitse Simon Marius dezelfde ontdekking, maar veel faam verwierf hij er niet mee. Hoe komt het dat Galileo Galilei bekend staat als de eerste die de manen rond de planeet Jupiter observeerde, en Simon Marius een onbekende astronoom bleef?

A. Marius deed dezelfde ontdekking, maar hij vergiste zich in de planeet. Hij dacht dat Saturnus vier manen had.
B. Galileo werkte met de Juliaanse kalender, Marius met de Gregoriaanse. Die loopt tien dagen voor, waardoor het leek alsof Marius later was.
C. Simon Marius publiceerde zijn ontdekking later en Galileo beschuldigde hem daarop van plagiaat, dat bracht hem eeuwenlang in diskrediet.


Het goede antwoord is C.

Die arme Simon Marius, woonde hij maar in Italië en had hij maar betere aantekeningen gemaakt. Had hij zijn ontdekking maar eerder laten afdrukken en was hij maar katholiek geweest.

Marius deed zijn ontdekking naar eigen zeggen in december 1609, maar zette zijn aantekeningen pas op 8 januari 1610 op papier en publiceerde zijn bevinding zelfs pas in 1614. Toen had Galileo al lang en breed gepubliceerd over de ontdekking waar hij op 7 januari 1610 aantekeningen over maakte.

De heren deden dus bijna op de dag af tegelijkertijd dezelfde ontdekking. Ze behoorden allebei tot de eersten die het idee kregen de telescoop – een recente uitvinding – op de hemel te richten. Maar Galileo publiceerde dus eerder.

Het leidde tot een conflict dat pittige vormen aannam waarin Galilei zelfs de benamingen ‘giftig reptiel’ en een ‘vijand van de mensheid’ voor Marius gebruikte. Marius lag op dat moment overigens op zijn sterfbed, wat ook niet hielp in de verdediging.

De kalender speelde wel een rol: het protestantse gebied waar Marius woonde gebruikte nog de oude Juliaanse kalender, Galileo beschuldigde de ‘godslasterende’ protestant Marius ervan dat hij de katholieke Gregoriaanse kalender had ‘misbruikt’ om zijn ontdekking eerder te doen lijken. De reputatie van Marius was voorgoed vergald. Tussen 1903 en 1907 boog een Nederlandse commissie zich over het dispuut tussen Galileo en Marius, die concludeerde dat alle aantijgingen van Galileo onterecht waren. Maar het kon de reputatie van Marius niet redden.


12. Hoe komt het dat Emmentaler kaas in de 21e eeuw steeds minder gaten is gaan bevatten?

A. De kazen worden gemaakt in lager gelegen gebieden.
B. Melk wordt tegenwoordig langer gekoeld opgeslagen.
C. Het productieproces is meer steriel geworden.


Het goede antwoord is C.

Best een goede vraag eigenlijk, waar komen de gaten in de kaas nu eigenlijk vandaan? De Zwitsers zaten namelijk met een probleem. De kazen die ze daar al honderden jaren maken gingen ineens minder gaten bevatten! Dat kan natuurlijk niet, gatenkaas zonder gaten. Dan is het gewoon kaas.

Om erachter te komen waarom, volgden onderzoekers rijpende kazen 130 dagen lang in de CT scan. Aan het kaasmengsel voegden ze in toenemende mate microscopische hooideeltjes toe – zoals je die in melk zou kunnen vinden.

Misschien had je wel gegokt dat de gaten bestaan uit gas, maar wat voor gas? Het is CO2 die wordt geproduceerd door melkzuurbacteriën tijdens de rijping. Dat zegt natuurlijk nog niets over hoe die gaten ontstaan.

Wat blijkt nu?

Het is voor een gas als CO2 heel moeilijk om belletjes te vormen in zo’n kleverige massieve stof als kaas. Gasdeeltjes die zich hechten aan kleine onvolkomenheden, zoals de hooideeltjes die in de melk zitten, kunnen veel makkelijker een belletje vormen. Voor andere CO2 is het dan weer makkelijker om zich daarbij aan te sluiten en zo groeien de bubbels en dus de gaten in de gatenkaas.

Een brachistochroon - Foto: Universiteitsmuseum Rijksuniversiteit Groningen

13. Boven zie je een antieke knikkerbaan die we hebben geleend van het Universiteitsmuseum van de Rijksuniversiteit Groningen. Een interessant apparaat waarmee je experimenten kunt doen die gaan over valsnelheid van objecten. We noemen het punt linksboven punt A, en het punt waar de holle en de schuine baan elkaar raken punt B.

Je laat tegelijkertijd twee knikkers van punt A naar punt B rollen. Welke knikker is als eerste bij punt B?

A. De knikker die rolt over de kortste weg.
B. De knikker die rolt over de kromme baan.
C. Ze komen tegelijkertijd aan.


Het juiste antwoord is B.

Iedereen die wel eens op de navigatie rijdt weet dat de kortste weg niet altijd de snelste weg is. Toch is het erg aanlokkelijk te denken dat in dit geval de kortste weg wel degelijk de snelste weg is. Zeker omdat de knikker via de kromme baan nog een omweg moet nemen.

Dit probleem heet het brachistochrone probleem, afgeleid van het Griekse woord voor snel: brachistos en tijd: chronos.

Wat blijkt: voor het snelst afleggen van de afstand tussen A en B is niet alleen de afstand, maar ook de versnelling van belang. Hoeveel de knikker kan versnellen, hangt af van het hoogteverschil tussen A en B. Dat is voor beide knikkers gelijk, maar je moet die potentiële energie wel zien om te zetten in snelheid.

Wanneer de knikker over de kromme baan reist, kan hij gelijk vanaf het begin al flink versnellen – waardoor de snelheid toeneemt. In de rechte baan kan de knikker ook versnellen, maar veel minder snel. Toen geleerden voor het eerst gingen rekenen aan dit probleem, en het zoals hier ook daadwerkelijk uitprobeerden waren ze op zijn zachtst gezegd verbijsterd. De oplossing legde de basis voor wat we nu kennen als differentiëren en integreren.

De snelste baan is geen perfecte cirkel zoal je misschien denkt. Het is – geheel niet toevallig – de baan die een punt op een cirkel aflegt als je de cirkel rond laat draaien.


14. Van de 15e tot de 18e eeuw zijn tienduizenden mensen in Europa veroordeeld en vervolgens verbrand omdat zij heks zouden zijn. Wat weinig mensen weten is dat ook mannen en kinderen als heks op brandstapel konden belanden. Toch vormden vrouwen de overgrote meerderheid van de slachtoffers.

Wat was de reden die de voorstanders van de heksenjacht indertijd zelf doorgaans voor de oververtegenwoordiging van vrouwen gaven?

A. Vrouwen moeten worden onderdrukt, en een heksenjacht vormt daartoe een geëigend middel.
B. Vrouwen zijn emotioneler en irrationeler, en zo een makkelijker prooi voor de verleidingskunsten van de duivel.
C. Veel vroedvrouwen bezitten kruidenkennis en dat is verdacht.


Het goede antwoord is B.

Vaak denken mensen dat heksenjachten dienden voor vrouwenonderdrukking. In de historische bronnen – veel geschriften van de voorstanders van de toenmalige heksenjachten zijn bewaard gebleven – die historici bestudeerd hebben kom je dat op die manier alleen niet of nauwelijks tegen.

De voorstanders van heksenjachten stelden doorgaans dat het einde der tijden naderde, en dat de duivel een grote anti-christelijke sekte aan het vormen was. Satan zou in vermomming mensen proberen mensen te verleiden om zich bij deze sekte te voegen, en wie daarvoor viel, die werd heks. Het kon dus ook gebeuren dat mannen zich bij de sekte voegden, maar gezien hun emotionele natuur zouden vrouwen veel makkelijker te verleiden zijn tot het kwaad.

Kortom, voorstanders van de vervolgingen lijken oprecht in het gevaar van heksen te hebben geloofd. Uit de historische bronnen valt niet af te leiden dat ze heksenjachten doelbewust wilden gebruiken om vrouwen, of specifiek vroedvrouwen, te onderdrukken. Dan zouden ook wel alle slachtoffers vrouwen zijn geweest. De heksenjachten waren wel heel duidelijk gekoppeld aan negatieve stereotypen over vrouwen.


15. In de zomer hebben we in Nederland een grotere kans op extreem hoge middagtemperaturen, dan op extreem lage middagtemperaturen.

A. Nederland heeft een zeeklimaat.
B. Dit komt doordat het erg lang licht blijft in de zomer.
C. De vele kleine wateren houden de warmte goed vast.


Het goede antwoord is A.

Water heeft een veel grotere warmtecapaciteit dan het land, waardoor de zee in de praktijk als een buffer werkt voor grote temperatuurvariaties. Met wind vanaf zee variëren de temperaturen door de bufferwerking niet al te veel. Als de wind van het continent komt ontbreekt de bufferende werking van de zee en in de zomer geeft dit veelal warme lucht. De beperkte buffercapaciteit van het land zorgt ervoor dat de inkomende zonnestraling snel het landoppervlak opwarmt die zijn warmte vervolgens afstaat aan de lucht.

Hetzelfde effect zien we in de winter, maar dan omgekeerd. Ook dan zorgt het water van de Noordzee voor de nodige middeling in temperatuur, maar als de wind in de winter koude lucht vanaf het continent meebrengt wordt het ook echt koud. Wind uit de oosthoek is dan ook een voorwaarde voor een koudegolf en een stevige ijsvloer; de keren dat we in Nederland een Elfstedentocht hadden kwam de wind uit het oosten.


16. Hieronder zie je een 3D representatie van een object, waar staat dit model voor?

Foto: Doulcemarie (CC BY-SA 4.0)

Het antwoord is: de menselijke clitoris.

Dat de clitoris bestaat is al bekend sinds mensenheugenis, maar het was pas in de zestiende eeuw dat deze voor het eerst ontleed en beschreven werd door Charles Estienne. Hij concludeerde dat de clitoris een ‘urinaire functie had’. Een aparte claim die ook in zijn tijd werd tegengesproken, onder andere door Gabriele Falloppio – die onder andere de eileiders beschreef. Hij beklaagde zich dat “niemand zich om dit orgaan bekommerde… er wordt niet over gesproken… en als mensen al wat zeggen dan komt het van mij of mijn studenten.”

De kennis die er was over de anatomie van de clitoris werd vervolgens vele malen vergeten en vervolgens herontdekt, maar een populair studie-object was het nooit. Tussen 1978 en 1997 werden er 539 artikelen geschreven over de penis, en 7 over de clitoris.

Voor jullie zien jullie een 3D model van de clitoris op ware grootte. Zo zie je maar dat de ‘glans’ van de clitoris, die vaak als ‘de clitoris’ wordt aangezien, slechts het topje van de ijsberg is. Ook de rest van de clitoris kan zorgen voor genot bij stimulatie.


17. Hoe komt een struisvogelkuiken uit het ei?

A. Met zijn grote teen.
B. Zijn moeder pikt het ei open.
C. Met de eitand aan zijn snavel.


Het goede antwoord is A.

Het is een rare vogel, die struis. Deze enorme vogel legt, zoals je wellicht zou verwachten, ook de grootste eieren van alle vogels. Toch zijn de eieren relatief gezien de kleinste van alle vogels. Er is bovendien geen direct verband tussen hoe groot een vogel is en hoe groot de eieren zijn. Zo legt een kiwi relatief de grootste eieren.

Hoe komt de struisvogel nu uit het ei? Het jong zit als een paraplu opgevouwen in het ei en met een verharde teennagel ‘trapt’ deze zich een weg naar buiten. Kracht maal arm, het is toch een machtige combinatie, en lange benen die heeft de struisvogel. Een struisvogelkuiken voortijdig helpen uit zijn ei te komen is soms nodig, maar doe het niet te vroeg, want dan kan er een ontsteking in de navelstreng komen. Ook kiwi’s breken trouwens met hun achterpoot de eischaal open.

Eitanden komen vooral voor bij reptielen – schildpadden, slangen etc. – maar ook veel andere vogels hebben een eitand.


Dankwoord

De redactie van De Nationale Wetenschapsquiz 2019 wil alle experts bedanken die mee hebben gedacht aan deze editie. Op volgorde van de vragen zijn dat: Stein van Eden (Zeilen), Rens Bod (Ontcijfering, Anatomie en Natuurrecht), Casper Hulshof (Twee kinderen), Ep Köster, Caro Verbeek, Garmt Dijksterhuis, Anne-Jan Reijn (Aardgas), Wim Noorduin (Champagne), Bruno van Wayenburg (Zonnestand), Alex van de Brandhof (Gevangenendilemma), Anna-Luna Post (Manen van Jupiter), Arjen Dijkstra en Jan van Maanen (Brachistochroon), Steije Hofhuis (Heksen), Linda Duits en Ellen Laan (Clitoris) en Gerard van der Schrier (KNMI).

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK