Hoger onderwijsinstellingen zijn juist niet gericht op innoveren

Nieuws | de redactie
10 november 2021 | Als het hoger onderwijs in 2030 flexibel moet zijn, vraagt dat om grote stelselwijzigingen en een fundamentele verandering in de bekostiging, bleek tijdens de eerste dag van de SURF Onderwijsdagen. Daarnaast vertelden experts dat hoger onderwijsinstellingen een moeizame verhouding tot onderwijsinnovatie en nieuwe educatieve technologieën hebben.
SURF-voorzitter Jet de Ranitz tijdens de SURF Onderwijsdagen 2021.

“Het is imposant om iedereen hier zo te zien zitten,” begon SURF-voorzitter Jet de Ranitz de Onderwijsdagen, “het voelt al heel lang geleden dat ik zo’n volle zaal voor me had. Deze dagen zijn ervoor om de oogst op te halen van alles wat we in de afgelopen anderhalf jaar hebben meegemaakt, om over twee dagen naar buiten te lopen en te zien dat we hierdoor beter zijn geworden. Dat dit niet een verloren crisis is, maar een crisis die ons iets heeft gebracht.” 

Flexibel hoger onderwijs in 2030 

Tijdens de eerste dag van de Onderwijsdagen werd stilgestaan bij de toekomstige flexibilisering van het hoger onderwijs. Het hoger onderwijslandschap verandert namelijk snel, schetste Paul den Hertog van het Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT. Zo hebben reguliere studenten steeds meer mogelijkheden om flexibel te studeren, is leerwegonafhankelijke toetsing in opkomst, komt flexstuderen (oftewel het betalen per studiepunt) eraan, en lopen er al pilots waarbij studenten zonder administratieve moeite vakken kunnen volgen bij een andere instelling.  

Daarnaast is er steeds meer behoefte aan leven lang ontwikkelen-trajecten, aldus Den Hertog. “We zien dat er kraptesectoren zijn zoals het onderwijs, de ICT en de zorg – terwijl KLM te veel stewards en stewardessen heeft, mensen die ervaren zijn in het zorgen voor anderen. Kunnen we die niet omscholen?” Mede vanuit die groeiende behoefte lopen er daarom pilots met microcredentials, herkenbare en betrouwbare certificaten die men kan behalen door het volgen van kortere cursussen. “Dat zou een standaard certificaat kunnen worden naast de Associate degree, de bachelor en de master.” 

Flexibilisering vereist harmonisering 

In 2030 zal het hoger onderwijs flexibel moeten zijn, luidt de opdracht volgens Den Hertog. Eén van de grote uitdagingen daarbij is de daartoe vereiste harmonisering. “Als je flexibel wilt zijn, kun je niet op allerlei plaatsen met allerlei verschillende regeltjes en uitzonderingen werken”, aldus Den Hertog. “Nee, je zult dan een slimme, algemene afspraak moeten maken.” 

De harmonisatie van zowel het initieel als het post-initieel hoger onderwijs kent volgens het Versnellingsplan vier processtappen, namelijk registratie en toelating, onderwijs, toetsing, en certificering en diplomering. Bij alle stappen moet goed worden afgestemd welke acties studenten moeten uitvoeren, welke informatieobjecten daarbij van belang zijn (bijvoorbeeld gegevens over hun betaling), welke systemen daarin een rol spelen (bijvoorbeeld leerlingvolgsystemen), en hoe alles makkelijk en AVG-veilig kan worden gedeeld.  

We moeten niet elkaars concurrenten worden 

Gezien het nu nog sterk gefragmenteerde hoger onderwijslandschap is die harmonisatie hard nodig, schetste Den Hartog. “De verschillende ontwikkelingen en innovaties worden nu ofwel in Den Haag ofwel door individuele instellingen bedacht. Ze vinden dus plaats aan heel veel verschillende tafels en op heel veel verschillende plekken. Dat zorgt echter voor het gevaar dat ze elkaar in de weg gaan zitten, terwijl ze juist op hetzelfde punt moeten uitkomen en als losse stukjes in dezelfde puzzel moeten vallen. Daarom hebben we afstemming en regie nodig. We moeten ervoor zorgen dat we, met alle veranderingen in het aanbod, niet elkaars concurrenten worden.” 

Ondanks de vele verschillende initiatieven en ontwikkelingen zijn er wel overkoepelende trends te zien, vertelde Den Hertog. “We zien bijvoorbeeld dat er flexibeler wordt gedacht in kleinere eenheden; het onderwijs wordt bijvoorbeeld vaker georganiseerd in kwartalen in plaats van collegejaren. Dat biedt studenten meer flexibiliteit. Daarnaast zien we dat de vernieuwingen meestal niet meer geld of tijd mogen kosten dan de huidige opzet. Dat betekent dat we slimmer moeten werken.” 

Flexibilisering vraagt om andere bekostiging 

Ook op stelselniveau en op politiek niveau zullen er veranderingen nodig zijn om in 2030 flexibel hoger onderwijs te kunnen aanbieden, benadrukte Den Hertog. Zo is alle administratie bij onderwijsinstellingen nu nog ingericht rondom opleiding, wat een eenvoudige uitwisseling van gegevens tussen faculteiten of instellingen onmogelijk maakt. Daarnaast worden vakken of leeruitkomsten niet door alle instellingen eenduidig beschreven, wat uitwisseling en aanvulling moeilijker maakt.  

Niet alleen administratieve systemen, ook de huidige vorm van bekostiging van het hoger onderwijs zit flexibilisering in de weg. Die bekostiging is namelijk afhankelijk van het aantal diploma’s, niet van het aantal vakken of modules dat wordt afgerond. Een passende systematiek voor financiering en bekostiging, ook waar dat leven lang ontwikkelen aangaat, is volgens Den Hertog echter randvoorwaardelijk voor flexibilisering. 

“Het is dus wachten op een nieuwe minister met wie we als sector in gesprek kunnen gaan over de manier waarop we flexstuderen gaan vormgeven en effectief kunnen ondersteunen”, aldus Den Hertog. “Ook DUO en Studielink, evenals het gehele stelsel van het hoger onderwijs, zullen anders moeten worden georganiseerd.” 

Hoger onderwijsinstellingen zijn juist níet gericht op innoveren 

Ook aandacht voor innovatie en nieuwe technologieën ontbrak niet op de eerste dag van de SURF Onderwijsdagen. In een deelsessie presenteerde de werkgroep EdTech van het Versnellingsplan Onderwijsinnovatie met ICT voorbeelden van innovatie-trajecten van onderwijsinstellingen. Twee leden van de werkgroep, Rens van der Vorst van Fontys Hogescholen en Daan Fraanje van de Universiteit Utrecht, vertelden tijdens een deelsessie over de wijze waarop hun instellingen docenten in staat stellen om in hun onderwijs te experimenteren met innovatieve educatieve technologieën. 

“De overtuiging is vaak dat het onderwijs moet veranderen omdat de hele wereld verandert”, trapte Van der Vorst af. “Maar is dat zo? De mensen die de wereld veranderen komen vanuit het onderwijs; dat onderwijs zelf ondervindt geen dwingende noodzaak om te innoveren. Kort gezegd, wij in het hoger onderwijs wíllen niet innoveren. Ik ken een heleboel instellingen die juist in de problemen zijn gekomen met privacy of financiën omdat ze dingen anders gingen doen en zich niet meer aan de oude regels hielden. Wij willen niet innoveren, wij willen ons aan de regels houden.” 

Van der Vorst illustreerde die opvatting aan de hand van het geld dat wordt besteed aan allerlei verschillende ‘procedure-officieren’ die moeten worden betrokken bij een innovatief proces. De cultuur binnen hoger onderwijsinstellingen is zodoende geen vruchtbare voedingsbodem voor innovatie in het onderwijs. “Als je in die structuur met een idee komt, ben je zestien weken verder voordat iedereen ernaar heeft kunnen kijken en ben je per saldo dus nog geen stap verder. Als je een cultuur hebt waarin met zich vooral aan de regels wil houden maar tegelijkertijd innovatief wil zijn, zul je voor die innovatie ‘vrije ruimtes’ moeten maken.” 

In één week een experiment voor zes maanden starten 

Bij Fontys Hogescholen heeft men zo’n vrije ruimte waarbinnen een experimenteer-proces kan plaatsvinden, legde Van der Vorst uit. Onder die regeling kan een docent met een goed idee of een specifieke behoefte heel gemakkelijk de gelegenheid krijgen om daarmee te experimenteren. De eerste vereisten zijn dat er al een specifiek product moet zijn, dat het minder dan honderd studenten aangaat, dat het experiment minder dan zes maanden duurt en minder dan tienduizend euro kost. Daarnaast moet het een aantoonbare didactische meerwaarde hebben. Als aan die voorwaarden is voldaan, volgt een controle van de informatieveiligheid van de toepassing en wordt ervoor gezorgd dat contracten, budgettaire regelingen en afspraken in orde worden gemaakt.  

“Wij willen een cultuur creëren waarin ruimte is voor innovatie, waarin het voor docenten mogelijk is om aan de slag te gaan met goede ideeën. De vrije experimenteerruimte die we hebben opgetuigd maakt dat mogelijk; waar het eerst zestien weken duurde voordat een experiment kon starten, kan dat bij ons binnen een week – en na zes maanden heb je de resultaten van je experiment.” 

Ervaringen docenten en studenten zijn belangrijk 

Ook bij de Universiteit Utrecht besteedt men veel aandacht aan experimenteer-processen met educatieve technologie, vertelde Daan Fraanje, coördinator onderwijsinnovatie bij de UU. Kenmerkend voor hun werkwijze is de bottom-up approach; innovatie wordt nooit opgedrongen en moet altijd voortkomen uit de intrinsieke motivatie van een docent. Het opstarten van een experimenteerproces duurt bij de Universiteit Utrecht langer dan bij Fontys Hogescholen, maar dat komt mede doordat men bij de UU al in een vroeg stadium nadenkt over de mogelijkheden voor opschaling. 

Ook de UU stelt voorwaarden voordat een pilot van start gaat; zo moet de innovatie een onderwijsdoel dienen, een didactische meerwaarde hebben en voldoen aan randvoorwaarden met betrekking tot informatiebeveiliging en de AVG. Wordt daaraan voldaan, dan kunnen overeenkomsten met leveranciers worden gesloten om met de innovatie te experimenteren in onderwijskundige situaties. Een belangrijk onderdeel daarvan is het ophalen van ervaringen van docenten en studenten, benadrukte Fraanje.  

Kijk al snel en vaak naar informatieveiligheid 

In de vervolgfase van de pilot wordt bekeken of de innovatie ook op andere faculteiten of zelfs in de gehele onderwijsinstelling kan worden ingezet. Dat vraagt echter om een andere aanpak bij bijvoorbeeld het inkopen van licenties. Ook kan schaalvergroting van een innovatie nieuwe gevolgen hebben voor de informatieveiligheid en het voldoen aan de AVG. Als de innovatieve technologie uiteindelijk in een groot deel van de instelling is ingebed, zet de UU de technologie om naar een vaste lijn in de organisatie. “De innovatie is dan geen innovatie meer, maar fundamenteel in het onderwijs. Dan willen we het in eigen beheer hebben”, legde Fraanje uit.  

Uit ervaring raadde hij de aanwezigen aan om al vroeg te kijken naar de informatieveiligheid van innovatieve educatieve technologieën. “Als de innovatie wordt geadopteerd en wordt eigengemaakt terwijl na een tijdje blijkt dat de AVG niet wordt nageleefd, heeft dat een grote invloed op het onderwijs.” Daarnaast benadrukte Fraanje het belang van het sturen van de verwachtingen van zowel docenten als leveranciers. Zo hebben leveranciers behoefte aan duidelijkheid; ontbreekt die, dan zullen zij voorzichtiger opereren, wat een traject kan vertragen. Tegelijk is het belangrijk om transparant te zijn richting docenten. “Soms lijkt een technologie klaar voor gebruik, maar vormen de randvoorwaarden nog een probleem. Als je dat gewoon uitlegt aan docenten, kun je teleurstellingen en frustraties voorkomen.” 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK