Studiesucces begint op het voortgezet onderwijs

Nieuws | door Michiel Bakker
10 maart 2021 | Studiesucces binnen het hoger onderwijs begint bij een goede aansluiting vanuit het voortgezet onderwijs, blijkt tijdens een Rotterdamse werkconferentie over aansluiting tussen vo en ho. Die aansluiting is tijdens deze coronacrisis nog belangrijker dan anders. Tijdens de conferentie stond men onder meer stil bij een onderzoek naar vroege uitvallers, hun verwachting vooraf en de sense of belonging van studenten.
Rotterdam. Beeld: Rene Mensen.

Zowel in het voortgezet onderwijs (vo) als in het hoger onderwijs (ho) staat de aansluiting tussen die twee onderwijslagen steeds meer in de belangstelling, niet in de laatste plaats vanwege de coronaperikelen. Binnen de Rotterdamse onderwijsgemeenschap wordt er daarom veel over nagedacht. Die inspanningen hebben hun beslag gekregen in het samenwerkingsverband Samen werken aan een betere aansluiting vo-ho. Daarbij zijn 57 vo-scholen uit de regio Rijnmond-Drechtsteden aangesloten, alsook alle Rotterdamse hogescholen en de Erasmus Universiteit. Op 9 maart werd een werkconferentie van het samenwerkingsverband georganiseerd.  

Samen bieden wat studenten nodig hebben 

Tijdens een eerdere sessie hebben de betrokken onderwijsbestuurders hun gezamenlijke ambities met betrekking tot aansluiting uitgesproken, wordt aan het begin van de bijeenkomst vertelt. Daarna heeft men studenten naar hun ervaringen met de aansluiting tussen het vo en het ho gevraagd. Daarbij vertelden studenten onder meer dat een goede oriëntatie tijdens lessen in Loopbaanoriëntatie en Begeleiding (LOB) voor rust in het keuzeproces zorgt.

Verder blijkt het goed te zijn om vo-leerlingen alvast wat onderzoeksvaardigheden te laten ontwikkelen in de mediatheek. Het zijn dan ook dergelijke onderwerpen waarmee het Rotterdamse samenwerkingsverband zich bezighoudt, naast bijvoorbeeld de schrijfvaardigheid van leerlingen en de manier waarop hun profielwerkstuk is opgezet.  

Ook studentenwelzijn is een belangrijk thema in de gesprekken over de aansluiting vo-ho. Van eerstejaars ho-studenten wordt immers meer zelfstandigheid en zelfredzaamheid verwacht dan van vo-leerlingen, en niet elke student weet zich te redden na die verandering. Claudia Gomes, onderzoeker bij de Hogeschool Rotterdam, onderzoekt jaarlijks hoe het met eerstejaars studenten gaat na hun eerste honderd dagen binnen het hoger onderwijs. Tijdens de sessie van het Rotterdamse samenwerkingsverband vertelt ze over haar onderzoek. 

Meld u hier aan voor de ScienceGuide Nieuwsbrief 

 

Uitval na honderd dagen 

Het 100-dagen-onderzoek wordt jaarlijks uitgevoerd onder voltijd bachelor- en associate degree-studenten om te monitoren welke factoren gerelateerd zijn aan studiesucces. Daarbij kijken de onderzoekers voornamelijk naar factoren waarop de opleiding zelf invloed heeft. Na honderd dagen hebben studenten een volledige onderwijscyclus doorlopen, weten ze nog hoe het proces van hun studiekeuze is gegaan, weten ze nog hoe ze zich aan het begin van hun opleiding voelden, en ook hoe dat na honderd dagen is”, legt Gomes uit.  

Studenten die na honderd dagen zijn uitgevallen blijken op een aantal punten significant te verschillen van studenten die verder studeren. Daarbij gaat het om hun beeld van de opleiding, de aansluiting tussen vo en ho, de didactische vaardigheden van de docent, de self-efficacy van studenten en de sense of belonging van studenten.  

Verkeerde verwachtingen leiden sneller tot uitval 

Van de uitgevallen studenten gaf slechts 29 procent aan dat de opleiding conform hun verwachting was. “Het is dus belangrijk om voor de poort al te kijken in hoeverre een opleiding bij je capaciteiten en je interesses past”, aldus Gomes. Ook beoordeelden studenten die uitvielen de aansluiting tussen hun vooropleiding en de gekozen opleiding lager dan studenten die niet uitvielen. Vooral het niveau van de gekozen opleiding bemoeilijkte de aansluiting, maar ook de balans tussen studie en privé en de vereiste schrijfvaardigheid bleken belangrijke factoren in de aansluiting. “Als bijvoorbeeld de toetsing bij een studie veelal neerkomt op schriftelijke verslagen, kan het dus goed zijn om dit al van tevoren richting potentiële studenten te communiceren”, gaf Gomes als tip mee. 

De uitgevallen studenten blijken ook significant andere ervaringen met het gedrag van docenten te hebben dan studenten die niet uitvallen. Wanneer een docent lage verwachtingen heeft van een student, is dat terug te zien in het gedrag van de docent, vertelt Gomes. Dat heeft vervolgens impact op een student: wanneer een docent een lage verwachting lijkt te hebben en de betreffende student vervolgens ook laag scoort, zal een student sneller afhaken. Het is daarom onder meer belangrijk dat docenten geen lage verwachtingen hebben van studenten, aldus Gomes. 

De psychologie van de student 

Naast een goede aansluiting en de houding van docenten speelt ook de psychologie van de student een rol in het al dan niet uitvallen. Ten eerste is de self-efficacy, de overtuiging van een student dat deze de studie succesvol kan afronden, belangrijk. Studenten met een lage self-efficacy blijken namelijk sneller uit te vallen, onder meer omdat ze bij tegenslag meer moeite hebben om nog in zichzelf te vertrouwen. Uitgevallen studenten twijfelen daarbij vooral op het punt ‘capaciteit’ aan zichzelf. Daarnaast blijken studenten die niet zijn uitgevallen van tevoren ook hogere verwachtingen van zichzelf te hebben gehad. 

Ook de sociale en economische binding van studenten blijkt een rol te spelen in het uitvallen van studenten. Daarbij is niet alleen een frequent en wederzijds geïnteresseerd contact tussen docenten en studenten belangrijk, ook de ‘sense of belongingvan studenten speelt hierin een grote rol. Deze ‘sense of belonging‘, het gevoel ergens bij te horen en het zichzelf aan anderen binden, is echter lastig te orkestreren; het is namelijk volstrekt subjectief. Tegelijkertijd is het van groot belang, want pas als een student een sense of belonging ervaart kan diegene zich volledig richten op de leerdoelen, vertelt Gomes. 

Verhogen van sense of belonging vraagt om maatwerk 

In haar eigen onderzoek heeft ze ontdekt dat er een aantal factoren rondom sense of belonging zijn waarop uitvallers significant lager scoren dan studenten die niet uitvallen. Het gaat daarbij om de mate waarin ze zichzelf kunnen zijn, in hoeverre ze zich comfortabel voelen in de klas, wat de kwaliteit van de relaties met zowel hun medestudenten als hun docenten is, en in hoeverre ze kennis hebben van hulpbronnen in het geval ze die nodig hebben.  

Wanneer men de sense of belonging van studenten wil verbeteren, zal men zich dus op deze factoren moeten richten, blijkt uit het verhaal van Gomes. Daarbij is het echter belangrijk om te onthouden dat dit maatwerk vereist; de opbouw van een sense of belonging kan immers per student verschillen. 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK