De WHW: Een analoge wet in een digitaal tijdperk

Opinie | door Ulrike Wild & Jolien van der Vegt & Paul den Hertog
15 september 2020 | De Wet op Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek past niet meer bij het onderwijs van vandaag, laat staan bij dat van morgen. Het hoger onderwijs moet een flexibelere indeling krijgen, zodat een leven lang ontwikkelen steeds toegankelijker wordt.
WHW

De huidige studenten hebben te maken met een Wet op Hoger Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek (WHW) uit de beginjaren ‘90. In de collegezalen staan overhead projectoren en schoolborden. Een enkele docent toont een filmfragment via een videorecorder. De collegezalen puilen uit en er wordt geïnvesteerd in bakstenen. Beschikbaarheid van gebouwen, zalen en docenten bepalen de organisatie van het onderwijs. Studenten die op afstand studeren krijgen hun lesmateriaal met de post thuisgestuurd. De eerste mobiele telefoon komt net op de markt.

Hoe anders ziet het er vandaag uit. Met digitale tools zijn er steeds meer mogelijkheden om het onderwijs ook los van het fysieke gebouw en vaste tijdstip te organiseren. En door de noodgedwongen beperkingen van de coronacrisis wordt daar nu volop gebruik van gemaakt: multimedia, online conferencing, virtual classrooms, streaming – nooit eerder heeft het hoger onderwijs op zo grote schaal de vruchten van de digitalisering geplukt.

Flexibel onderwijs binnen traditionele opleidingen

De adaptatie aan de coronacrisis levert kansen op. In een juiste mix van digitale en fysieke onderwijsmethodieken kunnen we nu eindelijk didactische concepten realiseren waarin de student centraal staat: flexibel en gepersonaliseerd onderwijs. Niet alleen voor de initiële student, maar ook voor wie zich een leven lang wil blijven ontwikkelen.

En dat is nodig: Het aantal studenten dat hoger onderwijs geniet is ten opzichte van begin jaren ‘90 verdubbeld. Ook het aandeel internationale studenten – op afstand én in Nederland – is fors gestegen. Er is meer diversiteit in de groep studenten, hun achtergronden en hun leerbehoeften. Om al deze studenten goed te accommoderen zijn steeds meer flexibele onderwijsvormen en programma’s binnen én naast de traditionele opleidingen noodzakelijk.

De realiteit van de jaren negentig vormt de basis van de wet

De wens om flexibeler onderwijs te kunnen aanbieden dat past bij de studenten van vandaag botst echter op meerdere vlakken met het onderwijsstelsel als geheel. De WHW als juridische basis van het stelsel is mede bepalend voor het kunnen doorvoeren van de gewenste veranderingen door de partners in het stelsel. De wet kan een nieuwe beweging stimuleren, maar net zo makkelijk innovatie door instellingen tegenhouden.

De wet is in letter en geest stevig verankerd in de werkelijkheid van de jaren negentig. Daardoor past deze voor een groot deel niet meer bij de huidige realiteit. Zo komt afstandsonderwijs in de wet alleen voor als een taak van de Open Universiteit, terwijl iedere instelling vandaag de dag – al dan niet gedwongen – afstandsonderwijs aanbiedt.

‘Universiteiten, houd oog voor de student als mens’

En wat is nu nog de betekenis van het ‘vestigingsplaatsbeginsel’? Met dit vestigingsplaatsbeginsel ziet de overheid erop toe dat de kern van het curriculum wordt verzorgd door de instelling (in de betreffende vestigingsplaats) die het getuigschrift verstrekt. Met het oog op het borgen van de kwaliteit van de opleiding mag slechts een beperkt deel van het onderwijs buiten de vestigingsplaats van de eigen instelling (door derden) worden verzorgd. Studenten kunnen immers overal onderwijs van een instelling volgen, ook buiten de vestigingsplaats. Het beginsel veroorzaakt eerder concurrentie dan de benodigde inhoudelijke samenwerking tussen instellingen. Ook bevordert het geen flexibelere onderwijsprogramma’s.

Parameters voor kwaliteitseisen zijn nog uitsluitend gebaseerd op het concept ‘opleiding’ en de organisatie eromheen. Cohorten en collegejaren vormen de basis, niet het succes van de keuzes van de individuele student. Het woord ‘online’ komt in de wet niet voor.

Vakken volgen bij een andere instelling?

De geest van de wet komt tot uiting in de afgeleide regelgeving en organisatie. Universitaire studenten die een deel van hun studiepunten bij een hbo-opleiding halen, ontdekken dat de examencommissie aarzelt om deze punten te erkennen. En dat terwijl het NLQF-niveau NLQF is het raamwerk voor inschaling naar niveau van alle mogelijke kwalificaties. Van basiseducatie tot doctoraat, en van bedrijfsopleiding tot meerjarige avondstudie. NLQF maakt hiermee door de overheid gereguleerde kwalificaties en private kwalificaties met elkaar vergelijkbaar. gelijk is. Van de door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gewenste ‘wisselstroom’ Om elke student gemakkelijker en sneller op de voor hen juiste plek te krijgen, werken hogescholen en universiteiten onder de noemer ‘wisselstroom’, intensiever samen in de regio. Doelen zijn de verbetering van het studiekeuzeproces, meer doorstroommogelijkheden tussen hbo en wo, en meer flexibele leerpaden. tussen HBO en WO is weinig sprake.

De administratieve systemen zijn nog volledig ingericht rondom de opleiding, in plaats van op de persoonlijke en flexibele leerbehoeften van de student. Als gevolg hiervan staat een student die aan een andere instelling een vak volgt een administratieve nachtmerrie te wachten.

Doorbraak in leven lang ontwikkelen blijft uit

Ook de wens van het kabinet om echt werk te maken van het vraagstuk van een leven lang ontwikkelen (LLO) knelt met de huidige wet, ondanks de mooie experimenten. De arbeidsmarkt vraagt mensen die bereid zijn in hun ontwikkeling te blijven investeren. Dat betekent dat het begrip ‘studeren’ in tegenstelling tot het kader van de wet niet meer alleen neerkomt op het volgen van een initiële opleiding op de leeftijd van pakweg 18 tot 23 jaar.

Professionals die zich willen bijscholen, omscholen of opscholen zitten vaak niet te wachten op een volledige opleiding. Het volgen van andere en kleinere academische onderwijseenheden is interessant voor de arbeidsmarkt, maar levert geen erkenning op binnen het huidige kwaliteitssysteem: de accreditatie is hier niet op ingericht. Het stapelen van erkend modulair vormgegeven onderwijs is niet mogelijk binnen de wettelijke kaders: professionals kunnen niet gedurende een loopbaan werken aan een opleiding op maat.

Instellingen moeten kunstgrepen toepassen om LLO te faciliteren binnen de kaders van de wet. Het gevolg is dat een breed, toegankelijk en academisch gewaardeerd aanbod in het kader van Leven Lang Ontwikkelen nog steeds een uitzondering vormt binnen hogescholen en universiteiten. Er zijn geen experimenten langs de randen van de wet nodig, maar een stevige hervorming.

Flexibel onderwijs loopt tegen blokkade van oude begrippen aan

Oude begrippen staan flexibele en gepersonaliseerde programma’s in de weg. Dit geldt bijvoorbeeld voor studenten met een beperking, topsporters, mantelzorgers of ondernemende studenten die meer op afstand willen leren. Hieronder vallen ook de studenten die het beste van verschillende universiteiten willen halen.

Zij stuiten op een starre organisatie rondom collegejaren en opleidingen, omdat flexibelere onderwijsvormen en maatwerk niet verankerd zijn in de wet. Studenten die na een jaar besluiten te stoppen of switchen van studie, staan vaak met lege handen. De WHW erkent geen andere eenheden dan een opleiding en houdt vast aan voltijd, deeltijd of duaal als sturingsinstrument.

Ook de inspectie constateert Zie 'De Staat van het Onderwijs', blz. 199 dat deze begrippen in de praktijk niet meer goed te onderscheiden zijn. Zeker in combinatie met de opkomst van het begrip ‘leeruitkomsten’ – waar veel flexibele routes op zijn gebouwd – krijgen de oude begrippen steeds minder betekenis.

Tijd voor een renovatie van de wet

De WHW is een analoge wet in een digitaal tijdperk. Hoewel er in de afgelopen jaren talloze aanpassingen zijn gedaan en beleidsregels zijn bijgesteld, levert dit volgens de Inspectie in de Staat van het Onderwijs vooral onduidelijkheid op.

Het geheel aan regels is niet meer te overzien. De huidige situatie vraagt een echte vernieuwing van de wettelijke kaders. Vanzelfsprekend vraagt dat ook om een vertaling naar andere sturingsinstrumenten, zoals de bekostiging, doelmatigheid en accreditatie. Daarmee komt het onderwijs als geheel in beweging.

We vragen de politiek in afstemming met het veld de handen in elkaar te slaan en een nieuwe WHW te ontwerpen. Dit najaar worden alle nieuwe politieke partijprogramma’s gepresenteerd. Als (toekomstig) Kamerleden werkelijk een bijdrage willen leveren aan een toekomstbestendig hoger onderwijs, begint dat met een nieuwe wet.

Hoe moet de nieuwe WHW eruit zien?

Een aantal uitgangspunten vormt het begin van de nieuwe WHW. Zo moeten we verouderde concepten als vestigingsplaats, afstandsonderwijs, deeltijd, voltijd, duaal, initieel en post-initieel loslaten. Ze beknellen de mogelijkheid om te flexibiliseren, te personaliseren en een stelsel te ontplooien dat een leven lang ontwikkelen accommodeert.

Daarnaast worden studentgerichte, flexibele leermogelijkheden het uitgangspunt, niet de opleiding als centraal organiserend principe. Dat betekent dat studenten naast vooraf gedefinieerde programma’s binnen één instelling ruime mogelijkheden hebben hun eigen programma samen te stellen en in flexibel tempo te studeren bij meerdere instellingen.

Instellingen accommoderen en combineren verschillende leerwegen die in de wet erkend worden. Het bachelor- en masterprogramma zijn niet langer de enige denkbare weg om deel te nemen aan het hoger onderwijs en een diploma te ontvangen. Er komt erkenning voor kleinere academische onderwijseenheden, waardoor studeren ook voor professionals interessant wordt. Stapeling van zulke eenheden kan leiden tot een diploma. Hiermee wordt het steeds normaler je een leven lang te blijven ontwikkelen.

Parameters voor kwaliteit worden geherdefinieerd en staan los van of het onderwijs fysiek of digitaal plaatsvindt. Ook krijgen instellingen de ruimte hun onderwijsaanbod kortcyclisch te actualiseren en aan te passen aan een veranderende werkelijkheid in de arbeidsmarkt.

De bekostigingssystematiek en het accreditatiestelsel faciliteren bovenstaande vormen van gepersonaliseerd en flexibel onderwijs en stimuleren een leven lang ontwikkelen.Er zal in het onderwijsveld geen gebrek zijn aan animo om mee te denken aan een vernieuwde wet die wél past bij de huidige tijd. 

Ulrike Wild :  Programmadirecteur Flexibilisering

Ulrike Wild is Programmadirecteur Flexibilisering bij de WUR en aanvoerder van de zone Flexibilisering van het Versnellingsplan

Jolien van der Vegt :  Associate Partner bij AEF

Jolien van der Vegt is bestuurskundige en werkt als adviseur in de onderwijssector en het sociaal domein.

Paul den Hertog :  Consultant Onderwijsinnovatie

Paul den Hertog is Consultant Onderwijsinnovatie bij de HvA en aanvoerder van de zone Flexibilisering van het Versnellingsplan

Literatuurverwijzingen

Strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek - Houdbaar voor de toekomst

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (2019). (link)

De Staat van het Onderwijs

Inspectie van het Onderwijs (2020). (link)

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK