Succes ontwerpgericht onderwijs staat of valt met professionalisering docenten

Interview | de redactie
9 juni 2021 | Het succes van ontwerpgericht onderwijs is afhankelijk van de professionalisering van docenten, heeft men bij NHL Stenden geleerd. “Sommige docenten waren extreem kritisch jegens het onderwijsconcept, maar toen ze zagen wat het met studenten deed, zijn ze er hard mee aan de slag gegaan.” Spannend blijft het echter wel. “Docenten moeten studenten meer loslaten dan eerst; dat kan best ingewikkeld zijn.”
“Het werken met oplossingsgerichte processen en vraagstukken uit de praktijk vraagt om een andere benadering van het onderwijs”, vertellen Corrie Sinia en Patrick van Aalst van NHL Stenden. Beeld: Archief Corrie Sinia en Archief Patrick van Aalst.

Nadat NHL Stenden in 2018 uit een fusie van twee hogescholen ontstond, werd die gelegenheid te baat genomen om een nieuw onderwijsconcept over de breedte van de hogeschool te introduceren: Design Based Education. Nu, bijna drie jaar later, is die implementatie nog niet klaar, maar het gevoel is goed. “Het is in wezen een groot experiment, maar we zien al mooie resultaten. Het dóet iets met studenten”, vertellen Corrie Sinia en Patrick van Aalst. 

Onderwijs als ontwerpproces 

“Ons onderwijsconcept heeft vijf facetten”, vertelt Corrie Sinia, projectleider Design Based Education bij NHL Stenden. “Design thinking, waarop het is gebaseerd; multidisciplinair samenwerken; duurzaam onderwijs; internationaal en intercultureel werken; en persoonlijk leiderschap. Daarnaast behandelen we in ons onderwijs zo veel mogelijk real life casussen die direct afkomstig zijn uit het werkveld, waar mogelijk op een multidisciplinaire manier.”  

Aangezien het DBE van NHL Stenden is gebaseerd op design thinking, bestaat het onderwijs in lijn daarmee voornamelijk uit ontwerpprocessen die ruimte laten voor de creativiteit van studenten in het ontwerpen van producten en oplossingen, vertelt Sinia. “Een ontwerpende mindset, daar richten we ons op.” Dat ontwerpende, procesmatige denken loopt als een rode draad door het onderwijs. “Het leerproces, het ontwerpproces en het onderzoeksproces zijn binnen ons onderwijsconcept met elkaar verweven. Als studenten een beroepsproduct ontwikkelen, kijken ze natuurlijk naar de kwaliteit daarvan, maar ook naar de lessen die ze tijdens het ontwerpen hebben geleerd.” 

Voorzichtig in het diepe gegooid 

Zodoende zijn de studenten meer bezig met hun eigen leerproces dan studenten op een gemiddelde andere hogeschool. Daarop worden ze dan ook terdege voorbereid, vertelt Patrick van Aalst, projectleider van het atelier Digitale Didactiek bij NHL Stenden. “Veel studenten komen binnen vanaf de havo en zijn gewend dat een docent precies vertelt wat ze moeten doen, waardoor hun leerproces vooral bestaat uit het volgen van vooraf aangegeven stapjes. Die studenten moeten daarom eerst een transitie doorgaan en veel meer zelf gaan nadenken over wat belang heeft en wat een bepaald vraagstuk nodig heeft. Daarmee helpen we hen, het meest nadrukkelijk in het eerste studiejaar.” 

Meld u hier aan de ScienceGuide Nieuwsbrief

 

Ook het feit dat men al vanaf het eerste studiejaar zo veel als mogelijk met real life vraagstukken werkt heeft invloed op het leerproces van studenten, vertelt Sinia. “Die vraagstukken zijn immers actueel en onvoorspelbaar; dat prikkelt het leerproces van studenten. We gooien hen dus voorzichtig in het diepe, maar niet zonder hen zwembandjes mee te geven.” 

Samen met het werkveld onderwijs vormgeven 

Het werken met oplossingsgerichte processen en vraagstukken uit de praktijk vraagt om een andere benadering van het onderwijs, legt Van Aalst uit. “In een ideale situatie wordt die theorie afgestemd op hetgeen studenten tegenkomen bij het behandelen van die vraagstukken. De werkgever, de studenten en de docenten gaan dan met elkaar in gesprek om te kijken wat er nodig is aan theorie. Zeker bij multidisciplinaire ateliers, waar meerdere opleidingen gelijktijdig aan vraagstukken werken, komen studenten uit allerlei hoeken en nemen ze allerlei vragen met zich mee. De rol van een docent is daardoor niet die van iemand die heel strikt een serie lessen voorbereidt; de docent helpt de studenten om de materie van de praktijkvragen helder te krijgen.”  

Waar er in het eerste jaar van opleidingen nog voornamelijk voor gerichte opdrachten wordt gekozen, mogen die opdrachten verderop in de opleiding meer onvoorspelbaar zijn, vertelt Sinia. “We hebben bijvoorbeeld een multidisciplinair atelier Sociaal Domein waarin studenten alvast ervaren hoe moeilijk het kan zijn om elkaar daarin te verstaan. Wat een bestuurskundige onder een ‘besluit’ verstaat, kan iets heel anders zijn dan wat een sociaal werker daaronder verstaat. Het kan heel spannend zijn om die verschillen in je onderwijs te betrekken, maar in de werkelijkheid van het sociaal domein bestaan die verschillen ook.”  

Bedrijven moeten geïnteresseerd zijn in leerprocessen 

Gezien het belang van casussen uit het werkveld is de relatie met dat werkveld erg belangrijk. “We hebben geleerd dat de relatie met werkgevers niet meer die van opdrachtgever-opdrachtnemer kan zijn”, vertelt Sinia. “In ons onderwijsconcept heb je werkgevers nodig die partners zijn, die niet alleen geïnteresseerd zijn in een goedkope oplossing voor een probleem, maar die interesse hebben voor het leerproces van studenten. Ze moeten partners zijn die samen met ons de studenten opleiden.” 

De bedrijven waarmee wordt samengewerkt moeten ook geïnteresseerd zijn in de manier van werken die studenten vanuit de hogeschool meenemen, voegt Van Aalst toe. “De bedrijven waarmee we samenwerken zijn bereid om te investeren in toekomstige professionals waarmee zij later ook echt iets kunnen, wat zorgt voor een heel vruchtbare uitwisseling tussen onderwijs en werkveld.” 

Verwevenheid van onderzoek en onderwijs 

Ook de koppeling tussen onderzoek en onderwijs moet een natuurlijk plaats krijgen binnen het DBE van NHL Stenden. “Nog lang niet alle opleidingen hebben DBE volledig ingezet, maar onze intentie is om produceren, onderzoeken en leren zodanig met elkaar verweven te doen zijn dat ze niet meer als gescheiden onderdelen worden herkend”, schetst Van Aalst. “Het onderzoeken moet deel zijn van het beter begrijpen van de oplossingen die studenten tijdens opdrachten bedenken, en tegelijkertijd moet de oplossing een manier zijn om het probleem beter te begrijpen.” 

“Docenten moeten studenten meer loslaten dan eerst; dat kan best ingewikkeld zijn.”

Tegelijkertijd wordt het onderzoek ook op een meer formele manier bij het onderwijs betrokken, vult Sinia aan. “Vooral bij de ateliers proberen we lectoren en onderzoekers structureel te betrekken. Sommige ateliers zijn nauw verweven met lectoraten, en sommige lectoraten zijn zelfs aanjagers van ateliers geweest. We kiezen daarom ook voor lectoren die betrokken zijn bij het onderwijs; die moeten niet op hun eigen eilandje onderzoek gaan doen.” 

Docenten kunnen hun lesprogramma niet dichttimmeren 

Nu sommige opleidingen van de hogeschool uit het noorden al bijna drie jaar bezig zijn met DBE, heeft men geleerd dat het succes van dit onderwijsconcept staat of valt met de rol van docenten. “Hoewel sommige docenten de verandering best moeilijk vonden, is hun gedrag en professionalisering cruciaal”, benadrukt Sinia. “Ze moeten studenten meer loslaten dan eerst; dat kan best ingewikkeld zijn.” 

Het onderwijsconcept van DBE vraagt om en fundamenteel andere houding van docenten, bevestigt Van Aalst. “Ze moeten veel meer meebewegen met studenten en hun houding bepalen vanuit het doel van de leeruitkomsten van studenten. Langzamerhand begint bij docenten het besef te komen dat ze hun programma niet helemaal kunnen dichttimmeren. We zien nu dat ze hun programma op hoofdlijnen gaan samenstellen, zodat ze ongeveer weten waar het naartoe gaat, en dat ze pas een paar weken van tevoren bepalen wat ze precies gaan doen tijdens een bepaalde bijeenkomst.” 

Daarnaast vraagt het DBE van docenten om teamspelers te zijn – ook iets wat veel docenten niet gewend waren, weet Sinia. “Vroeger was een docent bij ons individueel bezig; elke docent was baas in eigen klas. Binnen DBE moeten docenten echter als teams te werk gaan. Bij atelierbijeenkomsten is er vaak begeleiding van meerdere docenten tegelijk, dus ook die docenten moeten veel meer gaan samenwerken. Vooral docenten die experts zijn vinden dat lastig; ze moeten nu een meer coachende houding aannemen.” 

Niet alle docenten staan te springen 

Vanzelfsprekend zat en zit niet iedere docent op Design Based Education te wachten, vertelt Van Aalst. “Er zijn teams die zeggen ‘we gaan ervoor en we komen wel naar je toe wanneer we iets nodig hebben’; die teams moet je de ruimte geven. Tegelijkertijd zien we mensen die extreem kritisch zijn jegens het onderwijsconcept – tenminste, toen het werd geïmplementeerd. Nu ze eenmaal zien wat de impact van DBE kan zijn en hoe studenten tot ontwikkeling komen, zijn ze soms enorm verbaasd, en gaan vervolgens hard aan de slag om DBE te implementeren.”  

Toch blijven er ook docenten die moeite hebben met de transitie. “Sommige docenten zijn er echt van overtuigd dat directe instructie het meest effectieve onderwijs oplevert”, schetst Van Aalst. “Die kunnen veel moeite hebben met de transitie richting DBE. Dat hoeft echter niet erg te zijn; we moeten niet te veel hangen aan het idee van één type docent. We hebben juist een mix tussen vakinhoudelijke experts en goede ontwerpers nodig.”   

Goud in handen 

De moeilijkheden daargelaten is het overheersende gevoel bij NHL Stenden dat men goud in handen heeft met het onderwijsconcept van Design Based Education. “Vanuit visitatiecommissies krijgen we veel positieve reacties. Tegelijkertijd weten we dat we nog aan het experimenteren zijn”, houdt Sinia een slag om de arm. “We blijven dus kritisch op onszelf, en ook nog een beetje bescheiden. Maar ach, dat laatste is noorderlingen eigen.” 


Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
«

ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.

Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan

OK