Opleidingsdirecteuren: beperkte budgetten snijden in kwaliteit onderwijs

Nieuws | de redactie
4 januari 2022 | Wat is onderwijskwaliteit? Voor opleidingsdirecteuren van Nederlandse universiteiten is het weinig anders dan ‘goed onderwijs', blijkt uit onderzoek van de Radboud Universiteit en de Universiteit van Amsterdam. Beperkte budgetten, tegengestelde belangen en hiërarchische verhoudingen hinderen hen echter. Zo komt de kwaliteit van het onderwijs soms in de knel omdat er bij sollicitatieprocedures vooral naar de onderzoeksvaardigheden van sollicitanten wordt gekeken, vertellen de opleidingsdirecteuren.
“We zijn niet bezig met het verdelen van geld, we verdelen verliezen”, zeggen opleidingsdirecteuren over hun beperkte budgetten en de invloed daarvan op de onderwijskwaliteit. Beeld: Pixabay.

Hoe kijken opleidingsdirecteuren binnen universiteiten naar onderwijskwaliteit? Dat weten we niet goed, stellen onderzoekers van de Radboud Universiteit en de Universiteit van Amsterdam. Daarom onderzochten zij deze vraag en vroegen zij opleidingsdirecteuren welke spanningen en beperkingen zij tegenkomen bij het realiseren en verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs.  

Kwaliteit is moeilijk te vangen 

Spreken over kwaliteit is niet eenvoudig, schrijven de onderzoekers; de definitie van het begrip wordt namelijk bemoeilijkt door het gegeven dat een tegenovergestelde van ‘kwaliteit’ eigenlijk niet bestaat. Waar ‘licht’ kan worden gedefinieerd door het af te zetten tegen ‘donker’ (licht ≠ donker), is ‘kwaliteit’ moeilijk te definiëren aan de hand van een tegenovergesteld begrip. Daarnaast wordt de betekenis van een begrip zoals ‘kwaliteit’ gevormd en gewijzigd door de context waarin het gesprek over kwaliteit plaatsvindt.  

Er is echter nog weinig onderzoek gedaan naar de wijze waarop academici ‘kwaliteit van onderwijs’ dan wel begrijpen, schrijven de onderzoekers. Evenzo is nog weinig onderzocht hoe academici die kwaliteit vaststellen en verbeteren in een dynamische context met veel verschillende belanghebbenden en factoren van invloed. Daarom hebben de onderzoekers zelf de handschoen opgepakt en onderzocht hoe kwaliteit van onderwijs door academici wordt begrepen en vastgesteld, en wat dit betekent voor de optimalisatie van de onderwijskwaliteit.  

Opleidingsdirecteuren bevinden zich tussen beleid en uitvoering 

De data zijn verzameld middels ongestructureerde vraaggesprekken met vierentwintig opleidingsdirecteuren van universitaire bacheloropleidingen. Omdat zij hun leidinggevende taken vaak combineren met onderzoeks- en onderwijstaken, zijn zij bezig met zowel het aanpassen van beleid als het zich eigen maken van opgelegd beleid. Het bestuderen van juist hún opvatting van onderwijskwaliteit kan inzicht geven in de wijze waarop het begrip ‘kwaliteit’ tot stand komt in het gesprek binnen de complexe, dynamische omgeving van de academie, schrijven de onderzoekers.  

Onder de vierentwintig ondervraagde academici bevinden zich vijf hoogleraren, elf Universitair Hoofddocenten, vier Universitair Docenten en vier respondenten uit het ondersteunend personeel. In de vraaggesprekken, die ongeveer anderhalf uur duurden, werden zij gevraagd naar hun opvatting van kwaliteit, situaties die betrekking hadden op kwaliteit, de wijze waarop zij kwaliteit vaststellen, moeilijkheden of dilemma’s die zij ervaren bij het realiseren van kwaliteit en de wijze waarop ze daarmee omgaan.  

Onderwijskundige praktijk is onderscheidend 

Uit de data blijkt dat de opleidingsdirecteuren de kwaliteit van hoger onderwijs zien als iets dat sterk verweven is met ‘goed onderwijs’; het is de onderwijskundige praktijk die onderscheidend is. Daarbij werd aangegeven dat onderwijskwaliteit iets is dat op zichzelf moet worden begrepen. “De kwaliteit van kaas is iets anders dan de kwaliteit van water en de kwaliteit van onderwijs”, gaf een respondent aan. “Het bestuderen van het woord ‘kwaliteit’ lijkt me hier geheel niet interessant; je wilt iets weten over onderwijs.” 

“Als je mij als opleidingsdirecteur vraagt wat onderwijskwaliteit is, dan het antwoord heel simpel. Wat moeten studenten in vier jaar leren?” 

In termen van onderwijs is het bewerkstelligen van een kwalitatief goed opleidingsprogramma, hun belangrijkste taak, daarom geen vage opdracht, aldus de ondervraagde opleidingsdirecteuren. “Als je mij als opleidingsdirecteur vraagt wat onderwijskwaliteit is, dan het antwoord heel simpel. Wat moeten studenten in vier jaar leren?”, legde een respondent uit. Volgens de onderzoekers wordt kwaliteit van hoger onderwijs daarom begrepen als het stellen en behalen van doelen die te maken hebben met een academische opleiding en deze doelen te relateren aan hetgeen studenten leren. Zo noemden de opleidingsdirecteuren de kwaliteit van docenten en vakken, samenhang in curricula, goede leerstrategieën en een goede aansluiting op de arbeidsmarkt als belangrijke elementen daarin. 

Consistente afstemming als sleutel 

Daarnaast is het voor de onderwijskwaliteit van groot belang dat de doelen, de middelen en de toetsing van een opleiding voortdurend op elkaar worden afgestemd. “Als je die drie goed weet te verweven, heb je wat meer zekerheid dat de onderwijskwaliteit tenminste richting de studenten gegarandeerd is”, aldus een ondervraagde opleidingsdirecteur.  

Het proces van afstemming behelst gesprekken met allerhande collega’s over keuzes die op opleidingsniveau worden gemaakt, bleek uit de vraaggesprekken. Het niveau van de opleiding is dan ook de plaats waar kwaliteit in het gesprek wordt vormgegeven. Zo wordt op opleidingsniveau of de afstemming en het niveau van de opleiding vergelijkbaar is met andere academische opleidingen, terwijl men er tevens voor zorgt dat de opleiding zich onderscheidt van een eventuele soortgelijke opleiding op het hbo.  

Het denken over onderwijskwaliteit als iets dat is verweven met ‘goed onderwijs’ en het zorgen voor consistente afstemming tussen elementen van de opleiding voelt voor de opleidingsdirecteuren natuurlijk en niet-problematisch aan, schrijven de onderzoekers. Zij lopen echter tegen moeilijkheden aan als ze de onderwijskwaliteit in de praktijk willen verbeteren – moeilijkheden die vaak te maken hebben met hun relaties met het instituut. 

Wat helpt? Meer geld 

Spanningen met betrekking tot de onderwijskwaliteit ontstonden voornamelijk op twee vlakken, blijkt uit het onderzoek. Allereerst lijdt de kwaliteit van het hoger onderwijs soms onder de te kleine budgetten en de andere taken binnen een universiteit. Op de vraag wat de onderwijskwaliteit werkelijk zou kunnen verhogen, gaven de opleidingsdirecteuren meteen “meer geld” als antwoord. “Geld is tijd en meer tijd maakte intensievere lessen en contacten mogelijk, wat blijkbaar bijdraagt aan de onderwijskwaliteit”, aldus de onderzoekers.  

“We zijn niet bezig met het verdelen van geld, we verdelen verliezen.” 

Tegelijkertijd zien de opleidingsdirecteuren het als hun taak om zo efficiënt mogelijk om te gaan met hun beperkte budgetten. “Het is natuurlijk makkelijk om te vragen om meer docenten en meer tijd. Dat zou de kwaliteit zeker bevorderen. Maar we hebben beperkte budgetten, dus ik moet een balans vinden tussen die twee”, aldus een opleidingsdirecteur. Effectief betekent dit dat de kwaliteit van verschillende onderdelen van de opleidingen tegen elkaar moeten worden afgewogen. “Als je deze scriptie wilt begeleiden, gaat dat dus ten koste van …”, schetste een andere respondent. “We zijn niet bezig met het verdelen van geld, we verdelen verliezen.” 

Onderzoekstijd en onderwijslast 

Ook de balans tussen onderwijs en onderzoek leidt ertoe dat opleidingsdirecteuren soms concessies moeten doen met betrekking tot de onderwijskwaliteit. Een intensivering van de het onderwijs gaat vaak ten koste van de onderzoekstijd van onderzoekers, terwijl er door velen meer waarde wordt gehecht aan onderzoek dan aan onderwijs. Hoewel de ondervraagden onderwijs belangrijker achten, hangt de carrière van docenten volgens de opleidingsdirecteuren vaak af van hun onderzoeksprestaties.  

“Als ik het aannemen van nieuwe medewerkers overlaat aan een hoogleraar die verantwoordelijk is voor het onderzoeksprogramma, zullen er alleen maar ‘hot shot’ onderzoekers worden aangenomen die vooral onderzoek willen doen. Maar als ik naar de kwaliteit van het onderwijs kijk, wil ik mensen die intrinsiek gemotiveerd zijn, het liefst voor onderwijs”, schetste een opleidingsdirecteur de spanning tussen onderzoek en onderwijs. Voorrang geven aan de kwaliteit van het onderwijs kan dus maar beperkt, concluderen de onderzoekers. 

Verantwoordelijkheid zonder invloed 

Een tweede bron van spanningen met betrekking tot de onderwijskwaliteit betreft de gesitueerdheid van het onderwijsproces. Zo legden de opleidingsdirecteuren uit dat het belangrijk is om beslissingen in gezamenlijkheid met docenten te maken, gezien hun professionele autonomie en het feit dat zij het zijn die er in de praktijk mee te maken hebben. Tegelijkertijd kan één cynische docent een vak en daarmee de kwaliteit van het onderwijs verpesten, schetste een respondent – terwijl het dan de opleidingsdirecteur is die verantwoordelijk wordt gehouden voor de kwaliteit.  

Hoewel de hierboven beschreven spanningen te maken hebben met de gesitueerdheid van het onderwijsproces, worden ze vaak in hïerarchische relaties beslecht. Zodoende zijn de opleidingsdirecteuren, die verantwoordelijk zijn voor de onderwijskwaliteit, daarin afhankelijk van de beslissingen van bestuurders en docenten met betrekking tot respectievelijk de verdeling van budgetten en de vormgeving van het onderwijs. Hoewel opleidingsdirecteuren die hoogleraar of Universitair Hoofddocent zijn dat nog doenlijk vinden, geven andere opleidingsdirecteuren aan dat ze zich in een positie bevinden waarin ze wel verantwoordelijkheid maar geen invloed hebben.  

Invloed hangt samen met positie op academische ladder 

De positie van opleidingsdirecteuren op de academische ladder heeft invloed op de manier waarop zij naar kwaliteit en verbetering kijken, schrijven de onderzoekers. Zo hebben hoogleraren als opleidingsdirecteur meer invloed op het vaststellen en toewijzen van budgetten en hebben zij gemakkelijker contact met andere hooggeplaatsten binnen de academie. “Ik heb de autoriteit om druk te kunnen zetten”, omschreef een van hen.  

Ook voor sommige Universitair Hoofddocenten gold dat zij als opleidingsdirecteur veel invloed hadden, maar de meesten waren minder dan hoogleraren betrokken bij de besluitvorming over personeel en budgetten. Wel zetten zij soms eigen onderzoek naar onderwijs in om te bepleiten dat een bepaalde verandering of verbetering in het onderwijs wenselijk is. 

Universitair Docenten die opleidingsdirecteur zijn werken daarin vaak samen met onderwijsdirecteuren die de meer management-gerelateerde verantwoordelijkheden op zich nemen. Zij hebben zelf minder invloed op het management. Ongeveer hetzelfde geld voor opleidingsdirecteuren die een administratieve of ondersteunende functie hebben binnen een universiteit, hoewel zij nog minder invloed hebben.  


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK