“Basiskwalificatie onderwijs moet startpunt voor continue ontwikkeling zijn”

Interview | de redactie
28 oktober 2021 | Een basiskwalificatie onderwijs (BKO) moet het begin, niet het eind van de ontwikkeling van een academisch docent zijn, zeggen Manon Kluijtmans en Susan te Pas van de Universiteit Utrecht. Zij werkten mee aan een herziening van de basiskwalificatie onderwijs (BKO) en senior kwalificatie onderwijs (SKO) die docenten nog meer dan voorheen moet stimuleren zich gedurende hun hele loopbaan te blijven ontwikkelen.
“We constateren nu dat we als docenten eigenlijk te weinig onderzoek doen naar ons eigen onderwijs”, vertellen Manon Kluijtmans en Susan te Pas. Beeld: Universiteit Utrecht.

Onlangs voerde de Universiteit Utrecht (UU) een herziene leergang basiskwalificatie onderwijs (BKO) in. In deze flexibele leergang ontwikkelen beginnende docenten de benodigde ervaring, kennis en vaardigheden om zelfstandig vakken te coördineren. Na een ontwikkeling naar het SKO-niveau kan een docent op basis van onderwijskundige inzichten ook cursusoverstijgend uitvoering en sturing aan het onderwijs geven. 

Geen eenmalige hoepel maar een voortdurend traject 

Waar de BKO en SKO nog te vaak nog werden gezien als een eindpunt van docentprofessionalisering, wil de Universiteit Utrecht met de herziene leergangen een verandering in de mentaliteit stimuleren.  



“Je moet de herziening van de BKO en SKO zien in het kader van voortdurende ontwikkeling en actualisering”, vertelt Manon Kluijtmans, hoogleraar Education to Connect Science and Professional Practice bij het UMC Utrecht en wetenschappelijk directeur bij het Centre for Academic Teaching van de UU. “De Universiteit Utrecht heeft in 1995 als eerste universiteit onderwijskwalificaties geïntroduceerd; de uitganspunten van toen staan nog steeds als een huis, maar het is goed om zo nu en dan te bespreken of we nog dezelfde koers varen als toen. Daarnaast is de onderwijskunde een veld dat zich ontwikkelt; af en toe moet je een leergang als de BKO daarom spiegelen aan de laatste inzichten.” 

Onderzoekers kijken niet vanzelf onderzoekend naar eigen onderwijs 

Een van de nieuwere inzichten met betrekking tot docentprofessionalisering betreft de onderzoekende houding van docenten, vertelt Kluijtmans. “We constateren nu dat we als docenten eigenlijk te weinig onderzoek doen naar ons eigen onderwijs. De BKO ontstond destijds als antwoord op de aanname dat een expert op een bepaald gebied de stof daaruit ook wel zou kunnen doceren; daar zijn we natuurlijk op teruggekomen – doceren is iets dat je echt moet leren. Een soortgelijke valkuil ligt in de aanname dat wij, omdat we onderzoekers zijn, ook onderzoekend naar ons eigen onderwijs kijken – terwijl het onderzoeken van onderwijs om een andere onderzoekshouding vraagt dan veel ander onderzoek.”  

Kluijtmans, die zelf is opgeleid als epidemioloog en in die hoedanigheid onderwijs gaf, vertelt dat haar biomedische onderzoek primair om getallen en statistieken draaide. “Het onderwijsonderzoek dat ik nu doe draait echter om complexe en minder meetbare, concepten zoals identiteitsontwikkeling. Dat vraagt om een andere, meer kwalitatieve, manier van kijken.”  

Omdat ook vakinhoudelijke elementen deel uitmaken van de onderwijskwaliteit, is het belangrijk dat docenten zelf onderzoek kunnen doen naar hun eigen onderwijs, legt Kluijtmans uit. “Vaak kun je een evaluatie van je onderwijs niet zomaar overlaten aan een externe onderwijskundige; die kan wel achterin de zaal gaan zitten en zien of iemand activerende werkvormen gebruikt, maar heeft vaak onvoldoende kennis van een ander onderzoeksveld om te kunnen beoordelen of studenten iets leren dat echt nuttig is voor hen.” 

Beter ingebed in onderwijskundige literatuur 

De Universiteit Utrecht is niet de enige universiteit die de eigen BKO-leergang zo nu en dan kritisch beschouwt. “Voordat we hieraan begonnen hebben we een landelijk review-proces gehad, een afstemming tussen voorzitters van BKO- en SKO-commissies. Ook daar hebben we ons vorige BKO/SKO tegen het licht gehouden, wat vervolgens een aanleiding vormde om het te actualiseren en concretiseren”, vertelt Susan te Pas, hoogleraar Cognitieve Psychologie van het Hoger Onderwijs en bestuurslid van het Centre for Academic Teaching. “Er zijn landelijke afspraken over de eindtermen van een BKO gemaakt. Daaraan hebben we zelf invulling gegeven in deze herziene BKO-leergang, die we dus zelf binnen de Universiteit Utrecht hebben ontwikkeld – hoewel daardoorheen de geest van Erkennen en Waarderen waait, die weer heel interuniversitair is. 

Vanzelfsprekend verschilt de herziene BKO-leergang op verschillende punten van de vorige. “Ik denk dat de kaders voor de faculteiten, die zelf een BKO-leergang aanbieden, nu explicieter zijn. Er zijn nu gezamenlijke richtlijnen voor een leergang; die zijn nu voor iedereen hetzelfde, wat voorheen niet het geval was”, legt Te Pas uit. “Daarnaast zijn de eindtermen van de leergang, die niet eens erg veranderd zijn, nu beter ingebed in de huidige onderwijskundige literatuur, bijvoorbeeld op het gebied van constructive alignment. De taakdomeinen van een docent zijn in lijn gebracht met recente inzichten die gebaseerd zijn op kaders voor wat een docent is en wat een docent zou moeten zijn. Er wordt dus meer naar docentontwikkeling gekeken.” 

Wensen van docent staan centraal in richting ontwikkeling 

De aandacht voor de ontwikkeling van een docent is voor Te Pas het grootste en belangrijkste verschil met de vorige BKO-leergang. “Er ligt nu veel meer nadruk op de permanente ontwikkeling van docenten. Voorheen werd het verkrijgen van deze basiskwalificatie vaak als een afsluiting van een leergang gezien, terwijl we het nu neerzetten als het begin van een voortdurende ontwikkeling.” Dat betekent niet vanzelfsprekend dat de herziene BKO meer van docenten vraagt, legt ze uit. “Wat eigenlijk meestal al gebeurde, is nu formeel vastgelegd. Het is dus niet extra, het is explicieter.” 

Daarnaast helpt die concretisering zowel docenten als leidinggevenden bij de gesprekken over de basiskwalificatie. “Soms was dat gesprek lastig, want leidinggevenden hebben soms minder aandacht voor ontwikkeling op het gebied van onderwijs. Nu bevat de BKO-leergang echter vanaf het eerste moment een ontwikkeldocument waarin de docent uiteenzet in welke richting ze zich als docent wil ontwikkelen. Aan de hand daarvan is het gesprek met leidinggevenden makkelijker te voeren. Let wel, ook voor leidinggevenden wordt het nu makkelijker. Zij zijn meestal geen experts op het gebied van docentontwikkeling, dus ook zijn krijgen nu meer houvast ten aanzien van de benodigde ontwikkeling van een docent.” 

Ruimte voor de eigen ontwikkeling van een docent is, geheel in lijn met het Erkennen en Waarderen programma, binnen de academie een basisvoorwaarde geworden, zegt Kluijtmans. “Zoals iemand zich ook voortdurend ontwikkelt als onderzoeker, hoort het er nu ook bij dat iemand zich voortdurend ontwikkelt als docent. Dit BKO sluit meer aan bij die geest van denken. Je wilt niet dat het BKO wordt gezien als een hoepeltje waardoorheen een docent eenmaal moet springen om gekwalificeerd te zijn, je wilt het als een markering in een doorgaande ontwikkeling zien.” 

Ook rondom de SKO, de senior kwalificatie onderwijs van de Universiteit Utrecht, is een en ander gewijzigd. “Daarover buigt zich nu een universiteitsbrede commissie zodat we een eenduidige lijn trekken in de gestelde eisen aan iemand die deze kwalificatie wil krijgen.” Er wordt namelijk steeds meer en steeds vaker interdisciplinair gewerkt, vertelt Kluijtmans, en dan is het belangrijk dat men bij iedere faculteit weet wat verwacht kan worden van iemand met een SKO waarmee je samenwerkt in onderwijs en onderwijsvernieuwing. 

Meer aanbod en maatwerk voor docenten 

Eén van de veranderingen die docenten zullen merken is het feit dat de BKO-leergang nu bij alle faculteiten verplicht is, wat tot voor kort nog niet het geval was. “Bij een aantal andere faculteiten zal er niet heel veel veranderen,” denkt Te Pas, “behalve dat de leergang beter gestroomlijnd en meer modulair zal zijn; meer keuze dus voor de docent in de flexibele schil, zodat het aanbod goed aansluit bij de persoonlijke ontwikkelwensen. Het BKO bevat bijvoorbeeld een aantal elementen waarin de faculteit het eigen strategisch plan een plaats kan geven. Ook wordt er nu aan het begin en aan het eind van de leergang een ontwikkeldocument opgesteld waarin meteen nagedacht wordt wat jíj als docent moet leren. Misschien neem je al ervaring of bagage mee; met het oog daarop kunnen we nu beter maatwerk aanbieden.” 

Daarnaast sluit het moreel van de herziene BKO-leergang beter aan bij andere professionaliseringsmogelijkheden die de Universiteit Utrecht aanbiedt, meent Kluijtmans. Zo kent de universiteit naast de BKO en SKO-leerganghet Start to Teach-programma, een kort lesprogramma voor beginnende docenten bij de Universiteit Utrecht. “We zien dat het Start to Teach-programma enorm wordt gewaardeerd. Dat programma zet het de toon voor de docentontwikkeling die verder wordt aangeboden in onder andere de BKO en de SKO”, aldus Kluijtmans. 

Om het onderzoek naar eigen onderwijs te stimuleren heeft de Universiteit Utrecht tevens een ondersteunings- en stimuleringsaanbod ontwikkeld in de vorm van een Educational Scholarship. Hierbij leren docenten zowel gebruik te maken van onderwijskundige kennis in het vernieuwen van het onderwijs als het generen van toegepaste en theoretische kennis over het onderwijs in een bepaald vakgebied. “Dit educational scholarship is een relatief nieuw domein voor veel docenten, maar wij zien het als belangrijk aanbod dat bijdraagt bij aan de onderwijskwaliteit.” 

Herziening BKO vloeit voort uit breder beleid 

Met de herziene BKO en SKO willen de betrokkenen bewerkstelligen dat men binnen de Universiteit Utrecht echt een onderwijscultuur gaat ervaren, legt Kluijtmans verder uit – “dat er niet alleen van je verwacht wordt dat je doceert, maar dat je wordt aangemoedigd en geacht om gebruik te maken van het aanbod aan cursussen en leergangen waarmee jij als docent je voortdurend kunt ontwikkelen. We hebben een heel breed aanbod – ik hoop dat het als een soort snoepkast wordt gezien – dat we zo goed mogelijk laten aansluiten bij de behoeften van onze docenten.” Volgens Kluijtmans is de herziening van het BKO daarom niet los te zien van het gehele beleid dat de Universiteit Utrecht voert “om docentschap een goede plek te geven in een academisch leven, en onderwijs de aandacht te geven die het verdient.” 

Te Pas beaamt dit nadrukkelijk. “In ons strategisch plan voor 2016 tot 2020 hadden we meerdere lijnen opgenomen. Zo wilden we meer onderwijskundig leiderschap in de vorm van hoogleraren met ‘onderwijs’ als aandachtsgebied, zochten we een betere manier om onderwijs te waarderen, en wilden we een Centre for Academic Teaching formeren. Die drie doelen zijn allen gerealiseerd, en de herziene BKO en SKO past volgens ons helemaal bij die drie ontwikkelingen; het is dus geen geïsoleerde wijziging geweest. Een doel waar we nu vanuit het nieuwe strategische plan heel actief mee bezig zijn is het beter Erkennen en Waarderen, omdat ook dat past in ons streven naar een onderwijscultuur met uitstekend onderwijs. Dat is iets waarmee we de komende jaren verder gaan.” 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK