Vrije zones in economische opleidingen moeten voor meer studentsucces zorgen

Nieuws | door Ramon van Doorn
18 november 2020 | Economische opleidingen hebben een aantal problemen, zowel qua kwaliteit als kwantiteit. Tijdens een online conferentie bespraken Rotterdamse mbo- en hbo-instellingen mogelijke oplossingen.
Ook minister Van Engelshoven was digitaal aanwezig bij de conferentie.

Volgens verschillende recente rapporten en studies sluiten economische opleidingen niet altijd goed aan op de vragen van de arbeidsmarkt. Daarnaast heeft de coronacrisis nog meer licht geschenen op problemen die al bestonden, maar niet altijd goed zichtbaar waren. Reden genoeg voor vier Rotterdamse hogescholen en ROC’s om de handen ineen te slaan, en samen duidelijke vragen en oplossingen te vinden. Deze werden gepresenteerd op een online conferentie.

Albeda, Hogeschool Rotterdam, Inholland en Zadkine zijn allemaal verschillend, maar voor dit onderwerp zochten ze elkaar graag op. Voor het onderzoek hebben ze een onafhankelijke denktank samengesteld om de volgende vraag te beantwoorden: Hoe maken we het economisch beroepsonderwijs zowel kwalitatief als kwantitatief toekomstbestendig? Om antwoorden te vinden op deze vraag kwam de denktank eerst met vijf uitdagingen voor de bestuurders van de vier opleidingsinstituten.

Vrije zones voor meer innovatie en flexibilisering

De eerste uitdaging voor bestuurders is het grote aantal studenten die iets in de economie doen, waarvan er ook weer veel uitvallen. Dat wijst erop dat veel studenten niet zeker weten of een economische studie wel de juiste is, maar er toch voor kiezen. Daarnaast verandert de arbeidsmarkt in rap tempo, en bedrijven zijn er niet zeker van dat opleidingen zich op datzelfde tempo kunnen aanpassen. Verder zijn ROC’s en hogescholen hele andere werelden, voor wie samenwerken aan een goede doorstroom niet altijd even makkelijk is. Als laatste wordt er heel veel van docenten gevraagd, zeker in de coronacrisis. Hierdoor is er voor hen weinig gelegenheid om ook nog te proberen het onderwijs te vernieuwen.

Deze uitdagingen vragen om snel veranderingen toe te passen. Daarvoor kwam de denktank met adviezen, vooral voor ‘vrije zones’. Dit zijn ruimtes in het curriculum waar meer gelegenheid voor innovatie zou kunnen zijn. Een voorbeeld hiervan is een dubbel diploma tussen het mbo en het hbo. Mbo studenten die doorstromen naar een economische hbo studie hebben vaak al een economische achtergrond. Het laatste jaar van het mbo en het eerste jaar van het hbo overlappen dan vaak, dus waarom zou je een mbo-diploma niet met een hbo-propedeuse kunnen combineren?

Een andere vrije zone ligt tussen een economische studie en studies die kunnen overlappen met economie, zoals ICT of zorg. Ook hier zouden dubbele diploma’s een rol kunnen spelen, aangezien economiestudenten al vaak in andere sectoren terechtkomen. Met een dubbel diploma kunnen ze zich hierin al eerder ontwikkelen. Verder wordt een vrije zone tussen opleidingen en de beroepspraktijk genoemd. Dit kan gerealiseerd worden door duale of hybride programma’s waarbij studenten echte praktische problemen oplossen in samenwerking met het bedrijfsleven.

Innovatie voor meer studentsucces

De urgentie van innovatie in het economisch onderwijs is ook Minister Ingrid van Engelshoven van OCW opgevallen. “We hebben de afgelopen jaren gezegd dat we ons moeten richten op studentsucces. Dat betekent eigenlijk dat je zegt dat elke student een eerlijke kans moet krijgen om op de juiste opleiding terecht te komen en die met succes af te ronden, om vervolgens een goede kans op de arbeidsmarkt te hebben.”

“We zien wel dat we rondom die economische opleidingen een aantal uitdagingen hebben. Zit elke student daar op de juiste plek? Hoe voorkomen we uitval? En hoe geven we die jongeren de beste kans op de arbeidsmarkt? Tegelijkertijd zien we wel dat dit uiterst belangrijke opleidingen zijn. En ik ben heel blij met hoe ze dat in Rotterdam opgepakt hebben, want we moeten met partners in de regio kijken hoe we dat gezamenlijk beter kunnen aanpakken.”

Soms staan wetten juist in de weg

Zakia Guernina, lid van het College van Bestuur van de Hogeschool Rotterdam, denkt wel dat de opleidingsinstellingen hulp nodig hebben van de minister. “Allereerst kijk ik vol trots naar de energie die is ontstaan in mbo, hogescholen en het werkveld om de vrije zones vorm te geven. Maar we hebben ook iets van de minister nodig.” Er zijn namelijk regels en wetten die ideeën rondom innovatie en flexibiliteit moeilijk toepasbaar maken.

De problemen in deze wetten hebben vooral te maken met het krijgen van goedkeuring. Dit duurt voor dit soort ideeën gemiddeld twee jaar, maar tegen die tijd kan de arbeidsmarkt alweer verder ontwikkeld zijn. Dan blijft er dus altijd een vertraging. Guernina: “We hebben regelruimte in de wetten nodig. Eerst gaan wij als bestuurders zorgen dat we deze energie vasthouden, en ik hoop dat de minister vervolgens vrije regelruimte voor ons kan regelen.”

De minister staat hier zeker voor open. “Met de Rotterdamse instellingen onderken ik dat dit een hele belangrijke ontwikkeling is. Wetten zijn er om dingen mogelijk te maken en niet om in de weg te staan. Als we er samen voor gaan staan en zeggen dat dit een wenselijke ontwikkeling is, kan het niet zo zijn dat er wetten en regels zijn die het onmogelijk maken. Daar moeten we dan ruimte voor creëren, want dat zijn we aan studenten en bedrijven in de regio verplicht.”

Het project is nog volop in ontwikkeling

Een ander knelpunt in het proces is dat sommige eindtermen erg streng zijn, en met goede reden. De minister vindt dit spannend, maar ziet toch aanknopingspunten. “Dat puzzelen met eindtermen, kijken hoe we kwalificaties inrichten, dat is zeker spannend. Met name het werkveld vindt dat heel spannend, dus dat moeten we echt met elkaar doen. Wat ik het mooie vind van de vrije zones in Rotterdam is ook dat men vanaf dag één het werkveld erbij betrekt. Zo worden ze meegenomen in de stappen en kunnen ze daar ook aan bijdragen.”

Ron Kooren, voorzitter van het College van Bestuur van Albeda, noemt een voorbeeld van hoe het zou moeten zijn. “Bij de Rotterdam The Hague Campus zie je dat alles bij elkaar komt. Bedrijfsleven, overheid, beroepsonderwijs en zelfs universiteiten. Om beter onderwijs te verzorgen en kennisonderzoek te doen voor opleidingen en de arbeidsmarkt. En dat is hoe het hoort, volgens mij.” Guernina voegt hier nog aan toe dat ze ervan overtuigd is dat “het succes wat we elders al geboekt hebben, kunnen we nu ook in het economisch domein bereiken”, en Huug de Deugd, lid van het College van Bestuur van Inholland, laat zelfs via de chat nog even weten hoe enthousiast hij is over het project en over de samenwerking.

Wel mist de minister nog de rol van instanties als de onderwijsinspectie. “Die moeten streng blijven kijken naar de kwaliteit. Maar ze zijn er ook met hetzelfde doel: het beste bieden aan studenten. Ik merk bij al die organisaties dat ze ook vanaf dag één betrokken willen zijn bij het proces, en mee willen denken over hoe je alles het beste vormgeeft. De kracht zit erin om dit in dialoog te doen en te kijken waar behoefte is aan ruimte. Maar ik merk dat er bij iedereen grote bereidheid is om hierin mee te bewegen.”

Niet alleen kijken naar kwaliteit, maar ook naar kwantiteit

Is het niet veel makkelijker om gewoon minder economen op te leiden? Didier Fouarge van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht zegt dat onderzoek daar wel op wijst. “Zeker in het mbo zijn bepaalde richtingen in het economische domein helemaal niet zo kansrijk. Het is hartstikke belangrijk dat we die boodschap goed doorgeven aan jongeren die voor een studiekeuze staan. Wat we wel weten is dat in andere richtingen juist krapte heerst. In de techniek, zorg, onderwijs: dat zijn allemaal richtingen waar jongeren meer kansen hebben.”

Verder vindt Fouarge dat de balans tussen interesse en kansen een beetje zoek is in Nederland. “De mens in mij heeft ook oog voor de innerlijke interesses van kinderen. Waar ik wel voor pleit als wetenschapper is dat we ervoor moeten zorgen dat we jongeren goede loopbaanbegeleiding geven. Dat we met ze meedenken over de verschillende facetten van het kiezen van een opleiding. Met aan de ene kant wat ze leuk vinden en wat ze goed kunnen, en aan de andere kant waar goede kansen liggen. Kijk naar wat je leuk vindt, maar op een geïnformeerde manier. Volg je hart met verstand.”

Ron Bormans, voorzitter van het College van Bestuur van de Hogeschool Rotterdam, ziet schurende belangen tussen de rol van de hogeschool als maatschappelijk instituut en als werkgever. “Het zou ook kunnen zijn dat we een beetje gevangen zitten in onze bedrijfseconomische belangen. Zodra we in Nederland een discussie starten over de omvang van het economisch domein, hebben we het wel over ongeveer 40 procent van het totale hoger beroepsonderwijs. Daar zit een gigantisch bedrijfseconomisch belang achter.”

Fouarge reageert daarop door een vraag te stellen: “Ben je er als hogeschool of universiteit om het aantal docenten te maximaliseren of om het menselijk kapitaal te optimaliseren? Die afweging moet je goed meenemen. Ik zeg niet dat al die docenten economie werkeloos moeten worden als er minder studenten zijn. Maar als onderdeel van jouw bedrijfseconomische processen speelt ook het om- en bijscholen van jouw arbeidskracht. Dus als je ziet dat er te veel docenten zijn in het economisch domein, kan je ze ook omscholen.” Het lijkt erop dat deze discussie nog wel even door zal gaan, maar het is goed dat het probleem in ieder geval besproken wordt.

Het hele congres kan via deze link teruggekeken worden.


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK