Zonder plan geen serieus universitair onderwijs in september

Vier vragen aan universiteitsbesturen in de Covid-19 crisis

Opinie | door Rogier van Reekum & Marguerite van den Berg & Irene van Oorschot & Willem Schinkel & Jess Bier & Sarah Bracke
13 mei 2020 | Zonder een goed plan kan het hoger onderwijs in september niet van start. Wie die grens niet kan trekken, heeft zich neergelegd bij een rol als diplomafabriek waarin onderwijs gelijk staat aan certificering. Academici van de Erasmus Universiteit en de Universiteit van Amsterdam roepen universiteitsbestuurders op de minister met een duidelijke boodschap naar de ministerraad te sturen.
De Trêveszaal waar de ministerraad vergadert – Foto: Eerste Kamer (Twitter)

Met spanning wachten velen aan de universiteiten af hoeveel jonge mensen zich zullen inschrijven voor onze opleidingen. Alles wat we doen is afhankelijk van die inschrijvingen. Ze bepalen de financiering van onze staf, ze bepalen hoeveel uren onderwijs eenieder zal geven, welk onderwijs en onderzoek er kan zijn. En ze bepalen direct het lot van de ontzettend grote groep mensen die op tijdelijke en flexibele contracten de universiteiten draaiende houden. Niemand weet precies wat de situatie in september zal zijn en of de studenten die zich nu inschrijven ook daadwerkelijk onderwijs kunnen gaan volgen, hier, in Nederland.

[In English]

Eerder dit academisch jaar – er waren nog grote bijeenkomsten met internationale gezelschappen – stonden we allemaal onze programma’s aan te prijzen op voorlichtingsdagen en –avonden. We gebruikten social media om onze opleidingen onder de aandacht te brengen, leidden aspirant studenten rond op onze campussen en vertelden tot welke inzichten en toekomsten onze programma’s toegang bieden.

"Studenten zouden zeer kritisch moeten zijn op wat ze de komende tijd beloofd wordt."

De beloften waarmee we studenten toen wierven, kunnen we naar alle waarschijnlijkheid niet inlossen. Natuurlijk: er zijn online toetsen mogelijk. Docenten vinden heus manieren om hun studenten toch te bereiken en kennis over te dragen, zodat studenten zonder extra vertraging en schulden het huidige academisch jaar af kunnen maken. Maar voor het komende academisch jaar is bezinning nodig op de vraag of we daarmee werkelijk goed onderwijs kunnen geven.

Tegelijkertijd zouden studenten zeer kritisch moeten zijn op wat ze de komende tijd beloofd wordt. Afgezien van de reisrestricties zijn de universiteitscampussen niet gebouwd op het houden van 1,5 meter afstand. De architectuur en infrastructuur laten het simpelweg niet toe: de organisatie van ons onderwijs is vaak te grootschalig om verantwoord te zijn, zelfs al zouden we op 1,5 meter afstand gaan zitten in de collegezaal.

Er is geen gezamenlijk plan

In september zal dus nog een hoop ‘op afstand’ moeten gebeuren, maar studeren is meer dan overdracht en toetsing, en serieus online onderwijs vergt zoveel meer dan wat we op korte termijn kunnen doen. Studeren is samen zijn, een lab bezoeken, de vragen en ervaringen van andere studenten horen in een werkgroep, samen opdrachten maken, doorpraten over de stof na het college. En daarmee is doceren ook meer dan wij online kunnen aanbieden.

Natuurlijk kunnen we een verhaal vertellen, stof uitleggen, een instructie bij een opdracht geven. Maar het grapje waarmee we de energie weer terug halen, met ons lijf dynamiek in een college brengen, een korte blik naar een groepje studenten dat zich onttrekt, een kort gesprek met die ene stille student na het college – “gaat alles goed met je?” – het aanpassen van de stof aan hoe studenten reageren, het zorgvuldig met een schokeffect de common sense van de student opschorten, studenten laten leren door elkaars ervaring: dat alles is niet goed mogelijk nu. Niet voor niets voelen veel universitair docenten zich onthand. Academisch onderwijs doen we samen, en juist dat samen is nu weg.

De vraag is: wat doen we dan? Wat is het alternatief? Daarop lijkt het antwoord van de gezamenlijke universiteiten te zijn: we geven ‘offline’ onderwijs voor zover dat kan, maar we gaan veel online doen. In de woorden van de VSNU: ‘On campus als het kan, online omdat het kan.’ Maar er blijven ook veel vragen onbeantwoord. Vragen over wat ‘online onderwijs’ betekent, hoe het georganiseerd wordt, en welke invloed het zal hebben op het onderwijs na deze crisis. Een gezamenlijk plan met antwoorden op deze vragen heeft de VSNU op dit moment niet.

Technologie een vervanging voor ontmoeting?

Er was zeker iets voor te zeggen om voor online onderwijs te kiezen in een lopend collegejaar. In de afwezigheid van financiële compensatie voor de instellingen en studenten waren de repercussies voor studenten anders te ernstig. En dus loodsen we nu al weken studenten richting het einde van hun collegejaar of hun studie. Maar langzaamaan zien wij ons geplaatst voor een veel ingewikkelder vraagstuk: hoe gaan we in september verder – al helemaal met studenten die nog nooit in de collegebanken gezeten hebben?

Rectoren en decanen steken ons een hart onder de riem en zien in het nieuwe jaar dus voortzetting met digitale middelen voor zich. De minister wil wel toegeven dat ‘kwaliteit niet altijd gegarandeerd kan worden’ en raadt studenten aan zich nog verder in de schulden te steken. Maar een plan, idee of visie ontbreken. Sterker nog, alles wijst erop dat bestuurders zich tot onbepaalde tijd gaan verschuilen achter de voldongen feiten van een noodsituatie. Natuurlijk wil niemand studenten in de steek laten. En natuurlijk wil niemand collega’s nog verder belasten. En natuurlijk is er ‘van alles mogelijk’ met digitale middelen.

"We rollen richting september en worden we gedwongen alle opties open te houden..."

Zo rollen we richting september en worden we gedwongen alle opties open te houden. Niemand kan ons ondertussen vertellen wat de 1,5-meter universiteit zal inhouden behalve dat onderwijs, feitelijk voor het eerst in de geschiedenis, nu radicaal anders vormgegeven zal worden: grotendeels online, maar met dezelfde eindkwalificaties en dezelfde inhoud, zo is het idee.

Zijn wij bang voor de beeldschermen en de apps? Welnee. Digitale technologie komt mede uit de universiteiten zelf voort. Waar wij ons tegen verzetten, is dat er nu – en straks – met die technologie wordt gedaan alsof het een equivalent is voor onderwijs als ontmoeting. En dat we afhankelijk worden gemaakt van digitale technologie die ontwikkeld wordt in Silicon Valley, gedreven door winstbejag, in plaats van de behoeften van pedagogische gemeenschappen. Daarin lijken we op vele anderen wier werkende leven nog veel scherper door beeldschermen en software wordt uitgekleed. Het gemak waarmee sommige instellingen invasieve technologieën zoals online proctoring zijn gaan inzetten is zorgwekkend. Het wantrouwen jegens studenten dat spreekt uit de digitale surveillance die opgetuigd wordt, de graagte waarmee we fysieke bibliotheken, papier en fysiek samenzijn vaarwel zeggen is verontrustend.

Zonder reflectie doorstomen naar het nieuwe normaal

Hoeveel van de digitale krukken zullen na deze crisis blijven? Gaat straks werkelijk blijken dat dit een uitzonderlijke situatie was, met uitzonderlijke maatregelen, of gaan veel van de maatregelen – online colleges, digitaal toetsen – straks onderdeel worden van het nieuwe normaal, zodat we zonder veel reflectie in een geheel andere modus van onderwijs gerommeld worden? Met andere woorden: wat is óns exit plan?

De huidige crisis heeft bovendien grote gevolgen voor verschillende groepen werknemers aan de universiteit en tot nu is hier nauwelijks discussie over. COVID-19 is zeker onverwacht, maar tegelijkertijd versterkt het de bestaande manier waarop de Nederlandse universiteiten worden bestuurd: werknemers mogen, veelal met flexibele contracten en dus veel onzekerheid, harder werken zonder daarvoor extra middelen te krijgen. Hoe zullen werknemers op tijdelijke contracten of tenure tracks gecompenseerd worden?

"Werknemers mogen, veelal met flexibele contracten en dus veel onzekerheid, harder werken zonder daarvoor extra middelen te krijgen."

Hoe worden de zogenaamde flexwerkers die de universiteit mogelijk maken – schoonmakers, kantinepersoneel, beveiligers, IT-personeel – gecompenseerd? Wanneer krijgen tutoren en onderwijsassistenten een moment om bij te komen? Hoe ervoor te zorgen dat ongelijkheid niet wordt verergerd? Hoe zullen de kosten verdeeld gaan worden? Hoe gaan we voorkomen dat er een strijd om studenteninstroom ontstaat met digitale spierballerij? Wat kunnen we verwachten van aankomende visitatierondes?

De rek is er allang uit

De massale omschakeling naar online onderwijs vindt plaats terwijl docenten, onderzoekers en zelfs CvB’s al geruime tijd aangeven dat de rek eruit is aan de universiteit. Er is een quasi-permanente dreiging van nieuwe bezuinigingen voor veel universiteiten. Allereerst omdat OCW de adviezen van de Commissie Van Rijn overnam, maar er liggen – zoveel wordt duidelijk uit de recent uitgebrachte Brede Maatschappelijke Heroverwegingen – in potentie nog veel ingrijpender opties klaar.

Wij waren al structureel overbelast, doen al jaren veel met te weinig middelen. En nu wordt er, alsof het niets is, ook nog voor langere tijd veel digitale improvisatie verwacht zonder een serieus toekomstplan. Hoe anders was dat eind vorig jaar, toen de gezamenlijke rectoren in een opiniestuk in De Volkskrant schreven: ‘Digitalisering bedreigt onze universiteit. Het is tijd om een grens te trekken.’

Dat kan niet.

Zonder een plan en voorwaarden waaronder onderwijs veilig en zonder toename van werkdruk gegeven kan worden, is het onmogelijk om in september een nieuw jaar te starten. Wanneer minister, VSNU en CvB’s er niet in slagen de komende tijd een geloofwaardig en ambitieus programma aan maatregelen samen te stellen, kan van continuering in onzekerheid geen sprake zijn. Het is onmogelijk om onze studenten te willen doen geloven dat dit studeren kan zijn, dat het administreren van studiepunten en diploma’s onze bottom line is. Het is onmogelijk om de toch al kunstmatige concurrentie op inschrijvingen voort te zetten terwijl bezuinigingsscenario’s al circuleren. Door juist op dit moment niets te verlangen van de minister, houden de CvB’s zo een situatie in stand waarin we als universitair medewerkers elkaar kapot concurreren. Dat is niet waarom academici les zijn gaan geven.

In afwezigheid van een serieus toekomstplan wordt het zoeken naar tijdelijke oplossingen verplaatst naar het laagst mogelijke niveau. Daar zitten mensen zich  – onterecht – schuldig te voelen over hoe ze tekortschieten. En juist daardoor voelen we ons nog meer gedwongen om onderling te concurreren om studenten, weer meer tijd aan te besteden om de competitie aan te gaan voor beperkte onderwijsmiddelen. Een transformatie van onderwijs tot digitale overdracht en toetsing in angstige anticipatie op studentenaantallen is onacceptabel. Maar ook wanneer sommige activiteiten weer in fysieke aanwezigheid kunnen plaatsvinden, is extra financiële ondersteuning noodzakelijk.

Een zwakke minister is geen geldig excuus

Het is de minister die spelregels, middelen en kaders moet scheppen. Maar ook de CvB’s en de VSNU kunnen veel meer dan ze nu bereid lijken te doen. Als bestuurders niet in staat zijn om hun minister de ministerraad in te sturen met een duidelijke boodschap dan doen zij hun werk niet goed.

De boodschap waar de universiteitsbesturen haar de ministerraad mee in moeten sturen, moet zijn dat bij ontbreken van een plan er vanaf september geen werkelijk onderwijs is. Dat kan dan namelijk niet. Wie die grens niet kan trekken, wie zich nu niet inzet voor een plan ter behoud van onderwijskwaliteit, heeft zich neergelegd bij een rol als diplomafabriek waarin onderwijs gelijk staat aan certificering. Het is voor velen de vraag of dat nog een universiteit is waarvoor het de moeite waard is te vechten.

Wij roepen de Nederlandse universiteiten daarom op te komen met een serieus, gezamenlijk plan waarin zij op zijn minst een antwoord formuleren op de volgende vier belangrijke vragen:

  • Wat is ons exit-plan? Is er een exit-plan? Of is de coronacrisis een digitaliseringsslag die straks niet meer terug te draaien is, minstens doordat hij niet helemaal teruggedraaid wordt?
  • Hoe ondersteunen we docerend personeel in het vormgeven van digitaal of blended onderwijs? Welke middelen – tijd en geld – gaan we waar aanwenden?
  • Hoe garanderen we toegang tot hoger onderwijs voor alle studenten – ook studenten die de middelen niet hebben om de beste internetverbindingen of laptops aan te schaffen? Hoe zorgen we ervoor dat de digitale leervormen niet ten koste gaan van gelijke toegang tot en kansen in het hoger onderwijs? Hoe waarborgen we de privacy van studenten en docenten?
  • Hoe voorkomen we dat de gevolgen van deze crisis bestaande ongelijkheden aan de universiteiten vergroot? Het gaat dan om ongelijkheden tussen vaste en tijdelijke contracten, tussen mensen met en zonder zorgtaken, en tussen mensen met verschillende achtergronden en een verschillende migratiestatus.

In de afwezigheid van antwoorden op deze vragen, een visie – die uiteindelijk een visie is op de publieke taak van de universiteit, voor wie die universiteit er precies is, en wat samen onderwijzen en samen leren is – kunnen docenten niet voortjagen. Met zorgen over ons onderwijs, onze studenten, en ons werkklimaat wachten wij op antwoorden.

"Het is onmogelijk om onze studenten te willen doen geloven dat dit studeren kan zijn"

Rogier van Reekum : 

Marguerite van den Berg : 

Irene van Oorschot : 

Willem Schinkel : 

Jess Bier : 

Sarah Bracke : 

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK