“Het verdriet van de wetenschap is dat ze slechts wordt bewonderd om wat ze niet kan zijn”

Interview | door Sicco de Knecht
13 januari 2020 | “Feiten en normen zijn ook in de wetenschap niet van elkaar te onderscheiden.” Het is in een tijd van groeiende scepsis over wetenschappelijke resultaten geen populaire boodschap, maar wetenschapsfilosoof Trudy Dehue (RUG) denkt dat openheid hierover op de lange termijn meer vertrouwen wekt.
Trudy Dehue – Foto: KNAW

“Wetenschap is niet ‘maar een mening’.” Met dit opiniestuk in NRC openden toenmalig KNAW-president en vicepresident José van Dijck en Wim van Saarloos van het jaar 2017. Ze uitten de zorgen van veel academici, aangewakkerd door de verkiezing van Trump, toen ze schreven: “Natuurlijk zijn wetenschappers niet onfeilbaar; ze maken wel eens een fout en zijn het niet altijd eens over interpretaties van uitkomsten, maar dat betekent niet dat wetenschap ook maar een mening is.”

Het is inmiddels een gevleugelde uitspraak. Toch is het publieke wantrouwen waar Van Dijck en Van Saarloos over spraken er de afgelopen jaren zeker niet minder op geworden. Vaccinaties, stikstof, klimaatverandering, het is opvallend hoeveel scepsis er is over onderwerpen waar de wetenschappelijke gemeenschap (nagenoeg) al consensus over heeft bereikt. Wat te doen? Moeten wetenschappers zich meer ‘bij de feiten’ houden of zich juist meer mengen in het publieke debat?

Trudy Dehue is emeritus-hoogleraar wetenschapssociologie en -geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen. Volgens haar is er voorafgaande aan de strategiebepaling eerst een herbezinning nodig – niet in de laatste plaats over wat doorgaat als ‘feit’. Want bestaat er wel zoiets als onomstotelijk bewijs?

Welbewust in het Nederlands

De interactie tussen de wetenschap en de maatschappij heeft Dehue haar hele carrière beziggehouden. Lange tijd deed ze dit binnen de vakgroep Psychologie waar ze bestudeerde hoe wetenschappelijke feiten over menselijk functioneren en disfunctioneren tot stand komen. “Ik wilde weten welke vooronderstellingen daarachter zaten en welke maatschappelijke effecten eruit voortvloeien.”

Het feit dat ze over dit onderwerp in het Nederlands schreef, daar scoorde ze op zijn zachtst gezegd weinig punten mee. “Het kwam altijd ter sprake bij visitaties en ik had er ook op andere momenten vaak gedonder mee,” vertelt ze. “Maar ik deed dat welbewust. Met name omdat het nuttige denken over wetenschap uit de wetenschapsfilosofie en -sociologie de Nederlandse samenleving nauwelijks bereikte.”

Ze deed het ook omdat ze haar inzichten wilde delen met onderzoekers uit andere disciplines. “Voor gevoelige en complexe kwesties over menselijke kennis heb je een grote precisie en rijkdom aan taal nodig die tegelijk voor al die uiteenlopende groepen te begrijpen is.” Die nauwkeurigheid kon ze alleen in haar moedertaal realiseren.

Het volharden in deze lijn leverde haar uiteindelijk succes op, onder andere met de enorme ontvangst van haar boeken onder zowel onderzoekers als niet-onderzoekers. Met De depressie-epidemie brak ze in 2008 door en werd ze prompt een veelgevraagd spreker bij allerlei universitaire vakgroepen en hogescholen, op congressen en symposia, maar ook in debatcentra of bij patiëntenverenigingen.

Te beperkte criteria

Eind augustus was daar de definitieve academische erkenning van haar werk toen ze als eerste vrouw sinds 25 jaar de Akademiepenning van de KNAW in ontvangst nam In de hele geschiedenis van de Akademiepenning was er een keer eerder een vrouw die de penning ontving: schrijfster Simone Dubois ontving in 1994 de penning samen met haar man Pierre Dubois. , een prijs die elke twee jaar wordt uitgereikt “aan een persoon die zich zeer verdienstelijk heeft gemaakt voor de wetenschap in Nederland.” Een grote eer en ook een perfecte gelegenheid voor Dehue om haar collega academici een spiegel voor te houden.

In haar toespraak sprak Dehue onder andere haar verbazing uit over het feit dat zo veel wetenschappers nog altijd voet bij stuk houden dat feiten en normen niets met elkaar te maken hebben. “Als wetenschappers zélf onderzocht worden weten ze donders goed dat feiten en normen innig met elkaar verstrengeld zijn. Zodra hun werk wordt afgemeten aan hun aantallen publicaties, citaties of h-index stellen ze die normatieve criteria zo nodig ter discussie.” Ook Dehue protesteerde toen haar Nederlandstalige boeken aanvankelijk niet als wetenschappelijke output werden meegeteld. “Te beperkte criteria voor wat wetenschap mag heten hebben nadelige consequenties voor individuele onderzoekers, maar vooral voor de samenleving als geheel die onderbediend raakt.”

“Aan feiten gaan classificaties vooraf, en classificaties hebben consequenties,” vat ze samen. In haar werk benadrukt ze continu dat feiten en normen in de wetenschap niet van elkaar te scheiden zijn. “Wie armoedecijfers voor een land onderzoekt, gebruikt een definitie van armoede en die is normatief van aard. Tegelijkertijd hebben de resulterende getallen een enorme uitwerking op het leven van veel mensen.”

"De wetenschap vormt de samenleving, en de samenleving vormt de wetenschap."

Die gedachte werkt ze momenteel uit in wat een nieuw boek moet worden. Ze wil daarin laten zien hoe de ‘verstrengeling van talige en materiële technologie’ ons hele leven vormgeeft, van voor onze geboorte tot na onze dood. “Neem het vraagstuk wanneer een ongeborene een ‘kind’ en dus een ‘persoon’ gaat heten, en daarmee eigen rechten heeft. De antwoorden op dergelijke vragen zijn in hoge mate beïnvloed door wetenschappelijke technologie zoals microscopen die een nieuwe blik op bevruchte eicellen gaven en echografie die bewegende foetussen in beeld bracht. De wetenschap vormt de samenleving, en de samenleving vormt de wetenschap.”

Feiten kunnen, anders gezegd, geen rechtstreekse weerspiegeling van ‘de’ werkelijkheid zijn, maar ze kunnen wel harde werkelijkheden maken. “Daarom is het bijvoorbeeld ook zo goed dat het Sociaal en Cultureel Planbureau op haar website en in de pers volkomen open is over haar definitie van armoede, en over de argumenten voor de keuze daarvan.”

Harde en zachte wetenschap

Dat feiten geen rechtstreekse weerspiegeling van de werkelijkheid zijn, geldt voor alle wetenschapsgebieden, stelt Dehue. Het is haar een raadsel waarom doorwrocht denkwerk, ook in de wetenschap zelf, veelal als minder waardevol gezien wordt dan publicaties met ‘harde resultaten’. “Waarom is diep nadenken over concepten en definities ‘zachte wetenschap’ en is vooral meten ná het denken ‘harde wetenschap’ gaan heten? Er is niets ‘zachter’ aan het ontwikkelen van een definitie dan aan het gebruiken ervan.”

“Waarom is diep nadenken over concepten en definities ‘zachte wetenschap’ en is vooral meten ná het denken ‘harde wetenschap’ gaan heten?"

Dat er nog altijd een hiërarchie der wetenschappen bestaat is evident, stelt Dehue. “Dat komt voort uit het ouderwetse en naïeve idee dat de zogeheten harde wetenschappen alleen maar ‘neutrale’ definities hanteren en met onbetwistbare feiten komen die de werkelijkheid weerspiegelen. Getallen zijn echter samengebalde argumenten. Ik weet niet wat de historische herkomst is van dat malle idee van harde versus zachte wetenschap, maar het is wel heel hardnekkig.”

Denkers óver wetenschap beseften meer dan een eeuw geleden al dat het idee van kennis als een spiegel van de realiteit niet houdbaar is. “Karl Popper, de wereldberoemde twintigste-eeuwse wetenschapsfilosoof die velen wel kennen, zei niet alleen dat onderzoekers op weerlegging in plaats van bevestiging van hun eigen ideeën uit moeten zijn. Dat idee hebben veel wetenschapsbeoefenaren wel tussen de oren, en ze handelen er ook nog naar door openheid voor kritiek als basishouding te hebben. Bijna niemand heeft geleerd of onthouden dat een weerlegging volgens Popper evenmin zekerheid biedt, omdat weerleggende feiten net zo goed op argumenten en besluiten zijn gebaseerd.”

Al met al leidt dit narratief van hard versus zacht er volgens Dehue toe dat er maatschappelijk en vooral beleidsmatig meer waardering is voor alles dat bèta-technisch of medisch is. “De alfa- en gammawetenschappen krijgen steeds de klappen. Ze moeten achteraan de rij aansluiten, niet alleen bij de Vernieuwingsimpuls, ook bij de Nationale Wetenschapsagenda en met als duidelijkste voorbeeld de recente commissie Van Rijn die de gelden andermaal herverdeelde ten nadele van de sociale en geesteswetenschappen.”

Disciplines hebben elkaar nodig

De achterstelling van de alfa- en gammawetenschappen leidt niet slechts tot persoonlijk leed voor de onderzoeker die haar/zijn carrière niet voort kan zetten, het is volgens Dehue ook maatschappelijk schadelijk. “De wetenschappen hebben elkaar nodig, want achter elk feit gaat een verhaal schuil. Als daar een laag getallen of grafieken overheen komt, verdwijnt dat hooguit uit het zicht maar dan oefent het ongezien zijn werking uit.”

“De alfa- en gammawetenschappen krijgen steeds de klappen."

Tot haar genoegen ziet ze wel dat er onder onderzoekers een groeiende (her)waardering is van het harde nadenken. “Ik was blij toen De Jonge Akademie een brief deed uitgaan naar de minister met protest tegen Van Rijn.” In de brief waarover wiskundige Arne Smeets schreef in een opinie op ScienceGuide werd onder andere betoogd dat de herverdeling van middelen een wig drijft tussen de wetenschappen. “Een pleidooi voor interdisciplinariteit dus, en erkenning dat de vakgebieden niet zonder elkaar kunnen.”

Die gezamenlijke blik op complexe vraagstukken is hard nodig, maar die blik moet volgens haar wel écht gezamenlijk zijn. Dehue ergert zich aan het gebrek aan kritische reflectie onder sommige wetenschappers, zeker wanneer deze zich wagen op terreinen waar ze niet goed in thuis zijn. “Wetenschappers erkennen niet altijd dat ze buiten hun eigen vakgebied niet zomaar kunnen optreden als expert.” Die houding staat de meerwaarde van interdisciplinariteit juist in de weg.

Een voorbeeld hiervan ziet ze in het werk van sommige psychologen en hersenonderzoekers over ‘de vrije wil’. Dehue kan bijvoorbeeld oprecht boos worden over de stelligheid waarmee sommige hersenonderzoekers het publieke domein betraden met de stelling dat ‘de’ vrije wil niet bestaat.

“Wie ‘de’ vrije wil onderzoekt met een EEG of fMRI-scan Functional magnetic resonance imaging (fMRI) is een techniek die is afgeleid van de bekendere MRI waarmee lichaamsscans gemaakt worden in het ziekenhuis. Bij functionele MRI kan het zuurstofgehalte in weefsel worden gemeten. Fluctuaties in het zuurstofgehalte in een bepaald hersengebied worden gezien als teken dat er op die plek ‘activiteit’ is. Wat voor activiteit dat precies is, dat is nog altijd onduidelijk. Op zijn hoogst is een fMRI signaal dus een afgeleide van ongedefinieerde hersenactiviteit. kiest noodzakelijkerwijs een zeer beperkte en ook normatieve definitie van vrije wil.” Die keuze heeft verstrekkende gevolgen, die in acht genomen moeten worden bij het trekken van conclusies – zeker als ze zo hard zijn. “Het begrip vrije wil is in meerdere opzichten cruciaal voor onze samenleving. Daar kun je geen afscheid van nemen op basis van enkele buitengewoon kunstmatige experimenten waarbij mensen met een badmuts vol elektroden op hun hoofd, of vastgesnoerd in een lawaaierige koker op knoppen moeten drukken in een zeer specifieke gedragstaak.”

Daarmee wil ze niet zeggen dat dergelijke experimenten geen interessante resultaten en nieuwe hypothesen kunnen opleveren voor hersenonderzoekers, maar de reikwijdte is beperkt. “Het feit dat er doodleuk bij gezegd werd: ‘we maken een einde aan het filosofische geklets’ was werkelijk een stap te ver. Waar is je gevoel van verantwoordelijkheid? En waarom betrek je bij een dergelijk onderwerp geen filosofen en juristen?”

‘Meten is weten?’

Dehues waarschuwing dat definities nooit neutraal zijn kan niet tijdiger komen. Nu Nederland voor het eerst in de geschiedenis meemaakt dat een hele beroepsgroep (agrariërs) tezamen gelijk komt halen bij een wetenschappelijk instituut (RIVM) is het dogma ‘meten is weten’ stevig ter discussie komen te staan. “Het RIVM verweert zichzelf niet altijd zo goed in de pers omdat haar reacties uit dat dogma lijken voort te komen.” Het feit dat het RIVM via de rechter wordt gedwongen hun berekeningen prijs te geven is wat dat betreft een teken aan de wand.

“We horen onze expertise te tonen, én te mogen tonen, maar daarbij moeten we ook vertellen over ons productieproces en onze ingrediënten.” Daar kun je kritiek op verwachten, maar tegelijkertijd mogen en moeten academici hun expertise ook claimen, net zoals een agrariër, bakker of architect dat mag en moet. “Er is echter wel een groot verschil tussen grondig beargumenteerde kennis en de mening van mensen die vooral hun persoonlijke belangen verdedigen.”

“We horen onze expertise te tonen, én te mogen tonen, maar daarbij moeten we ook vertellen over ons productieproces en onze ingrediënten.”

Ze wijst op uitspraken van directeur Melanie Peters van het Rathenau Instituut, dat onlangs een bijeenkomst met agrariërs en het RIVM organiseerde. “Peters had de interessante observatie dat de agrariërs eigenlijk veel meer oor bleken te willen voor hun wanhoop dan dat ze werkelijk het onderzoek van het RIVM betwistten.” Dat betekent niet dat Dehue ontkent dat er een dalend vertrouwen in de wetenschap is. “Ik zie dit echter wel als onderdeel van een algemene daling van het vertrouwen in elkaar.”

“Vanaf de jaren zestig hebben we de bevolking verteld dat ze mondig moet zijn, en dat iedereen op moet komen voor zijn of haar eigen mening.” Het gevolg hiervan is dat het vertrouwen in bijvoorbeeld politici, de journalistiek en ook de rechterlijke macht niet meer vanzelfsprekend is. “Het aanzien van het beroep van ‘wetenschappelijk onderzoeker’ staat wat dat betreft nog op relatief eenzame hoogte,” relativeert ze.

"Onderzoekers verdienen bewondering als ze hun denkwerk zorgvuldig hebben gedaan, net zoals ze kritiek verdienen als niet zo is.”

De politiek kan een voorbeeld zijn voor de wetenschap in deze tijden. “Politici hebben al veel eerder ingespeeld op dat dalende vertrouwen in hen. Die zijn niet gaan zitten klagen, maar zijn veel meer uit gaan leggen hoe ze tot hun besluiten komen. Ik jammer natuurlijk ook wel eens als ik word aangevallen. Maar dan denk ik vervolgens: kijk eens naar die politici. Ik ga dan niet roepen als academicus: ‘help, ik word ondermijnd!’ Onderzoekers verdienen bewondering als ze hun denkwerk zorgvuldig hebben gedaan, net zoals ze kritiek verdienen als niet zo is.”

Een nieuwe opdracht

Dat onderzoekers uitleggen hoe ze aan hun resultaten komen is belangrijk, maar échte wetenschapscommunicatie is volgens haar veel meer dan zenden. Het vergt een diepere vorm van openheid, een tweede emancipatie. “We hebben heel lang gesproken over de resultaten uit onderzoek in de vorm van ‘onomstotelijk bewijs’. Maar diep van binnen weten we dat er niet zoiets bestaat als onomstotelijk bewijs en dat hadden we het publiek ook nooit wijs moeten maken.”

In de bredere dialoog tussen wetenschap en samenleving is dan ook een andere kernboodschap nodig. “We moeten uitstralen dat wetenschap in de eerste plaats draait om het zorgvuldig denken en argumenteren.” Deze complexe opgave verdient volgens haar bewondering in plaats van kritiek over ‘zachte’ feiten.

"Diep van binnen weten we dat er niet zoiets bestaat als onomstotelijk bewijs en dat hadden we het publiek ook nooit wijs moeten maken.”

Dehue koppelt daar nog een opdracht aan voor wetenschappers en onderzoeksinstellingen. “Ik constateer dat er inmiddels een bepaald beeld is ontstaan van wat wetenschapscommunicatie is. Men denkt dat communiceren populariseren is, en je eigen impact traceren.” Wetenschapscommunicatie kan volgens haar echter meer zijn dan een voorlichtend verhaal over de gevonden feiten vertellen bij De Wereld Draait Door.

Omdat ze Nederlandstalige boeken schrijft wordt haar werk nogal eens ‘populariserend’ genoemd, maar daar protesteert ze tegen: “Ik populariseer niet, ik problematiseer. Daar hebben mensen recht op.” Problematiseren betekent dat je ook aangeeft hoe moeilijk het is om bepaald onderzoek te doen, welke hiaten en aannames er mogelijk in zitten, maar vooral dat er verhalen achter feiten schuilgaan.

De kracht ligt in interactie

“Het verdriet van de wetenschap is dat ze vaak slechts wordt bewonderd om wat ze niet kan zijn. De natuur zelf kan niet praten via de mond van de wetenschap.” Dat is volgens Dehue het eerlijke verhaal waarmee je misschien niet eerder maar wel langduriger respect kunt kweken. “Door het vele werk toe te lichten dat bij onderzoek komt kijken, krijgen mensen een beter begrip van wetenschap.”

Het debat aangaan is in zichzelf geen waarborg tegen het dalende vertrouwen in elkaar, zo realiseert ze zich maar al te goed. “En als ik ’s avonds tv kijk denk ik regelmatig pessimistisch: ‘Het heeft geen zin meer, ik bemoei me ook maar nergens meer mee’. Toch is er dan ook die andere stem in mijn hoofd die zegt: ‘Laat ik toch maar blijven proberen mijn bijdrage te leveren, ook aan het werk van de vele anderen met vergelijkbare idealen.’ Het enige wat mogelijk nog helpt is hoop hebben en eerlijk zijn.”

In de open interactie ligt volgens haar de oplossing. “Het is goed als mensen hun eigen expertise kunnen spiegelen aan dat van anderen, of ze nu wetenschapper, zorgprofessional of visser zijn. Zorg ervoor dat je de inzichten bij elkaar brengt.” Het is dus een meer open en transparante houding die Dehue voorstaat in deze volgende emancipatieslag. “En je open opstellen is niet negatief. Je openstellen zodat je tegenspraak toestaat is heel gezond.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK