Drie principes voor minister Dijkgraaf

Opinie | door Ingrid Robeyns & Casper Albers & Willemien Sanders & Remco Tuinier & Claire Weeda
10 januari 2022 | Volgens de scheidend minister van OCW kan de onderfinanciering van de Nederlandse wetenschap pas worden opgelost als er een nieuw kabinet met een nieuw regeerakkoord komt. Welnu, het nieuwe kabinet is daar. Auteurs van WOinActie geven de nieuwe minister van OCW drie principes mee die leidend moeten zijn bij het verdelen van de beloofde miljarden: vergoed het geleverde werk, investeer in onderwijsgerelateerd onderzoek en verwerp het dogma van hypercompetitie.
Robbert Dijkgraaf wordt beëdigd door de koning
Robbert Dijkgraaf wordt beëdigd door de koning

Robbert Dijkgraaf heeft een grote verantwoordelijkheid op zich genomen door op dit cruciale moment de nieuwe minister voor (hoger) Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te worden. De verwachtingen aan de Nederlandse universiteiten en onderzoeksinstituten zijn hooggespannen. Dat zal niemand verbazen, want de voorbije jaren was het erg onrustig aan de universiteiten. Medewerkers kwamen steeds meer in de knel bij het bieden van onderwijs aan steeds meer studenten en bij de uitvoering van hun immer uitdijende takenpakket. Onderzoek en onderwijs, de kerntaken van de academie, dreven steeds verder uiteen, het aantal tijdelijke contracten rees de pan uit, en de roep om adequate financiering klonk steeds luider. 

Nu weet Dijkgraaf als geen ander dat de financiering van de Nederlandse universiteiten ondermaats is. In 2008, toen hij aantrad als president van de KNAW, bekritiseerde hij de onderinvesteringen in de wetenschap. “Nergens werken, relatief gesproken, zó weinig onderzoekers, zó hard, met zóveel effect, en met zó weinig middelen”, zei hij destijds. Ook in zijn KNAW-presidentiële jaarrede van 2010 herhaalde hij het belang van meer investeringen in onderzoek, specifiek in de basis van de wetenschap. In aanloop naar de verkiezingen van 2017 schreef Dijkgraaf samen met Hans Clevers en Ben Feringa een opiniestuk waarin ze pleitten voor een miljard euro extra aan investeringen in wetenschap. Daarnaast steunde Dijkgraaf in aanloop naar de recente verkiezingen de acties van de recent gevormde coalitie Normaal Academisch Peil.  

Natuurlijk had Dijkgraaf al die jaren gelijk. Ook rapporten van o.a. de KNAW en de (toenmalige) VSNU legden de vinger op de zere plek van inadequate financiering. Helaas hielpen de rapporten en redes onvoldoende, al waren ze zonder meer noodzakelijk. Wellicht waren de vormen van protest zo vriendelijk dat het voor de Haagse politiek gemakkelijk was ze te negeren, want bij het aantreden van Rutte III lag er een regeerakkoord waarin stond dat het kabinet nóg meer ging bezuinigen op de universiteiten.  

Kleine kroniek van WOinActie 

Dat was het moment waarop WOinActie ontstond. In december 2017 overhandigde Rens Bod een petitie, met meer dan 5000 handtekeningen van studenten en docenten, tegen die aangekondigde bezuiniging. In de daaropvolgende jaren verspreidde het protest van WOinActie zich over alle universiteiten en nam het verschillende vormen aan. Zo waren er in september 2018 in verschillende steden openluchtcolleges en debatten bij de opening van het academisch jaar. In december volgde er een grote demonstratie in Den Haag. In maart 2019 vond in Leiden een debat met toenmalig minister Van Engelshoven plaats. In september 2019 organiseerde WOinActie samen met de vakbonden in Leiden de Ware Opening van het academisch jaar. En in januari 2020 diende WOinActie bij de arbeidsinspectie meer dan 700 aangiftes van structureel en extreme vormen van overwerk en de gevolgen daarvan in. De analyse van deze aangiftes bevestigde eerdere uitkomsten van onderzoek door de vakbonden naar de zeer hoge werkdruk onder wetenschappers en de bijzonder hoge mate van stress onder de groeiende groep tijdelijke docenten zonder onderzoekstijd. 

De pandemie maakte het lastiger voor WOinActie om zich te roeren, maar toch werd de druk hooggehouden. In september 2020 brachten Rens Bod, Remco Breuker en Ingrid Robeyns het pamflet 40 Stellingen over de Wetenschap uit. Daarin kaartten ze niet alleen nogmaals de inadequate financiering aan, maar analyseerden ze ook de schadelijke gevolgen van de grote mate van hiërarchie aan de Nederlandse universiteiten.  

Ondertussen werd er een grote coalitie van studenten, medewerkers, vakbonden, bestuurders en andere groepen gevormd. Onder de noemer Normaal Academisch Peil (NAP) bundelden zij hun krachten om maximaal invloed uit te oefenen op de verkiezingsprogramma’s. Op 6 april 2021 organiseerde de NAP-coalitie een Alarmdag voor de wetenschap, waarbij studenten, hoogleraren en bestuurders samen in de Haagse Hofvijver doken om duidelijk te maken dat het water ons aan de lippen staat, en er ook aan verschillende universiteiten lokale acties opgezet werden.   

De meest recente bijeenkomst van WOinActie en partners was de Ware Opening van het Academisch Jaar in september jongstleden, waar demissionair minister Van Engelshoven nogmaals benadrukte dat het wachten was op een nieuw kabinet.  

Wachten tot het volgende regeerakkoord 

Naast de hierboven genoemde acties hebben afgevaardigden van WOinActie de voorbije jaren verschillende gesprekken met minister Van Engelshoven gevoerd. Zij benadrukte keer op keer dat ze gebonden was aan de afspraken over de financiering van de wetenschap die waren opgenomen in het regeerakkoord van kabinet Rutte III. Gaandeweg verschoof haar positie echter: waar ze aanvankelijk nog stelde dat wetenschappers net als zovele groepen meer geld willen maar dat meer geld niet altijd de oplossing is, zegde ze in 2019 toe dat ze zou laten onderzoeken of een verruiming van het macrobudget nodig was als bleek dat de werkdruk niet budget-neutraal kon worden verlaagd.  

Dat onderzoek, uitgevoerd door PwC, maakte glashelder dat de financiering van de universiteiten ontoereikend is. De overheid kreeg ook een sneer van de Algemene Rekenkamer, die in een rapport dat in juni 2021 verscheen liet zien dat de financiering van het wetenschappelijk onderwijs en onderzoek gebaseerd is op financieringsmodellen uit 1984 en dat de sector haar taken alleen kan uitvoeren door te leunen op de verborgen kosten van structureel onbetaald overwerk.  

Ondertussen ligt er het nieuwe regeerakkoord waarin forse investeringen voor de wetenschap en het hoger onderwijs worden aangekondigd. Maar zoals de NAP-Coalitie helder aangeeft in haar tips voor Dijkgraaf voor zijn gesprek met Rutte: the devil is in the details. Het is aan de nieuwe minister van OCW om te bepalen hoe die beloofde miljarden precies besteed zullen worden. Bij het uitstippelen van dat beleid dienen drie principes uit de analyses die WOinActie de voorbije jaren gepresenteerd heeft, leidend te zijn.  

Principe 1: vergoed het geleverde werk en verlaag zo de werkdruk  

De NAP-coalitie liet er in haar advies aan Robbert Dijkgraaf geen misverstand over bestaan: het belangrijkste probleem is de onhoudbare werkdruk aan de universiteiten. Vanaf de academische werkvloer is het zichtbaar waar de nood het hoogst is, namelijk bij wetenschappelijke draaideurdocenten die überhaupt geen vast contract en geen onderzoekstijd hebben, ook al verrichten ze structurele kerntaken. Ook andere wetenschappelijk personeel ziet zich met een onmogelijke werkdruk geconfronteerd.  

Het voortdurend vervangen van docenten is een vorm van kapitaalvernietiging; nieuwe docenten dienen te worden ingewerkt en wegwijs gemaakt terwijl een groot deel van hen structurele taken uitvoert. Het nieuwe beleid moet dus vooral niet vragen om een mooi groot plan waarin wordt uiteengezet wat academici met het beloofde geld extra gaan doen. Er moet gewoon betaald worden voor het werk dat wél geleverd maar níet vergoed wordt.  

Het respecteren van dit principe zal betekenen dat alle wetenschapsgebieden extra financiering behoeven en dat er deze keer wellicht meer aandacht zal moeten komen voor de sectoren alfa en gamma. Dijkgraaf typeerde in een column de herverdeling van onderzoeksgelden door de commissie Van Rijn van alfa/gamma naar bèta/techniek als ‘volstrekt onhaalbaar kruideniersbeleid’. Nu hij in de bestuurdersstoel zit, kan hij dit mooi rechttrekken. 

Principe 2: investeer in onderwijsgerelateerd onderzoek 

Een van de belangrijkste gevolgen van de onderfinanciering is dat er op universiteiten steeds meer onderwijs gegeven wordt door docenten die geen onderzoekstijd hebben en ook geen vast contract. Dit moeten we als kennisland absoluut niet willen: wo-studenten hebben recht op onderwijs van docenten die ook onderzoek doen. Zo krijgen de studenten inhoudelijk onderwijs dat hen informeert over de meest recente ontwikkelingen in hun vakgebied.   

Een andere belangrijke reden werd mooi verwoord door Ineke Sluiter (president van de KNAW) in een debat georganiseerd door de KNAW over het pamflet ‘40 stellingen over de wetenschap’. Onderzoeksvaardigheden overlappen in grote mate met academische vaardigheden, en die maken universitair afgestudeerden zo belangrijk voor een democratische en innovatieve kennissamenleving. Als een onderzoeker voor de collegezaal staat, zal deze als docent óók die onderzoeksgerelateerde attitudes en praktijken voorleven. Daarom moet elke docent ruimte hebben om naast het onderwijs ook actief betrokken te zijn bij onderzoek.  

Verder is het voor de wetenschap cruciaal dat de nieuwsgierigheid en creativiteit van de academische gemeenschap leidend is. De grenzen van het weten worden, zoals Dijkgraaf zelf mooi zegt, door de ‘speelsheid’ van wetenschappers getart. Dat proces kan juist worden gehinderd door te veel sturing van externe publieke en private partijen die liever oplossingen of winsten op de korte termijn willen realiseren. Wij achten een vaste voet voor onderzoekers daarom essentieel. 

Kortom, de beloofde investeringen uit het regeerakkoord moeten er eerst en vooral voor zorgen dat elke docent aan een universiteit ook onderzoek kan doen. Dit vraagt om een forse verhoging van de eerste geldstroom.  

Principe 3: Verwerp het dogma van de hypercompetitie 

Het derde en laatste principe voor het alloceren van de beloofde gelden is dat die niet moet leiden tot nóg meer competitie in de wetenschap. Het is een dogma dat meer competitie zou leiden tot een betere allocatie van wetenschappelijke gelden, terwijl wetenschap juist gedijt bij samenwerking en intrinsiek sterk gemotiveerde wetenschappers. De hypercompetitie is niet alleen zodanig doorgeschoten dat jonge wetenschappers steeds vaker besluiten een ander beroep te kiezen, ook laat het geen ruimte meer voor de creativiteit en spontane ontdekkingen waar wetenschappers de ruimte en tijd voor nodig hebben. Het dogmatische geloof in hypercompetitie gaat ook hand in hand met een doorgeschoten verantwoordingcultuur. Wat we nodig hebben is een herstel van het evenwicht tussen competitie en intrinsieke motivatie en tussen verantwoording en vertrouwen.  

Bovendien komt hypercompetitie vaak in de vorm van projectificering: onderzoeksgelden worden toegekend voor concrete maar tijdgebonden projecten. Maar welke wetenschapper kan precies zeggen wat zij de komende vijf jaar aan ideeën zal gaan ontwikkelen? En welke discipline hangt van losse projecten aan elkaar? Projectificering leidt tevens tot het drastisch verminderen van de academische vrijheid voor promovendi om hun eigen onderzoeksonderwerp uit te denken en zo een eigen stem te vinden, maar ook tot een keurslijf voor subsidieaanvragers die vaak onvoldoende kunnen inspelen op nieuwe ideeën of nieuwe onderzoekslijnen. Als er meer onderzoeksgeld als vaste voet wordt toegevoegd aan de eerste geldstroom, vergroot dat de ruimte voor samenwerking, voor het uitwerken van creatieve gedachten en voor vaste contracten. Tegelijkertijd vermindert het de werkdruk die veroorzaakt wordt door het schrijven en beoordelen van de 80% tot 90% van de subsidieaanvragen die niet gehonoreerd worden.  

Hoopvol voor de nabije toekomst 

Vier jaar lang heeft de minister van OCW tegen WOinActie gezegd dat een oplossing voor de inadequate financiering pas bij een volgend regeerakkoord mogelijk zou zijn. Het nieuwe regeerakkoord heeft een oplossing binnen handbereik gebracht, maar die zal er alleen komen als minister Dijkgraaf nu doorpakt en de glasheldere analyses uit de voorbije jaren meeneemt in de uitwerking van de details. 


Over dit artikel dachten tevens mee:  

  • Rens Bod, Hoogleraar computationele en digitale geesteswetenschappen, Universiteit van Amsterdam.  
  • Remco Breuker, Hoogleraar Koreanistiek aan de Universiteit Leiden. 
  • Annelien De Dijn, Hoogleraar Moderne Politieke Geschiedenis, Universiteit Utrecht.  
  • Paola Gori Giorgi, Hoogleraar Theoretische en Mathematische Chemie 
  • Yolande Jansen, Socrates-hoogleraar humanisme in relatie tot religie en seculariteit aan de Vrije Universiteit en Universitair Hoofddocent wijsbegeerte aan de Universiteit van Amsterdam. 
  • Marijtje Jongsma, Universitair hoofddocent cognitieve neurowetenschappen aan de Radboud Universiteit en lid van het hoofdbestuur van de AOb. 
  • Katell Lavéant, Universitair hoofddocent Franse taal en cultuur, Universiteit Utrecht. 
  • Jan Overwijk, Docent Liberal Arts & Sciences aan de Universiteit Utrecht 

Ingrid Robeyns : 

Hoogleraar Ethiek van Instituties aan de Universiteit Utrecht

Casper Albers : 

Casper Albers is adjunct hoogleraar toegepaste statistiek en datavisualisatie (Rijksuniversiteit Groningen).

Willemien Sanders : 

Mediawetenschapper. Werkte vanaf 2010 als docent en postdoc onderzoeker op tijdelijke contracten aan de UU, RUG, VU en EUR.

Remco Tuinier : 

Hoogleraar Fysische Chemie aan de Technische Universiteit Eindhoven.

Claire Weeda : 

Universitair Docent Middeleeuwse Geschiedenis aan de Universiteit Leiden.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK