Instellingsaccreditatie beter voor open gesprek over kwaliteit

Opinie | door Edwin Koster & Gerhard van de Bunt & Anne-Marie Slotboom
8 december 2021 | Leden van de ‘Stuurgroep Onderwijskwaliteit’ van de Vrije Universiteit bepleiten dat instellingsaccreditatie meer ruimte maakt voor kritische, open gesprekken over onderwijskwaliteit dan het huidige systeem van opleidingsaccreditatie doet. Zij weerspreken dat instellingsaccreditatie slagers hun eigen vlees laat keuren, en betogen dat ook het vergelijk tussen opleidingen niet hoeft te verdwijnen. Tevens formuleren zij op opleidingsniveau drie voorwaarden voor een succesvolle implementatie van instellingsaccreditatie.
“Dankzij de instellingsaccreditatie kan het gesprek over de onderwijskwaliteit van de opleiding plaatsvinden in een sfeer van vertrouwen”, schrijven Edwin Koster, Gerhard van de Bunt en Anne-Marie Slotboom.

Volgens Martijn Meeter kunnen academische opleidingen niet omgaan met kritische beoordelingen en verbeteren opleidingen de kwaliteit van hun onderwijs alleen onder dwang. De instellingsaccreditatie zou daarom geen goed idee zijn; zonder de dwingende ogen van een externe instantie zullen opleidingen oordelen en aanbevelingen simpelweg naast zich neerleggen. Slagers-die-eigen-vlees-keuren zijn volgens Meeter slechte raadgevers, en opleidingsaccreditatie vervangen door instellingsaccreditatie zou het sleutelen zijn aan iets dat niet kapot is. 

Slagers die eigen vlees keuren 

Als leden van de ‘Stuurgroep Onderwijskwaliteit’ aan de VU – waar Meeter zelf ook lid van is – verbaast zijn visie ons enigszins. Deze stuurgroep bestaat uit wetenschappelijk personeel (waarvan het merendeel opleidingsdirecteur is) en een beleidsmedewerker, en adviseert gevraagd en ongevraagd het College van Bestuur op het gebied van de onderwijskwaliteit van VU-opleidingen, zoals in het kader van de midterm review1 – een tussentijdse kwaliteitsbeoordeling van een opleiding met verbetering als primair doel. Zinvol werk, menen wij, maar in de optiek van Meeter zijn wij dus ‘slagers-die-eigen-vlees-keuren’. Meeter is ook na publicatie van zijn stuk in ScienceGuide een zeer gewaardeerd lid van deze stuurgroep gebleven, waarschijnlijk omdat hij, net als wij, ervaart dat onze adviezen serieus worden genomen en indien nodig door het College van Bestuur worden afgedwongen. In feite doen wij ons werk (avant la lettre) binnen het kader van de instellingsaccreditatie. 

Voor alle duidelijkheid, Meeter stipt een aantal belangrijke zaken aan en legt waardevolle inzichten op tafel. Een externe accreditatie houdt opleidingen scherp en de toetsing van de kwaliteit van een opleiding is absoluut gebaat bij (enige) afstand van de beoordelaar tot de opleiding. Daarnaast is het vergelijken van opleidingen een prachtig middel om zinnige uitspraken over de (vergelijking van de) kwaliteit van gelijkaardige opleidingen te kunnen doen. Ten slotte merkt Meeter terecht op dat het verminderen van de administratieve lasten door het invoeren van de instellingsaccreditatie een illusie is – maar dit is een punt dat al langer breed wordt gedeeld. Helaas beschouwt Meeter deze waardevolle inzichten in het licht van onvolwassen instellingen en zelfgenoegzame opleidingen, waarbij ‘eigenaarschap’ verdacht is en het streven naar een goede ‘kwaliteitscultuur’ een wassen neus. 

Huidige accreditatiestelsel vertoont fundamentele gebreken 

Waarom sleutelen aan het accreditatiestelsel als het ‘niet kapot’ zou zijn? Precies omdat het kader waarin accreditatie nu plaatsvindt een volwassen gesprek over de onderwijskwaliteit van de opleiding in de weg staat. Het systeem van de instellingsaccreditatie kan dit gesprek bevorderen, de kwaliteitscultuur versterken en de betrokkenen werkelijk eigenaar van de opleiding maken. Het huidige stelsel is dan misschien ‘niet (volledig) kapot’, maar vertoont wel fundamentele gebreken die vragen om een ingrijpende verandering. Waarom is dit het geval en waarom moet er dus wel gesleuteld worden aan het huidige accreditatiestelsel? 

De toetsing van de onderwijskwaliteit van een opleiding is onzes inziens gebaat bij een volwassen gesprek op basis van openhartigheid en kwetsbaarheid, betrokkenheid en rechtvaardigheid, en kennis en expertise. De kernvraag van elke accreditatie en visitatie zou moeten zijn: hoe kunnen we de kwaliteit van een opleiding verbeteren? Een vraag die volwassen opleidingen zich overigens voortdurend dienen te stellen.  

Het is onze ervaring dat een dergelijk gesprek in het kader van een door de instelling zelf uitgevoerde opleidingsbeoordeling binnen het systeem van instellingsaccreditatie – aan de VU is dat dus een midterm review met een actieve rol voor de Stuurgroep Onderwijskwaliteit – productiever is dan in het kader van het huidige accreditatiestelsel. De reden is dat de eerste context als veilig doch kritisch wordt ervaren, terwijl in de tweede context alles draait om verantwoording. Daardoor zijn opleidingen sneller geneigd aan window dressing te doen.  

“Kritiek sorteert meer effect als het schild gezakt is en het gesprek niet vanuit een defensieve houding wordt gevoerd, maar vanuit ontvankelijkheid.”

Kritiek sorteert meer effect als het schild gezakt is en het gesprek niet vanuit een defensieve houding wordt gevoerd, maar vanuit ontvankelijkheid. De instellingsaccreditatie kan dit doel versterken en, door een focus op de interne governance, zorgen voor een versteviging van zowel de kwaliteitscultuur als het gevoel van eigenaarschap. Als deze resultaten bereikt worden, kan het verbeteren van een opleiding (binnen het kader van instellingsaccreditatie) een structurele en fundamentele rol gaan spelen en niet slechts dienen om korte termijn oplossingen te faciliteren die slechts opgetuigd worden (zoals soms binnen het huidige accreditatiestelsel gebeurt) om de dwingende ogen van de NVAO tevreden te stellen. 

Voorwaarden voor succesvolle instellingsaccreditatie 

Wij zien op opleidingsniveau drie voorwaarden voor een succesvolle implementatie van een adequate instellingsaccreditatie:  

  • de kwaliteit van de opleiding wordt (mede) getoetst vanuit een extern gezichtspunt,  
  • het vergelijkingsperspectief blijft behouden, en  
  • het volwassen gesprek over de opleiding en de kwaliteitscultuur binnen een afdeling is ingebed in een systeem van solide interne kwaliteitszorg.  

Hoe kan een instellingsaccreditatie deze doelen bereiken en aan de gestelde voorwaarden voldoen? 

Op het eerste gezicht lijkt er een wereld van verschil te bestaan tussen enerzijds de externe commissie die een opleiding visiteert ten behoeve van formele besluitvorming door de NVAO en anderzijds een commissie die een midterm review afneemt. De eerste zou op afstand van de opleiding staan en de tweede zou de opleiding van de eigen instelling keuren. Als je echter kijkt naar de samenstelling van beidecommissies, dan is dat verschil in werkelijkheid heel klein. Bij beide commissies zijn minimaal twee externe leden betrokken, en bij een midterm review hebben de een of twee interne leden geen enkele relatie met of belang in de opleiding die centraal staat. 

Ook bij instellingsaccreditatie vergelijk je opleidingen 

Natuurlijk heeft een opleiding een benchmark nodig; de mogelijkheid om je opleiding te vergelijken met gelijkaardige opleidingen in binnen- en buitenland is een groot goed. Het onderling vergelijken van opleidingen van verschillende universiteiten en hogescholen is echter ook een impliciet onderdeel van het nieuwe systeem van instellingsaccreditatie. In midterm reviews baseren de externe en interne leden van de visitatiecommissies hun oordeel immers nadrukkelijk mede op basis van hun kennis van vergelijkbare opleidingen. Juist daarom zijn ze gevraagd als lid. Weliswaar vervalt met de invoering van de instellingsaccreditatie de plicht tot groepsgewijze visitatie van opleidingen, maar de mogelijkheid en vaak ook wenselijkheid om zich aan andere opleidingen te spiegelen blijft bestaan.  

Dit kunnen instellingen en opleidingen zelf naar wens organiseren. Daarnaast zullen onafhankelijke deskundigen op basis van de openbaar gemaakte visitatierapporten meta-analyses uitvoeren waardoor het mogelijk wordt om na te gaan op welke manier gelijkaardige opleidingen zich van elkaar onderscheiden. Op dit punt zou echter, in het verlengde van de opmerkingen van Meeter, onderzocht kunnen worden in hoeverre de vergelijkbaarheid en transparantie van de onderwijskwaliteit van individuele opleidingen voldoende zijn gewaarborgd.2 

Meer vrijheid om open gesprek over kwaliteit te voeren 

In tegenstelling tot wat Meeter beweert, blijkt dat adviezen uit midterm reviews vaak een impuls geven aan het verbeteren van opleidingen. Men is enthousiast over ontwikkelgesprekken en geeft wel degelijk gevolg aan de aanbevelingen, niet alleen omdat gerapporteerd wordt aan het College van Bestuur, maar veelal juist omdat het verbeteren van de kwaliteit van de eigen opleiding voortdurend aandacht heeft en behoeft. De ‘vreemde ogen’ stimuleren dat proces.  

De ervaring van de auteurs is dat je tijdens een midterm – zeker in de vormvrije variant – veel vrijer bent, minder in een defensieve modus staat en het gesprek meer eigenschappen van een dialoog kent en minder een oordelend karakter heeft. Er is ruimte om op een eerlijke en vruchtbare manier met elkaar in gesprek te gaan. Je komt daardoor minder snel voor onverwachte kritiek of onvoorziene verbeterpunten te staan omdat je in grote openheid met elkaar spreekt. Dan is er minder of geen aanleiding om achteraf ‘verrast en beledigd’ te zijn, of het oordeel ‘misplaatst’ te vinden, zoals Meeter schrijft. Een oordeel zou na een volwassen gesprek nooit mogen verbazen! 

Instellingsaccreditatie vraagt inspanning van iedereen 

De transitie van externe visitatie naar een visitatie ‘in eigen beheer’ betekent wel dat binnen de instelling op alle niveaus het goede gesprek over de kwaliteit van het onderwijs gevoerd moet worden. Het College van Bestuur moet voornamelijk voorwaarden scheppen, de Stuurgroep Onderwijskwaliteit moet als thermometer fungeren, het faculteitsbestuur heeft een faciliterende rol en opereert als kritische gespreksgenoot, de examencommissie fungeert vanuit het perspectief van de borging van toetskwaliteit, de Veldadviesraad en de alumni met betrekking tot het beroepsveld, de medezeggenschapsorganen als kritische gesprekspartners met aandacht voor de belangen van docenten en studenten, de opleidingsdirecteur met het oog op de onderwijskwaliteit en de interne consistentie van de opleiding als geheel, de docenten vanuit het gevoel van verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de verzorgde cursussen en ten slotte de student die zich medeverantwoordelijk weet voor het te volgen onderwijs. We moeten het dus samen doen. Dat was al zo, maar bij een systeem van instellingsaccreditatie is dat nog belangrijker. 

Tot slot, instellingsaccreditatie gaat niet om de papierwinkel – al moet die op orde zijn. Het gaat om het gesprek waarbij de commissie vanuit een positief-kritische houding in dialoog gaat met alle bovengenoemde betrokkenen bij de opleiding. Dankzij de instellingsaccreditatie – waarbij de mogelijke ‘rotte appels’ (in de woorden van Meeter) worden geëlimineerd en de instelling aantoont in staat te zijn de kwaliteit van haar opleidingen te waarborgen – kan het gesprek over de onderwijskwaliteit van de opleiding plaatsvinden in een sfeer van vertrouwen. Het afvinken van kwaliteitseisen, window dressing om zwakke punten te verhullen en sancties te voorkomen, is dan vervangen door een volwassen en open gesprek tussen mensen met hart voor het onderwijs. 


1 Sinds 2014 is de midterm review een verplicht onderdeel van het systeem van kwaliteitszorg aan de VU en worden opleidingen halverwege de zesjarige accreditatiecyclus gevisiteerd door een panel van externe en interne peers. Dit instrument is de afgelopen jaren verder ontwikkeld zodat opleidingen kunnen kiezen voor een reguliere of een vormvrije ontwikkelgerichte opzet waarbij zij in de tweede variant het gesprek met het panel kunnen voeren vanuit de eigen specifieke ontwikkelbehoefte.

2 Er zouden afspraken gemaakt kunnen worden over hetgeen elke opleiding zeker wil onderzoeken. Daarnaast zou, naar het voorbeeld van opleidingen geneeskunde, tijdens een congres een terugkoppeling van alle visitaties kunnen plaatsvinden inclusief een presentatie van best practises. Overigens kent de huidige clustersgewijze visitatie naast voordelen ook nadelen: idealiter is er consensus over de samenstelling van een panel voor een bepaald cluster. De ervaring leert dat die consensus soms moet worden afgedwongen waarbij het onvermijdelijk is dat panelleden minder goed aansluiten bij specifieke opleidngen binnen het cluster. Bovendien kan vanwege onder meer relatief grote clusters (i) de samenstelling van de deelpanels wisselen (ook voor wat de voorzitter betreft) en (ii) de vorming van een panel veel tijd in beslag nemen

3 De auteurs danken Floor Elsenburg en de leden van de Stuurgroep Onderwijskwaliteit van de VU, in het bijzonder Jikke Bekker, voor hun constructieve commentaar op eerdere versies van dit opiniestuk. 

Edwin Koster : 

Universitair Hoofddocent, opleidingsdirecteur filosofie en directeur wijsgerige vorming aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Gerhard van de Bunt : 

Universitair Hoofddocent, academisch directeur van het VU Network for Teaching & Learning en opleidingsdirecteur van de lerarenopleidingen aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Anne-Marie Slotboom : 

Universitair Hoofddocent en opleidingsdirecteur van de master criminologie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK