“Al die motivatiebrieven en referenties, daar heb je dus niks aan”

Interview | door Toske Andreoli
19 februari 2020 | Gisteren werd in de Tweede Kamer een motie aangenomen om loting weer toe te staan als selectie-instrument. Minister Van Engelshoven is enthousiast: “Met deze aangenomen motie ga ik meteen aan de slag”, liet ze via Twitter weten. Als opleidingen weer gaan loten, holt het studiesucces dan achteruit? En wat is het effect van gewogen of ongewogen loten? We spraken Janke Cohen-Schotanus (RUG), die hier uitgebreid onderzoek naar heeft gedaan.
Foto Dylan Nolte (Unsplash)

Sinds 2017 mochten opleidingen met een numerus fixus geen gebruik meer maken van loting en moesten ze uitsluitend decentraal selecteren. Hoger onderwijsinstellingen trachtten selectiemethoden te vinden die het studiesucces zo goed mogelijk konden voorspellen. Studenten moesten motivatiebrieven schrijven, op gesprek komen en portfolio’s aanleveren. Doen die geselecteerde studenten het inderdaad beter? En als er weer geloot mag worden, is het dan beter om cijfergemiddelden mee te wegen of niet?

Janke Cohen-Schotanus is emeritus-hoogleraar Onderzoek van Medisch Onderwijs (RUG). Ze deed jarenlang onderzoek naar selectie van geneeskundestudenten. Cohen-Schotanus: “We hebben in Groningen vanaf 2009 decentrale selectie. Volgens de toenmalige regels moesten we de helft loten, de andere helft konden we selecteren, behalve dat daar de achtplussen nog vanaf gingen. Als je een acht gemiddeld of hoger op je eindexamen had, werd je direct geplaatst.”

Geen enkel verschil

“Het voordeel was dat wij fantastisch onderzoek konden doen. Nienke Schripsema deed dat en is hierop gepromoveerd. We hadden een geselecteerde groep en een groep die ingeloot was. Een deel van de studenten werd afgewezen in de selectie maar kwam alsnog binnen via de loting. En die volgden we natuurlijk. Nienke vond geen enkel verschil tussen die groepen, niet in studieprestaties of uitval.”

De groep die was afgewezen in de selectie maar toch was ingeloot, deed het wel beter dan de ingelote studenten die niet hadden meegedaan aan de selectie. “De groep die niet had meegedaan met de selectie, dat was de risicogroep. Die presteerde gemiddeld iets minder en die groep viel ook iets vaker uit. Maar dan nog: tachtig procent van die studenten studeerde zonder problemen.”

“De groep die niet had meegedaan met de selectie, dat was de risicogroep."

Recent promoveerde Sanne Schreurs aan de Maastricht University op hetzelfde onderwerp als Schripsema, maar zij vond wel dat de geselecteerde studenten beter presteerden dan de afgewezen ingelote studenten. Cohen-Schotanus kent het onderzoek niet, maar vindt het interessant: “Zij zijn de enige in Nederland die echt verschil zien, de andere geneeskunde-opleidingen vinden vrijwel geen verschillen tussen geselecteerde en afgewezen studenten.” Een onderdeel van de Maastrichtse selectiemethode is na te gaan hoe goed studenten bij het curriculum en het type (probleemgestuurd) onderwijs van de universiteit passen. “Dat is een voordeel van selectie: je kunt studenten selecteren die goed bij je opleiding passen.”

Te veel kinderartsen

Want ook al maakte het bij geneeskunde in Groningen geen verschil of iemand geselecteerd was of niet, Cohen-Schotanus ziet wel voordelen van selectie. Zo zou het jammer zijn om door loting studenten mis te lopen aan wie maatschappelijk het meest behoefte is. “Ons probleem is dat van de twaalfhonderd studenten die binnenkomen, er tweehonderd kinderarts willen worden. Zoveel kinderartsen zijn niet nodig. We hebben wel heel veel studenten nodig die van oude mensen houden. En haast iedereen wil ziekenhuiszorg, terwijl de trend is dat de zorg uit het ziekenhuis komt.”

Groningse geneeskundestudenten moeten nu bij de selectie al kiezen voor een van de vier thematische communities. “Wij proberen op deze manier in ieder geval alle studenten die van oude mensen houden binnen te krijgen.”

Selectie werkt het best als je het meer als proefstuderen benadert, ziet Cohen-Schotanus in de literatuur. “Je moet studenten in een situatie brengen die zoveel mogelijk lijkt op wat ze gaan doen. Bij ons zat een stukje eerstejaars lesstof in de selectie, in het Engels, om te kijken of ze de universitaire studie aankunnen. En ze komen vaak heel naïef binnen, dus we helpen ze ook om goed na te denken. Waarom wil ik dit eigenlijk? Wij gaven de opdracht: zoek twee artikelen waaruit jouw belangstelling voor een van de vier groepen blijkt. En: interview vier mensen in jouw omgeving over hun ervaringen in de gezondheidszorg. Dan hadden we een aantal vragen erbij zodat ze daarop gingen reflecteren.”

“Al die motivatiebrieven en referenties: daar heb je dus niks aan. En iedereen blijft erin geloven, omdat ze niet gehinderd door kennis gevoelsmatig denken dat het wel goed zal zijn. Maar als je de literatuur leest, dan zie je dat het niet werkt.”

"Iedereen blijft geloven in motivatiebrieven en referenties, omdat ze niet gehinderd door kennis gevoelsmatig denken dat het wel goed zal zijn."

Met de Groningse procedure werd wel geprobeerd de motivatie op een andere manier te meten. “We hadden zoveel huiswerk omdat we ook de inspanningsbereidheid wilden toetsen. Je had er tussen de dertig, vijftig uur werk van. Het gevolg was dat we van de twaalfhonderd driehonderd no shows hadden. Die begonnen een week van tevoren pas en waren te laat. En het is niet erg dat je die studenten niet krijgt.”

Haken en ogen

Selectie werkt dus vooral voor uitersten, ziet Cohen. “Je kunt dus studenten afwijzen die duidelijk geen moeite hebben gedaan om eraan te werken. Dat is zo’n tien, vijftien procent van wie meedoet. En onze docenten vonden het leuk om de heel goede studenten eruit te halen. Ook zo’n tien, vijftien procent. De rest, zo’n zeventig procent, moesten we wettelijk op rangorde van cijfergemiddelde zetten, maar dat lag zo dicht bij elkaar. Ook bij de gewogen loting: de verschillen lagen pas bij vier cijfers achter de komma.”

"Onze docenten vonden het leuk om de heel goede studenten eruit te halen."

Cohen-Schotanus ziet bovendien andere nadelen aan selectie. “Degenen die dan uiteindelijk geselecteerd zijn voelen zich beter dan de rest. Ik hoorde bijvoorbeeld van een studieadviseur elders in het land dat de geselecteerde studenten zich als het uitverkoren volk voelden. Dat is gewoon iets wat je niet wilt in je opleiding. Een ander nadeel is dat studenten met een migratieachtergrond aan zelfselectie doen. ‘Dat haal ik toch niet’. Dat wil je ook echt niet.” Bovendien neemt de diversiteit onder studenten neemt niet alleen af door zelfselectie. “Je legt ze allemaal langs hetzelfde latje. Dan creëer je een eenheidsworst terwijl het veld veel breder is dan dat.”

Wegen de baten van een bindend studieadvies wel op tegen de kosten?

Deze nadelen opgeteld bij het feit dat decentrale selectie – bij de meeste geneeskunde-opleidingen – geen verschil maakt voor studiesucces, doen Cohen-Schotanus twijfelen of die nog wel de moeite waard is. Vanwege het geringe effect ziet ze ook niet veel in gewogen loting. Maar iedereen ongewogen loten, dat zou voor velen gevoelsmatig niet kloppen, denkt ze.

“Ik zou eigenlijk voor een systeem zijn waarbij je een deel selecteert, gewoon omdat die studenten passen bij de dingen die je van ze vraagt. Die zou je mis kunnen lopen als je alleen maar loot. En je kunt dan een aantal afwijzen die er meteen al met de pet naar gooien. De rest moet je eigenlijk loten. Ongeveer zeventig procent middenmoot die gewoon bewezen geschikt is.”

Toske Andreoli : 

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK