De universiteit moet zichzelf als onderwijsinstelling opnieuw uitvinden

Nieuws | door Ramon van Doorn
22 maart 2021 | Tijdens de Onderwijsdagen van de HAN en het Radboud werd duidelijk dat er meer verbinding moet zijn tussen wo, hbo en mbo. Vooral het wo, waar het opleiden tot onderzoeker resulteert in afgestudeerden met weinig praktijkervaring, kan nog veel leren van het beroepsonderwijs.
Vlnr: Jan Bransen, Presentator Raymond Reesink en Samantha Graus.

Han van Krieken, rector magnificus van de Radboud Universiteit, en Aly Smelt-Medendorp, Directeur Academie Educatie van de HAN, bespraken hun samenwerking tijdens de onderwijsdagen die georganiseerd werden door beide instellingen. “We zitten op één campus, en toch heb je soms het gevoel dat er een soort kloof tussen ons zit”, vindt Van Krieken. Smelt-Medendorp ziet die kloof ook, en vindt dat jammer. “Je zou elkaar heel goed kunnen aanvullen”, denkt ze.

De academiedirecteur van de HAN noemt hierbij als voorbeeld een project rondom kinderopvang en onderwijs. In dat project moesten studenten van het mbo, hbo en wo samenwerken. “De studenten waardeerden de kwaliteiten van de anderen heel erg. Zo waren er studenten van het ROC die heel goed konden organiseren, terwijl studenten van de Radboud wisten hoe het onderzoek in elkaar moest zitten.” Van Krieken ziet hierin de oplossing voor een probleem waar veel universitaire studenten na hun studie tegenaan lopen. “Als wij onze studenten los van elkaar opleiden, leren ze pas in de praktijk dat er ook andere deskundigheden zijn.”

Interprofessionele communicatie moet eerder aan bod komen

Binnen de Radboud Universiteit onderzoekt Jan Bransen al wat hieraan gedaan kan worden. Hij is hoogleraar Filosofie van de Gedragswetenschappen aan de Radboud Universiteit, en daarnaast ook Academisch Leider van het Radboud Teaching and Learning Centre. “Als Academisch Leider probeer ik samenwerking tussen onderwijsgevers uit te stralen en mensen te inspireren op dat vlak. Het doel is om iedereen te verbinden die zich druk maakt om de kwaliteit van het onderwijs.”

Bransen denkt dat de wisselwerking tussen wo, hbo en mbo eigenlijk al zou moeten plaatsvinden tijdens opleidingen. “In je loopbaan zul je met allerlei verschillende mensen met allerlei verschillende opleidingen te maken hebben. Dat we de universiteit zo isoleren op een campus brengt met zich mee dat studenten pas te maken krijgen met interprofessionele communicatie op het moment dat ze gaan werken. Dan moeten ze ineens praten met iemand die heel anders opgeleid is dan zij.”

Meld u hier aan voor de ScienceGuide Nieuwsbrief 

 

Je móét naar de universiteit

De onderliggende reden van de ontstane kloof tussen de verschillende onderwijslagen is een groter maatschappelijk probleem, denkt Van Krieken. “We zien in Nederland vaak dat vwo-leerlingen naar het wo móéten, maar ik denk dat een heleboel studenten gelukkiger zouden zijn op het hbo. Tegelijkertijd zien we soms ook dat vmbo-scholieren uiteindelijk met een hele omweg op de universiteit terechtkomen.”

Volgens Bransen is deze ontwikkeling niet houdbaar. “We trekken scholieren al vanaf een jaar of twaalf uit elkaar, en we blijven ze continu motiveren om voor het hoogst haalbare te gaan. Daardoor ontstaan er ook ‘afstromingen’. Je kunt afstromen naar het hbo, naar het mbo, maar als je ‘verstandig genoeg’ bent kom je bovenaan bij de wetenschap uit. Dat is echter niet het enige pad. De associatie van ‘hoger’ met ‘theoretisch’ en ‘lager’ met ‘praktisch’ is dodelijk voor de organisatie van de samenleving en voor de plaats die we in de samenleving aan het onderwijs geven.”

Juist omdat het onderwijs hierin zo’n grote rol speelt, denkt Bransen dat het onderwijs hier ook de oplossing voor kan hebben. In Nijmegen zou dit goed mogelijk moeten zijn. “We hebben een campus waar zowel het Radboud als de HAN zit. Daarnaast zit verderop in de stad ook een ROC met mbo-opleidingen. We zouden ons meer moeten inspannen om die groepen bij elkaar te brengen.”

Meer ontwikkelen, minder opleiden

Hoe die wisselwerking praktisch moet uitpakken is echter een lastig vraagstuk. “Om studenten van verschillende faculteiten samen te laten werken, stuit je onmiddellijk op een heleboel roosterproblemen”, legt Bransen uit. “Dat komt ook doordat opleidingen alles helemaal volbouwen, want het onderwijs is nu georganiseerd vanuit het idee van de opleiding, en niet vanuit het idee van de student die zich ontwikkelt.”

Om daar wel te komen zijn een aantal stappen nodig, denkt Bransen. “Binnen de universiteit moeten onze twee hoofdtaken, onderzoek en onderwijs, geïntegreerd zijn. Onderzoek is nu vaak waar carrières om draaien, en onderwijs is daar een afgeleide van. Ik zou graag zien dat we dat omdraaien.”

Als gevolg daarvan zouden docenten door een andere bril gaan kijken naar onderzoek. “Een onderzoeker doet in wezen hetzelfde als een student: leren en ontwikkelen. Als je het zo bekijkt, is het niet zo gek dat onderwijs en onderzoek samengaan. Dan kun je als docent een voorbeeld van onderzoek zijn voor studenten. Hiervoor moet je echter wel het onderwijs anders organiseren. Het onderwijs moet niet opleidingsgericht zijn, maar ontwikkelingsgericht.”

Studenten gaan een praktijk in die universiteiten niet kennen

Samantha Graus, Adviseur Leren en Ontwikkelen bij de HAN, denkt dat universiteiten hierin kunnen leren van hogescholen. “Wij hebben in het hbo drie pijlers: het onderwijs, de beroepspraktijk en onderzoek. Het combineren van die drie peilers heeft ons geleerd dat de beroepspraktijk vaak centraal moet staan in de toetsing. Daarom vragen we ons steeds af wat de beroepspraktijk nodig heeft van een student die in die praktijk wil werken als volwaardig collega. Toetsing is daarmee dus ook een soort middel om bij te dragen aan de ontwikkeling van die student.”

Bransen is hier eigenlijk best jaloers op. “Dat is één van de dingen waar wij het meeste van kunnen leren. Een docent kan aan een toets zien hoe ver een student is, maar je wilt uiteindelijk dat de student zichzelf gaat toetsen. Als studenten gaan reflecteren en nadenken over waarom ze iets doen, dan zijn ze eigenlijk zichzelf aan het toetsen. Daar moet je als docent wel bij blijven natuurlijk, want je moet weten of een student klaar is voor de volgende stap of niet.”

Om dit tot een succes te maken, moeten universiteiten volgens Bransen wel een hele verandering doormaken. “De universiteit is van oudsher een plek waar onderwijs en onderzoek samengaan. We leiden studenten in wezen op om onderzoeker te worden, maar inmiddels hebben we zoveel studenten binnen de universiteit dat 90% of 95% van hen niet binnen de universiteit gaat werken. De universiteit moet zichzelf als onderwijsinstelling dus echt opnieuw uitvinden, want onze studenten gaan een praktijk in die wijzelf vaak niet kennen. Als we dus morgen beginnen met het samenbrengen van studenten uit het wo en het hbo, zou het zomaar kunnen dat wo-studenten ontdekken dat er voor hen veel meer leergenot te vinden is op het hbo.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK