Uitspraken wetenschappelijke integriteitscommissies leiden tot verwarring

Nieuws | door Eva Baaren
3 februari 2021 | Er zitten fundamentele weeffouten in de klachtenprocedures van wetenschappelijke integriteitscommissies, zegt hoogleraar Rechtspleging Jonathan Soeharno van de UvA. Die fouten kunnen leiden tot onbegrip over uitspraken van de commissies, en kunnen schadelijk zijn voor wetenschappers.
Jürgen Ovens – Voorzichtigheid, rechtvaardigheden en vrede (1662)

Soeharno deed zijn uitspraak tijdens een themamiddag over plagiaat in onderwijs en onderzoek die werd georganiseerd door de VSNU en de UvAWie een klacht indient bij een commissie voor wetenschappelijk integriteit (CWI), kan daarop mogelijk te horen krijgen dat de beklaagde onderzoeker verwijtbaar onzorgvuldig is geweest, maar dat de klacht toch ongegrond is verklaardDergelijke boodschappen leiden tot onduidelijkheid bij wetenschappers, meent de hoogleraar en tevens voorzitter van de Commissie Wetenschappelijke Integriteit van de UvA. Ook is het moeilijk uit te leggen aan studenten en het publiek. 

Twee begrippen 

Volgens de rechtsgeleerde is die discrepantie een gevolg van het feit dat er niet altijd goed onderscheid gemaakt wordt tussen “het brede begrip van wetenschappelijke integriteit en de vele mogelijkheden om dit te schenden enerzijds, en het smalle bereik van de te sanctioneren schendingen anderzijds.” 

In het eerste, brede begrip is wetenschappelijke integriteit een “zaak van continue prudente herijking van de academische gemeenschap, zegt SoeharnoDaarbij gaat het om het maken van de juiste afweging in wisselende omstandigheden, om de fundamentele wetenschappelijke drijfveer te bewaken. Deze drijfveer draait om het socratische principe dat het beter is iets niet te weten, dan te menen dat je iets wél weet terwijl je het in feite niet weet. In de continu wisselende omstandigheden van de wetenschap worden er volgens de hoogleraar aan de lopende band integriteitsgrenzen overschreden: “Een wetenschapper is namelijk nooit zorgvuldig, objectief of onafhankelijk genoeg.”  

Dat kan ook niet, betoogt Soeharno, want die wetenschapper functioneert in een context waarin allerlei belangen, dilemma’s en verleidingen een rol spelen. Ook universiteitenonderzoeksfinanciers, tijdschriftredacties en peer reviewers schieten tekort. Zo zouden instellingen bijvoorbeeld moeten zorgen voor een veilige onderzoekscultuur, heldere instructies en protocollen. Dat lukt echter niet altijd, en meer tucht lost die problemen volgens Soeharno niet op.

Drie doodzonden 

Wetenschappelijke integriteitscommissies werken daarom met een tweede, smaller begrip van wetenschappelijke integriteit, waarbij de rol van instellingen, externe partijen en vakgroepen niet wordt meegenomen. Integriteitsschendingen bestaan in dit geval enkel uit persoonlijke gedragingen van een onderzoeker, voor zover die tegengesteld zijn aan de eerder genoemde kerndrijfveer van de wetenschap. Deze tegengestelde gedragingen kennen we als de drie wetenschappelijke doodzonden, namelijk plagiaat, falsificatie en fabricatie. “En zelfs daarbij wordt het pas menens als de schending intentioneel is”, aldus de hoogleraar.

Ook in de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit wordt onderscheid gemaakt tussen het brede begrip van integriteit en de drie typen schendingen die daadwerkelijk worden gesanctioneerd. In de praktijk wagen de commissies zich echter toch aan uitspraken die te maken hebben met het bredere integriteitsdomein. Een klacht over integriteitsschending kan dus ongegrond worden verklaard, terwijl er tegelijkertijd over verwijtbaar onzorgvuldig gedrag wordt gesproken, zonder dat er aan dat laatste een advies over sancties hangtBestuurscolleges kunnen op basis van een rapport dus vrijelijk verkiezen of, en hoe, te handelen.

Die situatie kan verwarrende gevolgen hebben, blijkt bijvoorbeeld uit één van de zaken die in 2013 behandeld zijn door het LOWI (het orgaan waarin klagers en beklaagden na uitspraken van universitaire commissies in hoger beroep kunnen). Een vrouwelijke onderzoeker die had nagelaten om significante verbanden te noemen in een wetenschappelijk artikel, kreeg een dubbelzinnige uitspraak die volgens een rapport van het orgaan tot grote onzekerheid bij de klaagster heeft geleid. De klacht leek in het CWI-rapport ongegrond te zijn verklaard, maar het College van Bestuur interpreteerde dit in de eerste instantie toch anders. Het LOWI stelde de onderzoeker uiteindelijk in het gelijk en adviseerde het CvB om haar niet te berispen. 

Ook de veelbesproken plagiaatklacht betreffende het proefschrift van de voormalige UvA-rector Dymph van den Boom, die in december 2019 door een externe integriteitscommissie ongegrond werd verklaard, deed veel stof opwaaien. Volgens het rapport van de commissie was er namelijk geen sprake van plagiaat, maar wel van “wat het beste kan worden aangemerkt als (een patroon van) slordigheden en tekortkomingen bij bronvermeldingen. De uitspraak leidde tot veel protest onder medewerkers van de UvA, die niet wisten hoe ze het gebrek aan sancties aan hun studenten moesten uitleggen.  

Gifbeker 

Hoe moeten onduidelijkheden in de toekomst dan worden voorkomen? “Je kunt twee dingen doen”, aldus Soeharno, óf de klachtdrempel verlagen, óf de beoordelingsdrempel verhogen.” Het eerste zorgt ervoor dat er meer typen klachten gesanctioneerd kunnen worden, het tweede dat er geen uitspraken meer worden gedaan over andere zaken dan integriteitsschendingen in de vorm van plagiaat, fabricatie of falsificatie.

Hoewel er geluiden zijn om de klachtendrempel te verlagen (zo pleit oud LOWI-voorzitter Kees Schuyt voor het toevoegen van belangenverstrengeling aan de drie doodzonden), ligt de voorkeur van Soeharno bij het verhogen van de beoordelingsdrempel: 

“Integriteitsklachten hebben een heel grote impact, niet alleen op de wetenschap, maar ook op de wetenschapper zelf. Zo is er in 2018 een onderzoek gedaan onder artsen, en de conclusie is dat alleen al de klacht een negatieve uitwerking heeft op zowel het functioneren als op de gezondheid van de arts in kwestie. Als je meer vormen van integriteit zou reguleren, haal je de lucht uit de wetenschap, en doe je bovendien het zelfcorrigerende vermogen van de academie tekort.” Daar komt bij, legt Soeharno uit, dat bepaalde handelingen in de ene disclipline wel geoorloofd zijn, en in de ander niet. “Denk bijvoorbeeld aan het weghalen van outliers in een dataset.” 

Als je toch uitspraken wil doen over onzorgvuldig gedrag,” gaat hij verder, “zorg dan voor een sanctiecatalogus, zodat er bij zowel de klager als de beklaagde duidelijkheid bestaat over de mogelijke gevolgen. Een wetenschapper heeft het recht om van tevoren te weten welke gifbeker haar of hem te wachten staat.” 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK