Excellentie en impact blijven belangrijker dan gendergelijkheid voor financiering

Nieuws | de redactie
19 augustus 2021 | De handreiking van OCW bedoeld om gendergelijkheid op universiteiten te verbeteren roept vragen op bij rechtse partijen. Minister Van Engelshoven probeert deze partijen gerust te stellen door te benadrukken dat excellentie en impact de belangrijkste factoren blijven voor het ontvangen van Europese onderzoeksfinanciering.

In juli presenteerde demissionair minister van OCW Ingrid van Engelshoven een handreiking voor universiteiten om diverser te worden. Dit naar aanleiding van de verplichtingen die de Europese Commissie vanaf 2022 in gaat voeren: instellingen dienen dan te beschikken over een gender equality plan (GEP). Als dit niet het geval is komt er ook geen onderzoeksfinanciering vanuit Europa.

De minister was erg tevreden met het resultaat. “Ik ben blij dat deze handreiking concrete aanknopingspunten biedt voor alle instellingen, ongeacht hoever zij al zijn in het ontwikkelen van hun diversiteitsbeleid. Op deze manier kunnen alle instellingen een GEP vormgeven dat aan de eisen voldoet en desgewenst zelfs al een volgende stap zetten richting een breder diversiteitsplan.” Toch kwamen de VVD, het CDA en de SGP met extra vragen naar de minister.

Aantasting van de vrijheid

Zo denkt de SGP dat het “bijzonder risicovol is wanneer de kansen voor wetenschappelijk onderzoek vertroebeld gaan worden door bemoeienis op grond van politieke ambities.” Volgens de partij is het zelfs een “aantasting van de vrijheid van onderzoek”, maar minister Van Engelshoven benadrukt dat dit niet het geval is. “Het kabinet heeft zich er in de onderhandelingen over Horizon Europe (Europees innovatie- en onderzoeksprogramma, red.) hard voor gemaakt dat excellentie en impact leidende criteria zijn bij het beoordelen van onderzoeksvoorstellen. Deze uitgangspunten worden niet aangetast door de nieuwe eisen van de Europese Commissie.”

Meld u hier aan voor de ScienceGuide Nieuwsbrief

 

Daarnaast worden de GEP’s niet beoordeeld op de inhoud door Horizon Europe. Het dient alleen aanwezig te zijn, vertelt de minister. “Het toewijzen van onderzoeksbudgetten staat dus los van de inhoud van een gendergelijkheidsplan. De Europese Commissie geeft aan dat instellingen gevraagd worden om een zelfverklaring of een gendergelijkheidsplan aanwezig is, en gedurende Horizon Europe worden willekeurige steekproeven uitgevoerd om te zien of aan de eisen voldaan wordt.”

Dit betekent niet dat instellingen een halfbakken plan kunnen inleveren bij een onderzoeksvoorstel. Er zijn vier voorwaarden waar een GEP aan moet voldoen: ten eerste moet het document publiek zijn zodat iedereen het kan bekijken; daarnaast moet er ook budget klaarstaan voor de uitvoering van de plannen; verder moeten instellingen data verzamelen over hun medewerkers; en als laatste moeten universiteiten trainingen aanbieden over gender vooroordelen aan hun medewerkers.

Vooral het bijhouden van data roept bij het CDA vragen op. Zo is al eens een motie aangenomen door de Kamer om geen cijfers bij te houden over de etnische of migratieachtergrond van studenten en werknemers, en binnen het CDA leeft de vraag hoe hieraan voldaan kan blijven worden als het verzamelen van data over medewerkers verplicht wordt door de Europese Commissie. “Dit soort cijfers zijn geen onderdeel van de eisen van de Europese Commissie inzake het gendergelijkheidsplan”, antwoordt minister Van Engelshoven hierop. “De Europese Commissie vraagt om het bijhouden van cijfers over de manvrouwverhouding van verschillende functiecategorieën. Deze cijfers worden nu reeds door alle instellingen bijgehouden.”

Zowel verplichtingen als suggesties

Naast de verplichte voorwaarden doet de Europese Commissie ook nog een aantal aanbevelingen om gendergelijkheid te verbeteren. Genderquota in leidinggevende posities, genderneutrale vacatures en maatregelen tegen gendergerelateerd geweld en seksuele intimidatie worden als voorbeelden genoemd. De vraag wat precies het verschil is tussen vereisten en aanbevelingen kwam vanuit alle drie de bovengenoemde partijen, maar de minister benadrukt dat deze maatregelen niet nodig zijn voor het verkrijgen van financiering. Het plan wordt hierop ook niet inhoudelijk gecontroleerd door de Europese Commissie.

Daarnaast staan in de handreiking, die speciaal is gemaakt voor hogescholen en universiteiten, ook nog suggesties van de nationale adviescommissie op basis van wetenschappelijke literatuur en goede voorbeelden uit het veld. Vanuit de VVD kwam de vraag waarom deze commissie eigenlijk verder kijkt dan waar de Europese Commissie om vraagt. Ook kijken deze suggesties naar meerdere aspecten van diversiteit dan alleen gendergelijkheid, iets dat bij de liberalen ook de vraag oproept waarom dit gedaan is.

“Het actieplan gaat uit van een brede definitie van diversiteit,” antwoordt minister Van Engelshoven hierop, “die vraagt daarom om een intersectionele aanpak. Zoals in de handreiking staat vermeld gaat intersectionaliteit uit van het gegeven dat gender, culturele achtergrond, sociale klasse, seksuele oriëntatie en functiebeperking nauw met elkaar zijn verweven en dat dus ook binnen de categorie ‘gender’ sprake is van diversiteit. Dit maakt een intersectionele aanpak volgens de adviescommissie noodzakelijk voor het opstellen van een goed gendergelijkheidsplan.” Wel benadrukt de minister dat dit dus geen vereiste is voor Europese financiering.

Tot slot is het CDA ook nog benieuwd naar wat dit betekent voor de beoordelingscriteria die NWO hanteert, maar hiermee kan minister Van Engelshoven de christendemocraten niet verder helpen. “De wijze waarop NWO het beoordelen van voorstellen invult, valt binnen de vrijheid van NWO als zelfstandig bestuursorgaan. Ik heb dus geen directe rol in relatie tot de beoordelingscriteria die NWO opstelt.”