Tjeerd de Groot daagt wetenschap uit om voorbij de dierproef te denken

Interview | door Sicco de Knecht
5 februari 2020 | Tjeerd de Groot (D66) stuurt aan op een radicale herziening van het proefdierbeleid. "Ik wil de wetenschap uitdagen om voorbij het huidige denken te gaan dat het proefdier als gouden standaard neemt." Volgens hem is het hoog tijd dat onderzoekers deze handschoen oppakken, aangezien het maatschappelijk draagvlak voor dierproeven afneemt.
Tjeerd de Groot – Foto: Tweede Kamer

Hij zegt dingen niet zomaar. Kamerlid Tjeerd de Groot (D66) heeft een rijke geschiedenis in het denken over transities. Op de valreep van de vorige eeuw promoveerde hij aan de Universiteit Leiden op het Europese landbouwbeleid, en jarenlang werkte hij op het ministerie van LN­V op precies dat onderwerp waar hij vlak na het zomerreces zoveel reuring mee veroorzaakte: het voorstel tot halvering van de veestapel. Het fascineert hem hoe beleid, de politiek en de economie toch vaak zo achter kunnen lopen op wat er denkbaar is. “Wat ik wil doen is het denkbare realiseren.”

Die houding is voor hem niet alleen van toepassing op het landbouwbeleid, maar ook op de andere dossiers waar hij het woord over voert in de Tweede Kamer. Bij het laatste Algemeen Overleg gooide hij dan ook een knuppel in een (kleiner) hoenderhok toen hij voorstelde het proefdierbeleid radicaal te herzien. Zijn motie om “samen met betrokkenen te werken aan een opvolger van het beleid van verminderen, vervangen en verfijnen” werd met algemene stemmen aangenomen, maar wat is zijn verwachting hiervan?

Waar komt de inspiratie van uw partij vandaan om het proefdierbeleid integraal te herzien?

“We vertrekken vanuit de liefde voor het dier, en ik denk dat we dat gemeen hebben met partijen als de PVV en de Partij van de Dieren. Maar er is wel een belangrijk verschil. Je ziet dat de andere partijen vooral bezig zijn om wetgeving te maken die het heel moeilijk maakt voor individuele onderzoekers om hun onderzoek te doen. Door allerlei lastige vragen te stellen over financiering, voorwaarden te verscherpen of zelfs een belasting in te willen voeren. Ik noem dat onderzoekertje pesten.”

“Mijn insteek is dat ik de wetenschap wil uitdagen om voorbij het huidige denken te gaan dat het proefdier als gouden standaard neemt. In het beleid van verminderen, vervangen en verfijnen [de 3 V’s, red.], dat inmiddels ook alweer vijftig jaar meegaat, is het dier het uitgangspunt. Het denken met het dier als gouden standaard is in de loop der jaren geïnstitutionaliseerd. Hoe kun je het anders noemen als instellingen een hoogleraar dierproeven aanstellen?”

Dat iets geïnstitutionaliseerd is, hoeft op zich geen probleem te zijn toch?

“Zeker niet, maar er is in die afgelopen vijftig jaar wel veel veranderd. We zijn bijvoorbeeld tot het inzicht gekomen dat slechts 1 op de 10 medicijnen die positief getest worden op dieren ook in de mens werken. Dat is informatie waar je iets mee moet. Ook is de beschikbaarheid van alternatieven enorm gegroeid, maar voor jonge onderzoekers is het nu heel moeilijk om af te wijken van de gebaande paden en te kiezen voor een alternatief. Volgens mij moeten we daarvoor het beleid omgooien.”

 Hoe zou zo’n beleid er volgens u uit moeten zien? Moet de politiek zich bijvoorbeeld steviger gaan bemoeien met de onderzoeksvragen?

“Nee, daar moet de politiek wat mij betreft verre van blijven. Daar ligt de scheidslijn wat mij betreft. Waar ik eerder aan denk is dat je beleid ontwikkelt dat aanstuurt op methoden. Het moet aanmoedigen dat methoden die een aanvulling of alternatief kunnen bieden voor de dierproef een grotere kans krijgen. Wat wel kan is dat we de organisaties die wetenschappelijk onderzoek financieren, zoals NWO en ZonMw, een controlefunctie te laten pakken of onderzoek met dieren echt nodig is bij een aanvraag.”

Er zijn al onderzoeksfinanciers zoals de Brandwondenstichting, die per definitie geen voorstellen meer honoreren waar proefdieren voor nodig zijn. Zouden NWO en ZonMw ook zo rigoureus moeten zijn? 

“Dat is de vraag die we als Kamer aan de minister hebben gesteld met onze motie. Hoe dit wordt ingevuld laat ik graag aan de minister, maar dit is een kans voor Nederland als kennisland om op dit terrein echt voorop te gaan lopen. De hele wereld doet dierproeven, dat is een gegeven, maar de muziek zit natuurlijk in die transitie vooruit.”

Aan de andere kant zou je kunnen zeggen dat maatschappelijke weerstand de politiek wel vaker noopt om in te grijpen, waarom hier niet? 

“De taak die we hebben als politiek is om iets te doen met de maatschappelijke weerstand, die er in toenemende mate is voor dierproeven. We hebben als politiek de neiging om dingen te lang op zijn beloop te laten en vanuit D66 hebben we het masochisme om de eerste te zijn om te roepen dat het zo niet langer gaat. En daarbij ook aan te wijzen hoe het wel moet. Anders komen we in hele binaire situaties terecht, waarin we moeten zeggen: het mag helemaal niet meer.”

"Er rust een heilige plicht op ons om verder te denken dan de dierproef."

Ik weet dat er situaties zijn waarin er vooralsnog geen alternatief is voor een dierproef, en misschien wel nooit zal komen. Als het nodig is dan moeten we het blijven doen. Maar er rust een heilige plicht op ons om verder te denken dan dat. Ook om een toekomst te hebben voor het wetenschappelijk onderzoek.”

U heeft een groot vertrouwen in de mogelijkheden, maar als je het wetenschappers zelf vraagt zijn ze voorzichtiger. De KNAW was in hun inventarisatie bijvoorbeeld heel terughoudend en waarschuwde dat er wellicht meer proefdieren nodig zouden zijn in de toekomst

“Dan zie je dat het bloed kruipt waar het niet gaan kan. Want dat is natuurlijk wel de gevestigde orde van wetenschappers. Ik heb begrip voor de beperkingen die er op dit moment nog zijn maar ik denk dat zij het wel heel somber inzien. Ik heb hen ook gesproken en tegen mij zeggen ze dat het in de aankomende tien tot twintig jaar nog niet zonder proefdieren gaat. Daar schrik ik van.”

Over de verkenning en inventarisatie van de KNAW over dierproeven.

“Ik denk echt dat we dan ongelukken gaan krijgen. Ik begrijp dat de onderzoeker van nu in deze situatie zit, maar we moeten wel vooruit. De KNAW raadde mij zelfs af om te investeren in proefdiervrije alternatieven omdat het af zou gaan van de investeringen in het lopende onderzoek. Maar dat vind ik echt een te beperkte gedachte. Het is ook een personeelskwestie. Als er steeds meer maatschappelijke weerstand is, en je wilt niet veranderen, hoe wil je jonge mensen in de toekomst dan verleiden om dit vakgebied in te gaan?”

Proefdierbeleid kent meerdere facetten, maar het wetenschappelijk onderzoek is de hoofdmoot. Hoe komt het dan dat dit onderwerp bij LNV en niet bij OCW zit?

“Ik vraag me dagelijks hoe die indeling van onderwerpen per ministerie in vredesnaam tot stand komt. Eigenlijk vind ik dat het thuishoort bij OCW, dat lijkt mij logischer. Natuurlijk moet je dan ook samenwerken met de controlerende instanties maar LNV heeft verstand van dieren, niet van onderzoek.”

Nu heeft minister Carola Schouten een curieus beleid gedefinieerd, waarbij de ambitie om koploper te zijn wordt genoemd, maar er worden nauwelijks concrete doelstellingen geformuleerd. Is dat een strategie waar volgens u muziek in zit?

“Nu ja, we kunnen vaststellen dat er een gesprek op gang is gekomen en ook zie je dat op sommige instellingen men zelf die doelen stelt. De Universiteit Utrecht bijvoorbeeld kiest ervoor om binnen tien jaar meer dan de helft minder proefdieren te willen gebruiken. Dat zijn mooie eerste stappen. Wat ik nog vind ontbreken is een visie op het beleid die niet centraal rond het dier is opgebouwd.”

De jaarlijkse proefdiercijfers schommelen al jaren rond hetzelfde niveau, zet de Universiteit Utrecht niet een veel duidelijker stip op de horizon?

 “Dat doen ze zeker maar ik zal de minister niet snel vragen om ook een quotum op te stellen. Daarvoor zit een minister er niet dicht genoeg op, een universiteitsbestuur zit echt dichter op het onderzoek, die kan dat wel doen.”

"Als er steeds meer maatschappelijke weerstand is, en je wilt niet veranderen, hoe wil je jonge mensen in de toekomst dan verleiden om dit vakgebied in te gaan?”

“Kijk, bij de kringlooplandbouw heb ik zelf een getal genoemd, 50 procent, maar dat is op basis van wetenschappelijk onderzoek. Dat is een gefundeerde uitspraak, zeker omdat de meeste aanbevelingen zelfs nog hoger zijn. Als er op het gebied van dierproeven dergelijk onderzoek zou zijn, dan zou ik het eerder gelegitimeerd vinden dat de politiek hier quota voor opstelt.”

“Voor nu wil ik werken aan de positieve en stimulerende kant. Zo lang ik niet een alternatief kan aanbieden en middelen om de transitie te maken, ga ik de omslag niet voorstellen. Als je nu kijkt naar de ambitie en de middelen die we er voor vrij willen maken, dan is dat momenteel niet voldoende.”

Tot slot, u heeft de afgelopen tijd een aantal keer aangedrongen op meer openheid over de resultaten van dierproeven. Wat is uw verwachting van die openheid?

“Of een dierproef nu succesvol is of niet, het moet niet zo zijn dat zo’n dier helemaal voor niets geleefd heeft. Je hebt wat mij betreft de morele verplichting om de resultaten openbaar te maken, zodat een proef niet nodeloos herhaald wordt en zodat andere onderzoekers wellicht iets aan die data hebben. Het lijkt me een kleine moeite. Het hoort er gewoon bij en als dit betekent dat mensen hiervoor extra onderzoekstijd moeten krijgen, dan moet er gewoon een beetje geld bij.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK