Selectie bij excellentietrajecten voorspelt ongelijkheid, geen studiesucces

Nieuws | door Frans van Heest
13 mei 2020 | Studenten uit armere milieus stromen minder vaak in en studenten met een bijbaan vallen eerder uit. Andere selectieinstrumenten hebben geen voorspellende waarde bij excellentietrajecten. Ook blijkt dat honoursstudenten gedurende de bachelorstudie lagere cijfers gaan halen, dit in tegenstelling tot reguliere studenten.
Amsterdam University College, foto: Cees Camel

Het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht heeft onderzoek gedaan naar de selectiemethoden voor exellentietrajecten en de effecten van excellentietrajecten op het hoger onderwijs. Bij verschillende instellingen is onderzoek gedaan naar de effectiviteit van selectie-instrumenten in deze programma’s en de effecten van de excellentieprogramma’s op studenten en hun leeruitkomsten.

Studenten meer uitdagen

In het afgelopen decennium is binnen het hoger onderwijs in Nederland geleidelijk meer aandacht gekomen voor verschillen tussen studenten en de vraag hoe het onderwijs daarop goed kan inspelen. Hiermee heeft ook het excellentieonderwijs zijn intrede gedaan in Nederland. Dit onderwijs is er in de regel op gericht om studenten meer uit te dagen dan in het reguliere onderwijs.

De ontwikkeling van excellentieprogramma’s aan de hogescholen en universiteiten werd gestimuleerd door het Sirius-programma. Dit programma werd gefinancierd uit de aardgasbaten. Het liep van 2008 tot 2014 en had een budget van €50 miljoen. Na het beëindigen van dit programma hebben veel onderwijsinstellingen de intentie uitgesproken om het excellentieonderwijs voort te zetten.

Betere match tussen persoon en programma

Een gedeelde veronderstelling bij het excellentieonderwijs is dat er positieve effecten verwacht mogen worden voor zowel de studenten als het onderwijs zelf. Studenten zouden meer uitgedaagd moeten worden om verder te kijken dan hun opleiding en het onderwijs zou – mede door kruisbestuiving met het reguliere onderwijs – in zijn geheel aan kwaliteit moeten winnen.

De onderzoekers hebben deze veronderstelde effecten in kaart gebracht en tevens de selectie voor het excellentieonderwijs – niet elke student wordt toegelaten – tegen het licht gehouden. Wat betreft dat laatste is er gekeken naar welke instrumenten de beste match geven tussen persoon en programma en hoe die instrumenten verbeterd kunnen worden.

Met betrekking tot selectie blijkt dat studenten die deelnamen aan de excellentieprogramma’s al bij de start van het programma hoger scoorden op cognitieve en non-cognitieve uitkomstmaten dan studenten in het reguliere onderwijs. Wanneer er wordt gekeken naar de kans om deel te nemen aan excellentieprogramma’s, laten de resultaten zien dat kritisch denkvermogen en studieresultaten belangrijke factoren zijn om de deelname te voorspellen. Daarnaast is de kans op deelname aan excellentieprogramma’s hoger voor studenten die meer intrinsiek en extrinsiek gemotiveerd zijn.

Ook het inkomen en het opleidingsniveau van de ouders is een voorspeller of studenten deelnemen aan een excellentietraject. Deelname aan een excellentieprogramma is kleiner voor studenten met ouders die een lagere of middelbare beroepsopleiding hebben gevolgd. Dit in vergelijking met studenten van academisch geschoolde ouders of die met een bovenmodaal inkomen.

Eindcijfer belangrijkste selectie-instrument

Uit het onderzoek wordt ook duidelijk waar de selecteurs vooral naar kijken bij het toelaten van studenten. Met afstand is het gemiddelde cijfer op de vorige opleiding of het voortgezet onderwijs het belangrijkste selectie-instrument, gevolgd door een studie of stage in het buitenland, vrijwilligerswerk of een jaar reizen in het buitenland.

Met betrekking tot het hebben van een bijbaan, hebben studenten met een studie-gerelateerde bijbaan 2,1 keer meer kans om gekozen te worden vergeleken met studenten die geen bijbaan hebben. Studenten die een niet-studiegerelateerde bijbaan hebben gehad, hebben niet significant meer kans om gekozen te worden voor een excellentieprogramma vergeleken met studenten zonder een bijbaan.

Studenten die een jaar hebben gereisd hebben 2,6 keer meer kans om aangenomen te worden. Studenten die een studie of stage in het buitenland hebben gevolgd hebben zelfs 3,5 keer meer kans om aangenomen te worden dan studenten die geen buitenlandervaring hebben.

Het gemiddelde cijfer van een student heeft ook significant invloed op de kans om aangenomen te worden voor een excellentieprogramma. Studenten die onder het gemiddelde scoren hebben significant minder kans om aangenomen te worden, ze hebben namelijk 70% minder kans om aangenomen te worden vergeleken met studenten die gemiddelde cijfers halen.

Hbo kijkt veel minder naar gemiddeld cijfer

In dit onderzoek zijn zowel hogescholen als universiteiten meegenomen. Opvallend is het verschil tussen de selectie-eisen tussen excellentieprogramma’s op het hbo- wo. Zo telt het gemiddelde cijfer in het wo velen malen zwaarder mee dan in het hbo. De andere selectiemethodes zijn vergelijkbaar qua zwaarte tussen hbo en wo.

Tevens blijkt uit het onderzoek dat geen van deze voor een excellentieprogramma relevant geachte factoren, zoals hierboven omschreven, een duidelijk effect hebben op de kans op succesvolle afronding van excellentieprogramma’s. Uit de resultaten komt wel naar voren dat honoursstudenten die meer uren per week werken naast hun studie een significant kleinere kans hebben op succesvolle afronding.

Studenten gaan niet beter presteren

Wat ook duidelijk wordt, is dat de studenten uit excellentieprogramma’s gedurende het verloop van hun opleiding niet beter gaan presteren dan reguliere studenten. Hoewel zij al begonnen met een hoger eindcijfergemiddelde eindigen ze vaker met een lager eindcijfer dan verwacht zou worden op basis van eerder behaalde resultaten.

De bachelorscriptie wordt vaak gezien als belangrijke indicator voor het afronden van de bacheloropleiding en is hierdoor een belangrijke uitkomstmaat van het eindniveau, zeggen de onderzoekers van de Universiteit Maastricht.

Hierbij blijkt dat er een klein verschil is in het behaalde cijfer wanneer de reguliere studenten vergeleken worden met honoursstudenten. Reguliere studenten scoren gemiddeld een 7,74 en honoursstudenten een 8,08. Bij reguliere studenten ligt het gemiddelde scriptiecijfer iets hoger dan het gemiddelde cijfer in jaar 1, terwijl voor honoursstudenten het omgekeerde geldt. 

Een lichte daling voor honoursstudenten

Uit de analyse van het ROA blijkt dat gewogen op basis van de scripties het niveau van de excellente studenten daalt, en die van de reguliere studenten stijgt. Dit brengt het eindniveau na het afronden van de studie dichter bij elkaar. Net zoals bij het gemiddelde cijfer van de studenten, wordt bij het scriptiecijfer duidelijk dat er een lichte daling is voor honoursstudenten.

Ook blijkt de onderwijsopbrengst van een excellentieprogramma niet veel beter te zijn dan die van een student die een regulier programma afrondt. Studenten in een excellentieprogramma ontwikkelen zich tijdens hun studie op cognitieve en non-cognitieve vaardigheden, maar studenten die alleen de reguliere opleiding volgen maken een soortgelijke ontwikkeling door.

De onderzoekers stellen zichzelf dan ook de vraag of dit alles betekent dat excellentieprogramma’s zinloos zijn. Dat is ook te kort door de bocht, beargumenteren ze. Veel van deze excellentieprogramma’s hebben namelijk niet louter en alleen het doel om bepaalde cognitieve en non-cognitieve vaardigheden van honoursstudenten te verbeteren, maar ook om bijvoorbeeld kennis te verbreden en verdiepen.

Hoewel excellentiestudenten hogere cijfers halen in vergelijking met reguliere studenten, valt dit vooral te verklaren doordat deze studenten bij aanvang van de studie al hoger scoorden op cognitieve en non-cognitieve uitkomstmaten. Volgens de onderzoekers suggereert dit dat de belangrijkste verschillen tussen beide groepen voortkomen uit selectie van studenten voor excellentieprogramma’s.

Niets voorspelt uitval

Op basis van hun bevindingen komen de onderzoekers met een aantal aanbevelingen voor beleidsmakers. De selectie is veelal vooral bedoeld om te voorspellen of studenten succesvol het programma afronden, maar juist dit is niet te voorspellen. “Helaas komen er in dit onderzoek geen specifieke instrumenten naar voren die het succesvol afronden van de programma’s goed kunnen voorspellen.” Selectie zou zich hier dus niet op moeten richten.

Uit het onderzoek komt ook naar voren dat de invloed van het inkomens- en opleidingsniveau van ouders wel enige aanleiding geeft tot reflectie op de selectie van honoursstudenten en de toegankelijkheid van excellentieprogramma’s voor studenten met verschillende achtergronden.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK