Impact maken in het technologisch domein

Opinie | door Kees Adriaanse & Rink Lycklama à Nijeholt & Margo Brouns
16 november 2021 | "Na zoveel jaar activiteiten binnen het Centre of Expertise HTSM weten we steeds beter wat er nodig is om doorwerking van onderzoek naar de praktijk te realiseren", schrijven Kees Adriaanse, Rink Lycklama à Nijeholt en Margo Brouns van Fontys Hogescholen. Zij beschrijven hun ervaringen en inzichten met betrekking tot impactvolle samenwerking tussen het onderwijs, onderzoek en bedrijfsleven in het technologisch domein.
“Bij het bewerkstelligen van impact is een systematische, niet-vrijblijvende samenwerking tussen een hogeschool en bedrijven de belangrijkste verklarende factor”, schrijven onderzoekers van Fontys Hogescholen

Fontys is een hogeschool in een hoog-technologische regio. Kansen genoeg voor impactrijk onderzoek rond high technology en smart materials (HTSM), zou je denken. Dat is ook zo, maar het vraagt wel om een doordachte inrichting en ontwikkeling van het onderzoek.  

In de periode 2017-2020 heeft het Centre of Expertise HTSM ruim honderd praktijkgerichte onderzoeken ondersteund met extra budget. De onderzoeksprojecten zijn geënt op ‘een goed onderzoeksidee’ dat een lectoraat of onderzoeksgroep in samenspraak met een externe partner heeft ontwikkeld. Het verstrekte budget gaf docent-onderzoekers extra tijd en ruimte om samen met studenten en bedrijven dit goede idee uit te werken.  
De door ons ondersteunde onderzoeken hadden drie doelen: 

  • Iets teweegbrengen bij externe partners 
  • Iets teweegbrengen in het onderwijs aan de studenten van Fontys 
  • Professionaliseren van docent-onderzoekers 

In de zomer van 2021 zijn twintig van deze HTSM-gerelateerde onderzoeksprojecten geëvalueerd om inzicht te krijgen in de doorwerking van het onderzoek op de drie genoemde doelen. Op basis daarvan willen we keuzes maken die de voortzetting van de projecten vanaf het najaar van 2021 versterken. In de evaluatie is aan de externe partners gevraagd: “Wat is het belang van het onderzoek voor uw organisatie?” en “Wat vindt u van de samenwerking met de hogeschool?”. Daarnaast is de projectleider vanuit de onderwijsinstelling gevraagd een overzicht te geven van het aantal betrokken studenten en de doorwerking van het onderzoek in het onderwijs. Ook is projectleiders gevraagd naar hun professionalisering als docent-onderzoeker.  

Daarnaast hebben de leden van de stuurgroep van het Centre of Expertise HTSM feedback gegeven op de voortgang van elk onderzoeksproject. De opbrengsten van deze reflecties zijn vervolgens besproken met de projectleiders, waarbij de drie doelen van het onderzoek (externe partners, onderwijs en professionalisering) uitvoerig aan bod kwamen. Van elk reviewgesprek is een verslag gemaakt, met als bijlagen de reacties van de externe partners en de stuurgroepleden. 

Uiteindelijk heeft elk project een algemene score gekregen op een schaal van 1 tot 5. Gezien over het totale aantal van twintig projecten blijken de resultaten vrij evenredig verdeeld over deze schaal en een gemiddelde score tussen de 2 en de 3 te hebben. Dit gemiddelde is samengesteld uit de scores van externe partners, onderwijs en professionalisering. 

Het resulterende beeld is niet verontrustend, maar laat wel ruimte zien voor verbetering. Belangrijk is daarbij dat het hier gaat om een gemiddelde, wat de knelpunten vanuit het perspectief van de externe partners vaak maskeert. We komen hierop terug. 

Doorwerking in het onderwijs 

Het doen van onderzoek is cruciaal voor de ontwikkeling van het onderwijs. Via het onderzoek komen studenten in aanraking met realistische vraagstukken uit de praktijk en ontwikkelen ze onderzoeksvaardigheden. Uit de review van de twintig projecten blijkt echter dat het niet altijd lukt om voldoende studenten te motiveren om actief deel te nemen, zowel in aantal als in de mate van betrokkenheid. 

De opleiding Engineering kent geen verplichting tot deelname aan een ‘hybride’ leeromgeving zoals een innovatielab, waarin bedrijven, docenten en studenten samenwerken in het oplossen van een concreet probleem. Daarom kost het soms moeite om individuele studenten te motiveren tot betrokkenheid bij deze projecten. Veel studenten kennen nauwelijks het verschil tussen een stage bij een bedrijf en het meewerken aan een onderzoek (ontwikkelen van nieuwe kennis in co-creatie). Goede voorlichting is daarom een eerste vereiste; ook een kennismaking rondom onderzoek in de eerste fase van de studie kan studenten enthousiast maken. 

Misschien is het echter nog belangrijker dat de docenten, die tevens onderzoeker zijn, in staat worden gesteld om vraagstukken uit de praktijk te integreren in hun onderwijs. Voor de studenten, die immers beroepsonderwijs volgen, worden ze daardoor interessantere docenten. Voorwaarde is daarbij wel dat het onderzoek geen ‘vrijdagmiddagklusje’ is maar het onderwijs echt kan verrijken.   

De meeste docenten in het hbo zijn niet opgeleid als onderzoeker; als zij meewerken aan praktijkgericht onderzoek, doen zij dat vooral omdat ze inhoudelijk geïnteresseerd zijn. Voor velen van hen is het doen van onderzoek echter een stap in onbekend territorium, waarbij ze in het diepe worden gegooid zonder geleerd te hebben hoe ze moeten zwemmen. Wanneer docenten een stevige voorbereiding en training als onderzoeker krijgen, kan dat bijdragen aan de doorwerking van het onderzoek in het onderwijs.  

Daarnaast blijkt dat de uren die de docent-onderzoekers voor onderzoek beschikbaar hebben, verdampen tussen alle onderwijsverplichtingen; onderwijsuitvoering gaat altijd voor. Het zou daarom goed zijn als de onderzoekstijd daadwerkelijk werd ingeroosterd en een kernteam werd gecreëerd van onderzoekers die allemaal tenminste één maar liever twee dagen per week meewerken aan het onderzoek.  

Verrijk onderwijs met kennis uit onderzoek

Het zou tevens mooi zijn als de inhoudelijke vakkennis die in het curriculum wordt aangeboden zou worden beïnvloed door ontwikkelde kennis uit het onderzoek. In de praktijk blijkt dit echter lastig te zijn. In sociale disciplines lukt het soms, maar in het technische domein verandert de theoretische kennis niet zomaar. Niettemin is de integratie van onderzoeksuitkomsten in het onderwijs aantrekkelijk voor studenten; het onderzoek biedt een dynamische en uitdagende leeromgeving. Ook docenten hebben baat van een nauwere band tussen hun onderzoek en hun onderwijs, aangezien zij zich daardoor kunnen ontwikkelen tot interessante kenniswerkers.  

E-Bike: Onderzoek naar de mogelijkheden om een elektrische fiets aan te drijven via de velg, waardoor de batterij kan worden opgeladen bij het remmen en het afdalen van een berg.

In met name het sociale domein is het deelnemen aan een hybride leeromgeving zoals een innovatielab een verplicht onderdeel van het curriculum. Door dat gezamenlijke werken aan een concrete maatschappelijke opdracht ontstaat een intensieve dynamiek tussen de praktijk, het onderzoek en het onderwijs. Voor het technische domein is dit nog geen gebruikelijke route. Er zijn wel initiatieven zoals het Fieldlab Flexible Manufacturing of binnen de Automotive Campus waarbij in een hybride leeromgeving wordt gewerkt, maar daarbij zijn slechts relatief kleine groepen studenten betrokken.  

Doorwerking bij bedrijven 

De doorwerking van onderzoek richting externe partijen lukt soms heel goed, blijkt uit onze review. Het betreft dan wel vrijwel altijd niet-urgente onderzoeksprojecten, bijvoorbeeld het ontwikkelen van een schoonmaakrobot. De echt risicovolle kwesties – bijvoorbeeld acuut gebrek aan schoonmaakpersoneel – ontwikkelen zich niet snel tot onderwerp van onderzoek met docent-onderzoekers en studenten. Bedrijven houden daarover graag vooral zelf controle, aangezien het de kern van hun bedrijf en bedrijfsvoering betreft. Op langere termijn zal de ontwikkeling van bijvoorbeeld een schoonmaakrobot echter wel een bijdrage leveren aan de bedrijfsvoering van het schoonmaakbedrijf. Omdat het langere ontwikkelingen en impact op de langere termijn betreft, vraagt de samenwerking dus veel inzet en een visie waarbinnen gerekend wordt met die lange termijn. 

Misschien treffen we hier een relevant verschil tussen het technische en het sociale domein. In de sociale innovatiecentra (SIC’s), ook wel professionele werkplaatsen genoemd, wordt veelal gezocht naar inbreng van studenten en docenten op urgente en actuele vraagstukken zoals inclusie, eenzaamheid, digitalisering in de zorg of weerbaarheid van het zorgpersoneel. In het technische domein is dat, zoals we hierboven uitlegden, lastiger. Misschien lijkt dat verschil echter groter dan het in werkelijkheid is; ook de acute zorg zal niet snel onderwerp worden van onderzoek door professionele werkplaats in het sociale domein.  

Het financiële belang 

In het technische domein is innovatie daarnaast vaak verbonden met een behoefte aan dure apparatuur. Dat vraagt om investeringen die een hogeschool vaak bijna niet kan opbrengen. Dit geldt niet voor bijvoorbeeld de IT-apparaten en software; in dat geval heb je aan een laptop genoeg om aan de slag te gaan. De aanschaf van een 3D-metaalprinter is echter een kostbare zaak. Die investeringen vragen een lange termijn visie op zowel de ontwikkeling in de kennisvraag als op het bestedingsbudget. 

Een ander punt van aandacht is de concurrentiepositie van het mkb. Van de afstudeerwerkstukken is een groot deel vertrouwelijk, dus niet vrij inzichtelijk voor geïnteresseerden van andere bedrijven. Dat maakt samenwerking tussen bedrijven en hogeschool en tussen bedrijven onderling soms lastig. De uitwisseling van kennis wordt daarom het meest gezocht tussen bedrijven met een vergelijkbaar proces en/of product maar uit een andere branche.  

Deze twee aspecten – kosten van apparatuur en concurrentieverhoudingen – maken het lastiger om innovatieve trajecten te ontwikkelen in gezamenlijkheid met het bedrijfsleven. Het betekent dat er heldere strategische keuzes moeten worden gemaakt en duurzame relaties moeten worden opgebouwd waarin over en weer voldoende vertrouwen is.  

Partnerschap 

Uit de reviews in de zomer 2021 blijkt tevens dat het in veel gevallen lastig is om op projectmatige basis samen te werken en vanuit het onderzoek iets teweeg te brengen. 

Er zijn om te beginnen al vrij weinig externe partners (1 tot 3 per onderzoek); sommigen haken onderweg af, en degenen die blijven zijn niet altijd tevreden. Dit komt doordat bedrijven Fontys vooral zien als een onderwijsinstelling, en niet als een onderzoekspartner. Bedrijven leveren interessante onderzoekscasussen waarmee studenten aan de slag gaan, maar realiseren zich onvoldoende dat er wordt gewerkt in een PPS-constructie, en dat dus ook van de bedrijven inhoudelijke inbreng wordt verwacht. Op dit punt is er nog een wereld te winnen, niet in de laatste plaats bij de hogescholen zelf, die in hun communicatie meer aandacht kunnen besteden aan deze verandering in de kerntaken van het hbo. 

Als laatste onderkennen wij een mogelijke uitdaging met betrekking tot de cultuur van het technologische vakgebied. Technici maken graag mooie dingen, maar zijn wellicht minder sterk georiënteerd op de sociale gemeenschap van een innovatie-lab. Voor een aantal docenten en studenten staat de aandacht voor samenwerking dus wat verder af van hun belevingswereld. Dit vormt overigens een goede reden om de innovatie-labs juist te integreren in het onderwijs, aangezien studenten dan niet-vakspecifieke vaardigheden kunnen aanleren die belangrijk zijn voor een succesvolle plek op de arbeidsmarkt.   

Best practices 

Als we kijken naar de succesvolle trajecten, dan zien we langzamerhand een vast patroon. Allereest hangt dat samen met het ontwikkelen van een robuust netwerk van samenwerkingspartners uit het mkb. De ervaring leert dat het ongeveer acht jaar duurt voordat een lector een stevig netwerk van bedrijven heeft opgebouwd en voldoende reputatie ontwikkeld voor een goede samenwerking met deze bedrijven.  

Na die acht jaar is een lectoraat landelijk bekend en vooral erkend. Daarbij is het wel een vereiste dat vanuit het lectoraat regelmatig wordt gepubliceerd en dat er voldoende zichtbaarheid is op bijvoorbeeld LinkedIn, bij presentaties tijdens beurzen, seminars, op tv en op de radio. Pas dan komen er uitnodigingen voor deelname aan grote projecten en (inter)nationale subsidieaanvragen. Een hogeschool heeft als kennisinstelling een unieke positie dicht bij de professionele praktijk. Omdat het voor universiteiten relatief lastig is om deze praktijk te bereiken, ligt hier een breed veld met veel kansrijke partners. Het onderzoeksprofiel van de hogeschool moet dan wel helder zijn.  

Het tegengaan van een versnippering van potentie is trouwens niet alleen geldig op het niveau van de organisatie, maar geldt ook voor de individuele onderzoekers-docenten. Meerdere kleine aanstellingen voor docent-onderzoekers helpen niet in het realiseren van succesvolle trajecten. Ook voor hen geldt dat het ontwikkelen van systematische en niet-vrijblijvende samenwerking een belangrijke voorwaarde is voor succes. 

Na zoveel jaar activiteiten binnen het Centre of Expertise HTSM weten we steeds beter wat er nodig is om doorwerking van onderzoek naar de praktijk te realiseren. Een belangrijke eerste vereiste is volhouden; het duurt gewoonweg even voordat er voldoende bekendheid en erkenning is. Daarvoor is het wel nodig om een duidelijke focus te hebben en te behouden. Wissel daarin dus niet te vaak, want dan weten de bedrijven niet meer waarvoor ze bij het specifieke lectoraat kunnen aankloppen. Bedrijven hebben zelf heel veel kennis in huis, dus de meerwaarde van de kennis van de hogeschool is niet zomaar verzekerd. Dat vraagt om keuzes voor een beperkt aantal vraagstukken waarop veel en diepe kennis moet ontstaan. Zorg daarbij vooral voor concrete toepassingen, want die kunnen bedrijven niet vinden bij de universiteiten.  

Daarnaast is het voor de zichtbaarheid van een lectoraat of onderzoekskring enorm belangrijk om mee te doen aan allerlei wedstrijden. Studenten die volop inzetten op internationale wedstrijden (bijvoorbeeld een robotwedstrijd in VS) creëren een sterke dynamiek en een positieve zichtbaarheid. Op die manier kun je het eigen succes organiseren. Soms zijn hogescholen wat afwachtend en bescheiden in dat opzicht, alsof ze al blij zijn dat ze mogen samenwerken, terwijl ze een heel interessante partij zijn voor het mkb en voor grote kennisinstellingen.  

Doorwerking resultaten vraagt om ondezoek in pps

Om beter verzekerd te zijn van de doorwerking van onderzoek bij de bedrijven is het nodig om het onderzoek te laten plaatsvinden in een publiek-private samenwerking. Op deze manier ontstaat een wederkerigheid in de relatie en meer bekendheid over en weer. Dat betekent ook dat vanuit de hogeschool af en toe met een zakelijke bril naar het onderzoek moet worden gekeken. Welk onderzoek is interessant voor externe partijen? Wat zijn de kansen van de opbrengsten van de onderzoeken? 

Kortom, bij het bewerkstelligen van impact is een systematische, niet-vrijblijvende samenwerking tussen een hogeschool en bedrijven de belangrijkste verklarende factor. Op basis van dit inzicht kunnen we de volgende voorwaarden formuleren voor succes en doorwerking: 

  • Maak keuzes, focus en hou vol 
  • Ontwikkel duurzame publiek-private samenwerking met bedrijven 
  • Organiseer succes en zichtbaarheid 
  • Maak de hybride leeromgeving een onderdeel van het onderwijs. In een community van alle betrokkenen gaan formeel en informeel leren hand in hand. 

Het CoE HTSM heeft naar aanleiding van deze inzichten de eigen werkwijze inmiddels aangepast. Bij de start van de projecten in het najaar van 2021 wordt nogmaals benadrukt dat een publiek-private samenwerking vereist is. Bovendien gaan de projectleiders intensief in teams samenwerken om het gezamenlijke leerproces te bevorderen. 

Kees Adriaanse : 

Programmaleider Fontys Centre of Expertise HTSM

Rink Lycklama à Nijeholt : 

Docent en Curriculum-eigenaar ICT & Business bij Fontys Hogeschool ICT

Margo Brouns : 

Lector Versterking Impact Praktijkgericht Onderzoek bij Fontys Hogescholen.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK