Kees Boele: “Het is tijd om te vertragen”

Interview | door Sicco de Knecht
11 maart 2020 | De wereld om ons heen verandert sneller ooit dan en het hoger onderwijs gaat dat niet bijhouden. Het zijn krachttermen waar scheidend collegevoorzitter Kees Boele van de HAN weinig mee heeft. "De arbeidsmarkt en economische groei zijn niet het belangrijkste doel. Laten we weer de tijd nemen voor persoonsvorming, ook als dat wat studievertraging betekent."

Het is een grote organisatie waar Kees Boele ruim zeven jaar voorzitter van is geweest. Is dat eigenlijk wel te doen, sturing geven aan zo’n grote organisatie? Kun je als bestuurder van een grote hogeschool enige grip krijgen op die externe druk van buiten, of je medewerkers en studenten hiervoor behoeden? “Dat was ook mijn zorg toen ik ervoor koos om bestuurder te worden van deze instelling. Wat me positief heeft verrast is dat je als bestuurder wel degelijk een toon kunt zetten.”

“Door continu zaken te benoemen, en wel of niet in te gaan op bepaalde uitnodigingen, dan geef je een duidelijk signaal af.” Het zijn vooral wat hij ‘externe neuzelbijeenkomsten’ noemt die hij overslaat. “Gelegenheden waar weer een of ander rapportje wordt gepresenteerd dat een jaar later alweer in een lade ligt, die laat ik lekker links liggen. Dan ga ik liever kijken bij een mooi project van een docent.”

Wanneer gesproken wordt over ‘sturing’ in een dergelijk grote organisatie spitst Boele de oren. Schaalvergroting is voor hem nooit synoniem geweest met efficiëntie en effectiviteit. “Ik durf zelfs wel te beweren dat het door alle lagen van management, protocollen en controle alleen maar minder efficiënt is geworden. Ironisch eigenlijk, want dat is toch meestal het argument voor schaalvergroting: efficiëntie, economies of scale en verbeterde productiviteit.”

“Ik vind dat de schaalgrootte niet bevorderlijk is voor het zorgen voor de ziel."

“Wat ik zelden hoor als argument voor een fusie of uitbreiding is een onderwijsinhoudelijk, laat staan sfeer-argument. Uit onderzoek is dat ook gebleken: alle grote fusies in het hoger onderwijs hadden met name bedrijfsmatige motieven en gingen ten koste van sociale cohesie..” Het is gezien het vigerende bestuursmodel ook geen grote verrassing dat dit zo is. “Kom maar eens aan bij een accountant of raad van toezicht met zoiets softs als ‘sfeer’, daar kunnen ze niets mee.”

Toch maakt hij zich als bestuurder wel zorgen over de sociale cohesie op hoger onderwijsinstellingen. “Ik vind dat de schaalgrootte niet bevorderlijk is voor het zorgen voor de ziel. Natuurlijk moet je wel een beetje zakelijk zijn, we rammen er als HAN toch 350 miljoen doorheen elk jaar. Maar de ziel van de HAN zit daar niet en die moet je niet laten bezoedelen door dat soort dingen.”

In meerdere lezingen en ook in zijn geschreven werk komt Boele steeds terug bij de belemmeringen van het bedrijfsmatig denken in het onderwijs. Het moet hem toch bekoren dat de minister inmiddels niet studiesucces maar studentsucces bovenaan de agenda heeft geplaatst? “Bij het ministerie probeert men inderdaad een andere toon aan te slaan maar onderhuids is het economisch denken over het onderwijs nog altijd springlevend. Het is doorgedrongen in ons taalgebruik en onderwijsbeleid en we krijgen het er niet uit.”

Onderwijs staat ten dienste van de economie, ziet deze collegevoorzitter, die de taal van het new public management stukje bij beetje door zag dringen aan de vergadertafels. “De new public management gedachte was om publieke diensten te zien als product. Het besturingsmodel dat we eraan over hebben gehouden is ‘managerial’ en ook de taal is zo. Studenten zijn klanten, je hebt een portfolio aan opleidingen, we spreken over rendement, productiviteit, risicomanagement en over vraagfinanciering in het geval van deeltijdstudies.”

Een klein uitstapje naar de etymologie leert dat het woordje succes afgeleid is van het Latijn waarin het staat voor “iets ondergaan met een goede uitkomst”. “Dat is iets anders dan de student er zo snel mogelijk doorheen rossen. Zou het niet een betere uitkomst zijn dat wanneer docenten en begeleiders een student die thuis helemaal in de shit zit, op zo’n manier begeleiden dat deze de studie toch met vertraging voltooit of bij de studie uitkomt die geschikt is voor hem of haar, in plaats van dat het bsa deze student uitselecteert?”

“Bij het ministerie probeert men inderdaad een andere toon aan te slaan maar onderhuids is het economisch denken over het onderwijs nog altijd springlevend."

Bij de jaaropening van het collegejaar 2017 was Boele de eerste bestuurder uit het hoger onderwijs die publiekelijk aandacht vroeg voor de zorg om de ziel van de student. Tijd voor de binnenkant, zoals hij dat noemde. Het was een kritiek moment voor hem waar meerdere dingen samenkwamen. “Er was een afstudeerstudent die ik begeleidde die in die periode enorm in de persoonlijke shit zat. Op hetzelfde moment kreeg ik een rapport doorgestuurd van mijn gewaardeerde collega van de Radboud Universiteit waaruit bleek dat heel veel studenten met stress, gevoelens van eenzaamheid en leegte zaten.”

Het zijn cijfers die inmiddels ook op andere instellingen zijn gevonden, en ze liegen er niet om. De helft van de studenten kampt met stressklachten, een vijfde is eenzaam en ervaart leegte in het bestaan. “Als je dat nu even op je in laat werken dan denk je wel drie keer na om het volgende excellentietraject op te zetten.”

Boele is er dan ook blij om dat het thema studentenwelzijn inmiddels een thema is op OCW. “Maar ik vrees dat het in ons bestuurdersparadigma nog maar marginaal is als het gaat om de consequenties.” Ook vindt hij het wrang dat we hebben moeten wachten tot het probleem zich voordeed. Het lag volgens hem voor de hand dat een zware nadruk op rendement en doorstroom dergelijke nadelige consequenties zou kunnen hebben. “Toch was het onderwerp geen onderdeel van de evaluatie van de prestatieafspraken of andere lijvige rapporten van de afgelopen jaren.”

Dat er nog altijd partijen zijn die het causale verband ontkennen tussen leenstelsel, rendementsdenken en studiestress doet hem de rugharen rijzen. “En dus gaan we maar verder op de ingeslagen weg? Zelfs al was dit probleem er altijd al, dan nog moeten we er maar eens snel werk van maken hier iets aan te doen. Het ligt namelijk echt niet alleen bij de studenten zelf.”

"Zelfs al waren de eenzaamheid en psychische klachten onder studenten er altijd al, dan nog moeten we er maar eens snel werk van maken hier iets aan te doen."

Het onderwerp van zijn volgende boek is welke oorzaken in het onderwijs zelf debet zijn aan problematiek onder studenten en dat het onderwijs dus zelf te doen heeft. “Dat is een stap die we nu moeten zetten. We voelen het allemaal in het onderwijs. Docenten zien allemaal studenten met wie het persoonlijk heel slecht gaat. Daar wil je iets aan doen maar we vragen impliciet en expliciet al veel te veel van studenten.”

Kernachtig samengevat heerst er in de maatschappij een veel te optimistisch mensbeeld. “De gedachte dat de student een klant is die zelfbewust zijn eigen leven en studie kan ‘regisseren’ voert de boventoon. Het suggereert een maakbaar leven en legt de verantwoordelijkheid voor succes geheel bij de student neer, zelfs ook als het tegenzit, want dan ben je niet ondernemend genoeg. Heb je geen bestuursfunctie gedaan, ben je niet op buitenlandstage geweest? Dan tel je niet mee. Dat kan gewoon niet iedereen en ieder mens is zelf ook feilbaar. Ook ik.”

In de filosofie, de kraamkamer van de gedachten, ziet Boele heden ten dage vooral een oververtegenwoordiging van het postmodernistisch denken. Het stemt hem somber. “Er is geen waarheid, er is geen eeuwigheid, er is geen zin van het leven en er zijn geen universele principes en wetten. Er is geen moraal maar je moet gewoon met elkaar in gesprek zijn. Het antropoceen – het tijdperk van de mens, die leeft in een wereld zonder enige structuur of perspectief – is blijkbaar een periode waarin wij niet meer in controle zijn.”

"We vragen impliciet en expliciet al veel te veel van studenten."

“Het lijkt een uitgangspunt dat impliciet aangeeft dat nadenken over zin en richting van het leven dan ook geen zin heeft. Ik vind dit een verschrikkelijke gedachte.” Boele is dan ook blij met programma’s als de Start Academy, een Initiatief van toegewijde docenten om jongens en meiden tussen 18-23 te begeleiden. “Het is begonnen als een experiment om te kijken of je door middel van gesprekken over het leven hen op een pad kunt brengen dat werkt voor hen.”

Boele ging zelf ook langs bij een aantal sessies. “Op een gegeven moment zat ik naast een student die mij vertelde dat het de eerste keer in zijn leven was dat hij een dergelijk gesprek met iemand had gevoerd. Dat raakt je toch. En dit is volgens mij wat we nodig hebben in het onderwijs.”

In zijn nieuwe rol als bestuurder bij de Protestantse Theologische Universiteit (PThU) wil hij zich nog meer op dit soort thema’s toeleggen. “Wat doe je met de ellende van jonge mensen in het onderwijs.” De PThU  heeft bijvoorbeeld een mooie onderzoekslijn over ‘het goede leven’. Juist de theologie en reflectie ziet hij als belangrijke bronnen voor de benadering van vraagstukkenin deze tijd. “Werkelijk professioneel ben je bijvoorbeeld wanneer je als docent of bestuurder je een professie aflegt. Een professie is van oudsher een kloostergelofte, zoals de directeur ziel der school probeert te zijn, zoals Thorbecke dat formuleerde in zijn onderwijswet.”

Tegelijkertijd lijkt tijd nemen voor de zorg voor ziel wel het laatste dat er op de bestuurlijke agenda staat. Elk congres of symposium begint momenteel met de aansporing om de snel veranderende buitenwereld bij te houden. Anderhalf jaar geleden zat Boele in het publiek van enkele bestuurders en vooral toezichthouders bij een lezing van OESO-directeur Dirk Van Damme, die betoogde dat het hoger onderwijs de snel veranderende arbeidsmarkt niet bijhoudt, en dat de waarde van een diploma dreigt af te nemen.

“Zijn boodschap is dat het hoger onderwijs veel te sloom is. De wereld verandert en het hbo houdt dat niet bij. We moeten sneller en beter kwalificeren voor een veranderende arbeidsmarkt.” Het zijn volgens hem prachtige verhalen voor toezichthouders, maar wat heb je er als onderwijzer eigenlijk aan. “Voor een raad van toezicht is het mooi, die heeft weer wat materiaal voor een volgende vergadering, maar is het ook werkelijk een boodschap waar het hoger onderwijs wat aan heeft?”

“Op dezelfde bijeenkomst reageerde een directeur van een groot ICT-bedrijf op het verhaal, en kwam met de tegenovergestelde stelling. Hij gaf aan dat hij helemaal niet op zoek is naar afgestudeerden die perfect zijn opgeleid voor een beroep, maar dat hij op zoek is naar ‘personalities’. ‘De rest doen wij wel’, dat is ook precies wat ik terughoor van bedrijven uit onze regio.”

"Het bedrijfsleven is niet op zoek naar afgestudeerden die perfect zijn opgeleid voor een beroep, zij willen personalities."

Boele hoort in de woorden van de ICT-directeur de echo van de woorden van de oprichter van het Athenaeum Illustre, de voorloper van de UvA: Barlaeus. “Zijn betoog was dat mensen niet ondergedompeld moesten raken in hun begeerte, winstbejag en eigenbelang. De arbeidsmarkt en economische groei zijn niet het belangrijkste doel. Dus ik zeg tegen de Dirk Van Damme’s van de wereld: misschien moeten we juist eens een keer wat vertragen in het onderwijs, zodat je die echte personalities krijgt.”

Vooruitkijkend op de ontwikkelingen die op het hbo afkomen ziet Boele de demografische krimp als een van de belangrijkste ontwikkelingen. In tegenstelling tot collega-bestuurders ziet hij dit echter niet als dreiging, maar als realiteit. “Krimp is een normale ontwikkeling waar je rekening mee hebt te houden. Ik heb me altijd verbaasd over en me geërgerd aan bestuurders die zich bezighouden met hun marktaandeel en de omvang van de instelling. Het kan mij eigenlijk niets schelen hoeveel studenten ik heb.”

“Ik weet dat er ook op de HAN veel aandacht voor is voor studentenaantallen, maar uiteindelijk zijn hogescholen publieke instellingen met een maatschappelijke opdracht. Die opdracht is niet altijd om te groeien.” Wat hem betreft kan de opdracht ook zijn om mee te krimpen. “Zeker als het beredeneerd is. Sterker nog, je moet ervoor zorgen dat het je niet ineens ‘overkomt’ maar je moet erop anticiperen.”

"Het kan mij eigenlijk niet schelen hoeveel studenten ik heb."

In de zijlijn van het gesprek dat hij als bestuursvoorzitter van de HAN voert met andere instellingen, om na te denken over het regionale aanbod bespeurt hij veel terughoudendheid. “Ook op de HAN. In een afweging of we bijvoorbeeld beter in kunnen zetten op meer masters of associate degrees krijg ik toch weer teksten naar mijn hoofd als: ja maar er zijn meer mensen geïnteresseerd in een AD, dus de HAN moet zorgen dat wij de ADs’ binnenslepen.”

Het is de bekostiging, maar ook geldingsdrang die een inhoudelijk gesprek verstoort. “Maar laten we wel wezen, hogescholen en universiteiten zijn eigenlijk gewoon heel regionaal. Je moet zeer zeker wel profileren, maar als dat betekent dat we als HAN 2000 studenten minder hebben, dan moet je daar ook vrede mee kunnen hebben. Sterker nog, ik zou dat winst vinden, als we ons op die manier profileren. Maar dat is niet wat wordt gewaardeerd.”

Je moet daarbij luisteren naar de wensen in de regio, maar dat kan een ‘verlieslijdende’ business zijn om bepaalde opleidingen in de lucht te houden. Is dat gesprek mogelijk tussen bestuurder en toezichthouder? “Jazeker en dat moet ook kunnen. We zijn een publieke instelling en daar moeten we goed doordrongen van zijn. Ik voel me als collega-hogeschool ook verantwoordelijk voor het lot van de hogeschool Zeeland.”

"Ik voel me als collega-hogeschool ook verantwoordelijk voor het lot van de hogeschool Zeeland.”

Het is ten slotte geen geheim dat die andere tak van het hoger onderwijs, in het geval van de HAN het praktijkgericht onderzoek, aanvankelijk weinig aandacht van hem kreeg  als voorzitter van de HAN. “Ik heb er nooit een geheim van gemaakt dat mijn opdracht en prioriteiten anders lagen.” Inmiddels, na het een aantal jaar van dichtbij te hebben gezien is zijn blik bijgestuurd. “Wat ik nu ook zie, meer dan eerder, is dat het echt meerwaarde heeft voor het onderwijs en de studenten, mits het goed verweven is.”

De ontwikkelingen binnen het praktijkgericht onderzoek zijn de afgelopen jaren in een stroomversnelling geraakt. Er komt meer massa en concentratie in onderzoeksgroepen, de eerste hbo-postdocs worden aangesteld en er is een open gesprek over de derde cyclus. Conceptueel staat hij positief tegenover de derde cyclus en ziet hij ook de noodzaak. “Wij zijn een hogeschool met relatief veel onderzoek, veel promovendi, dus we moeten er over nadenken.”

Boele is tegelijkertijd nog altijd gereserveerd over de vraag of het praktijkgericht onderzoek in het hbo zich met een eigen derde cyclus niet op de verkeerde dingen gaat richten. “Ik ben ontzettend bang voor het wo-effect. Op universiteiten is veelal zo dat het onderzoek hetgeen is dat écht telt. Daar wordt gesproken over onderzoeksruimte en onderwijslast. Die secundaire positie van het onderwijs mag niet doorsijpelen naar het hbo.”

Een derde cyclus zou onderdeel moeten zijn van een bredere strategie om onderwijs en onderzoek aan elkaar te verbinden. “Ik denk dat wij van het hbo volwaardig hoger onderwijs maken als wij een professioneel doctoraat toevoegen aan de onderwijskolom. Zo lang het maar echt professioneel is. Dat vind ik een sympathieke gedachte.”

“Ik ben ontzettend bang voor het wo-effect."

Dat hoeft echter niet te betekenen dat de bevoegdheid om titels toe te kennen ook bij de hogeschool moet liggen. “Er ligt een lange traditie en geschiedenis in het wo voor de promotie. Dat kunnen wij met onze twintig jaar echt niet zomaar even evenaren. Dat moeten we geen eens willen.” Bovendien proeft hij een vorm van concurrentie met de academie in deze voorstellen, een smaak die hem niet zint. “Waarom pakken we dit nu niet samen op, bijvoorbeeld de HAN met de Radboud Universiteit met haar uitstekende reputatie, ook internationaal. De onderzoekers zelf denken ook helemaal niet in die tegenstellingen, die kunnen prima samenwerken.”

“Als je een heel groot nummer gaat maken van de derde cyclus, dan moet je bovendien ook heel erg goed kijken dat je de mbo’er niet uit het oog verliest.” Uiteindelijk komt het neer op het stellen van prioriteiten. “Wat mij betreft ligt die erin om weer meer aandacht uit te doen gaan naar het vormen van persoonlijkheden, naar Bildung. Onderzoek is een groot goed maar het moet niet een te groot onderdeel worden van de taak van een hogeschool, onze functie is veel breder.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK