Nederlandse verkiezingscampagnes moeten gereguleerd worden

Interview | door Katie Digan
28 april 2021 | Grote sommen geld ontvangen van buitenlandse en binnenlandse donateurs en online politieke advertenties toespitsen op de individuele kiezer die ze te zien krijgt: in verkiezingstijd mag het in Nederland allemaal. Promovendus Leon Trapman onderzoekt wat de juridische mogelijkheden zijn om beperkingen aan verkiezingscampagnes te stellen. “Het is krankzinnig dat D66 een miljoen euro mocht krijgen van een tech-miljardair.”
“Op het moment dat je grenzen aan verkiezingscampagnes gaat stellen, verandert dat hoe je naar politieke partijen kijkt. Dat punt komt niet zo naar voren wanneer je geen juristen bij het publieke debat betrekt”, zegt Leon Trapman. Beeld: CC-BY-SA-NL-2.5

Trapman promoveert aan de Radboud Universiteit op een onderzoek naar Nederlandse verkiezingscampagnes en het gebrek aan regulering daarvan. “Het gaat dan vooral over de vraag welke juridische ruimte er is om verkiezingscampagnes te reguleren, en ook de vraag of men van die ruimte gebruik moet maken”, legt hij uit. “Waar moet een verkiezingscampagne aan voldoen om eerlijk te verlopen?”

Iedereen een persoonlijke verkiezingscampagne

Een van de manieren van campagnevoeren die op kritiek kon rekenen in de online verkiezingsstrijd was het zogeheten microtargeting. “Dat betekent dat je als partij online de campagneboodschap van je advertenties toespitst op het publiek dat je ermee probeert te bereiken”, legt Trapman uit. “Dus als jij op Facebook kijkt, krijg je een andere boodschap te zien dan wanneer ik kijk. Iedereen krijgt een persoonlijke verkiezingscampagne voorgeschoteld.”

De consequentie van microtargeting is dat de kiezer een vertekend beeld kan krijgen van wat een partij precies wil, vervolgt hij. “Als ik een advertentie te zien krijg waarin bijvoorbeeld staat dat een partij de basisbeurs terug wil invoeren, dan kan ik denken dat precies daar het zwaartepunt van het partijprogramma ligt. Mensen krijgen zo verschillende beelden van de partijen, en dat maakt het moeilijk om een zinvol debat te voeren.”

Schimmige campagnes

Alle partijen doen inmiddels aan microtargeting, maar bijna alle partijen hebben ook iets in hun verkiezingsprogramma staan over de macht van grote bedrijven als Google en Facebook en vinden dat daaraan iets gedaan moet worden, legt de jurist uit. “Het is dus een beetje dubbel: iedereen doet het, maar er kleeft ook een vieze smaak aan.” Microtargeting kan op zich ook een plaats hebben in eerlijke verkiezingen, vervolgt hij, “maar een belangrijke voorwaarde is dat partijen er transparant over zijn. Dus dat je bijvoorbeeld ergens op hun website alle verkiezingsboodschappen kunt inzien die een partij verspreidt. Dan kun je een debat voeren over wat een partij nou eigenlijk beweert tijdens de campagne”.

Meld u hier aan voor de ScienceGuide Nieuwsbrief

 

Op internationaal niveau zijn er gedragscodes voor microtargeting en de manieren waarop sociale media tijdens campagnes worden ingezet, vertelt Trapman. “In Nederland is de verkiezingscampagne echter gewoon niet gereguleerd. Nu microtargeting wordt ingezet, krijgen we een beetje schimmige campagnes die zich aan de openbaarheid onttrekken. Dan denk je wel, moeten we ondertussen toch niet iets gaan ondernemen? Die vrijheid die in Nederland van oudsher aan partijen wordt gegeven begint uit de tijd te raken, denk ik.”

In Nederland mag je doen wat je wilt

Ook de financiering van de verkiezingscampagnes zou aan banden gelegd moeten worden, meent Trapman. “Je moet als politieke partij verantwoording afleggen over giften die je voor je campagne ontvangt. Maar er is geen limiet aan het bedrag dat je mag uitgeven of binnenkrijgen. Je mag in Nederland doen wat je wilt.” De urgentie om hier beperkingen aan te stellen mist in Nederland, legt hij uit, omdat er niet veel problemen uit de ongereguleerde campagnes voortkomen. “Duitsland bijvoorbeeld tilt veel zwaarder aan het functioneren van politieke partijen, niet heel verwonderlijk gezien hun geschiedenis”.

Toch zou Nederland er goed aan doen om Europese voorbeelden te volgen, meent Trapman. “Kijk maar naar wat er in andere landen allemaal geregeld wordt, zoals een plafond stellen aan het bedrag dat je mag ontvangen of uitgeven aan een campagne. Dat zijn best normale dingen in Europa. Nederland zegt nog altijd: dat doen we niet, daar hebben we geen zin in.”

Naar de pijpen van een gulle gever dansen

Trapman ziet dit vrije beleid rondom giften voorlopig ook niet veranderen. De regering wil nu echter wel de giften uit het buitenland aan banden leggen, zegt hij. “We zijn bang voor de Russen en voor de Chinezen, die urgentie wordt nu wel gevoeld.” Dat verbod geldt echter niet voor giften van binnen de Europese Unie, vervolgt hij, omdat daar vrij verkeer van kapitaal geldt. “Die donateurs zijn mensen of entiteiten die niks met de Nederlandse democratie te maken hebben en hier geen stemrecht hebben. Die gaan dan hier een beetje politieke partijen lopen financieren. Waar slaat dat op, waar bemoeien zij zich mee?”

Het ontvangen van grote giften is dan wel toegestaan, in de media kan het partijen op kritiek komen te staan. “Het was afgelopen campagne D66 die een miljoen euro kreeg van een tech-miljardair. Dat is krankzinnig, dat je een miljoen euro aan een politieke partij kunt geven, zelfs al hoef je er niks van terug. Zo’n bedrag financiert een halve verkiezingscampagne.” Ook al staat er niets tegenover zo’n gift, een dergelijk grote donatie kan wel de schijn van beïnvloeding wekken, legt Trapman uit. “Bij buitenstaanders kan toch het beeld ontstaan dat D66 danst naar de pijpen van een gulle gever. Bovendien trekt D66 van leer tegen de macht van techbedrijven, terwijl ze zelf grootverbruiker waren afgelopen campagne.”

Het publieke debat rondom verkiezingscampagnes

De verkiezingscampagnes worden in verkiezingstijd uitgebreid in de media besproken. Trapman is blij met die aandacht en uitleg over verkiezingscampagnes voor het Nederlandse publiek. “Zeker als een krant bijvoorbeeld op een rijtje zet welke torenhoge bedragen sommige partijen ontvangen van buitenlandse investeerders, dat is heel erg goed om te weten.” Die noodzaak aan transparantie begint gemeengoed te worden, constateert Trapman.

Het valt hem echter op dat er relatief weinig juristen aan het woord komen over de regulering van campagnes. “Het is interessant dat we zo weinig regels hebben voor die verkiezingscampagne. Op het moment dat je hier grenzen aan gaat stellen, verandert dat hoe je naar politieke partijen kijkt. Dat punt komt niet zo naar voren wanneer je geen juristen bij dat debat betrekt. Ik denk dat daar wel een meerwaarde kan liggen.”

In de media is er weinig ruimte voor voortschrijdend inzicht

Trapman voelt er zelf ook wel wat voor om zich in het publieke debat te mengen. “Ik vind mijn onderzoek leuk omdat het maatschappelijk relevant is. Als ik zes jaar lang aan een boek werk wat dan door een commissie wordt gelezen waarna ik gepromoveerd ben, dat is aardig, maar dit is zo’n belangrijk en relevant onderwerp dat ik er graag meer mee zou doen.”

Dat hij dat tot nu toe nog niet gedaan heeft, ligt deels aan het feit dat zijn onderzoek nog in ontwikkeling is. “Ik wil niet de kans lopen dat ik nu iets van de daken schreeuw en er over een paar jaar iets anders in mijn boek staat. ‘Eerst nog maar even verder lezen en er iets meer van begrijpen voordat ik me in het publieke debat meng’, denk ik dan.”

Dit voortschrijdend inzicht, dat in academisch onderzoek heel normaal is, lijkt moeilijk te vertalen te zijn naar het bredere publiek. “Je wil niet weten hoeveel stukken tekst ik alweer heb weggegooid omdat het toch weer anders moest. Dat gebeurt aan de lopende band. Als het bij een breder publiek verspreid raakt, kun je tot in lengte van dagen lezen: ‘oh ja, wat daar toen stond en wat iedereen nu kan lezen, dat was fout’.”

Hoewel Trapman interesse heeft in het publieke debat, ziet hij het niet als zijn academische plicht eraan mee te doen. “Maar ik vind het wel belangrijk dat bijvoorbeeld de Tweede Kamer kennis van mijn onderzoek kan nemen. Mijn onderzoek richt zich sterk op wetgeving, dus zij zouden het moeten lezen.” Zijn juridisch onderzoek is daarnaast ook lastiger naar een breder publiek te vertalen, vervolgt hij. “Mijn verhaal is vaak best taai en juridisch, dus mijn publiek bestaat dan eerder uit de mensen die dat taaie en juridische gewend zijn. Alhoewel het me wél hartstikke leuk lijkt om eens in de media met Jort Kelder in gesprek te gaan. Dat lijkt me een avontuur, om daartegenover te zitten.”


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK