Als docent minder doen maar studenten meer laten leren, het kan

Nieuws | de redactie
17 februari 2022 | Studenten meer laten leren zonder als docent meer te hoeven doen, het kan. Dat is de boodschap van Kristina Edström en Jakob Kuttenkeuler tijdens de Onderwijsdag van de Vrije Universiteit. “De truc is dus simpel: doe meer van hetgeen dat bijdraagt aan het leren van studenten en doe minder van hetgeen dat daaraan niet bijdraagt.” Ze leggen uit hoe dat werkt.
Beeld: University of Central Arkansas (CC BY-NC-ND 2.0)

“Elke gek kan een vak beter maken als daaraan honderd uur extra kan worden besteed, maar ten eerste heeft geen enkele docent die uren en ten tweede krijgen we dan waarschijnlijk alleen maar meer van hetzelfde. De kunst ligt erin een vak beter te maken en niet méér maar juist mínder te gaan doen”, zegt Kristina Edström, techneut en onderwijsontwikkelaar bij de KTH Royal Institute of Technology in Stockholm, tijdens de Onderwijsdag van de Vrije Universiteit.  

Elke docent heeft tijd om onderwijs te verbeteren

Ze vertelt dat ze geprikkeld werd om hiermee aan de slag te gaan toen ze een bijeenkomst bijwoonde waar alle hoogleraren de zaal verlieten zodra het over onderwijs ging. “’Waarom doen ze dat?’, vroeg ik aan iemand. ‘Oh, dat zijn hoogleraren, die hebben geen tijd voor het verbeteren van hun onderwijs’, was het antwoord. Dat prikkelde mij dermate dat ik begon met het verzamelen van voorbeelden waarin het onderwijs beter wordt terwijl het de docent niet meer tijd kost.” 

Een hoogleraar die daarmee daadwerkelijk aan de slag ging is Jakob Kuttenkeuler, hoogleraar maritieme architectuur bij de KTH Royal Institute of Technology. Samen leggen ze uit vanuit welke principes ze te werk gaan en wat die werkwijze doet in de praktijk. “Toen Jakob hoogleraar werd, was dat voor mij een teken dat hij erin geslaagd was om zijn onderwijs zo in te richten dat het niet ten koste ging van zijn onderzoek”, aldus Edström. 

Lesgeven is geen performance 

“We zijn eraan gewend geraakt om de kwaliteit van docenten te bepalen aan de hand van studentevaluaties”, vertelt Edström. “Dat is kwalijk, want het betekent dat charismatische docenten hoger beoordeeld worden. Om dezelfde reden zijn we over lesgeven gaan denken als een performance, terwijl het dat helemaal niet is. Goed onderwijs stimuleert het leren van de student; dáár moeten we ons op richten. Voor wie haar onderwijs wil verbeteren zonder daaraan meer tijd kwijt te zijn, is de truc dus simpel: doe meer van hetgeen dat bijdraagt aan het leren van studenten en doe minder van hetgeen dat daaraan niet bijdraagt.” 

Daarbij zijn vier zaken belangrijk, legt Edström uit. Zo moet een docent duidelijke doelen stellen en daarbij goed specificeren welke kwaliteit van studenten wordt verwacht. Vervolgens moeten die kwaliteitseisen strikt worden gehandhaafd. Daarnaast moet het vak zodanig worden ontworpen dat de inhoud ervan daadwerkelijk bijdraagt aan de leeruitkomsten waarop het vak gericht is. Als laatste moet dat alles worden uitgevoerd op een tijdsefficiënte manier. “Als docenten moeten we onze tijd besteden aan dingen die écht effect hebben op het leren van studenten”, aldus Edström.  

Efficiënter werken betekent dus niet ‘meer doen’ maar ‘minder doen’ – en dat is vaak lastiger. “Minder van iets gaan doen is niet makkelijk”, vertelt een van de deelnemers tijdens de sessie, “we geven niet voor niets les op onze eigen manier, we doen dat bewust en we houden van onze eigen werkwijze.” De Zweedse onderwijsdeskundigen erkennen dat, maar laten aan de hand van een voorbeeld zien dat ‘minder doen’ erg lonend kan zijn.  

Een week bezig zijn met het beoordelen van verslagen 

“Stel je voor dat ik een vak geef dat zes weken duurt en bestaat uit zes cycli van één week, waarbij studenten elke week een verslag moeten inleveren”, schetst Kuttenkeuler. “Als ik op de traditionele manier te werk ga en alle rapporten lees, van terugkoppeling voorzie en beoordeel, ben ik daar een volle week aan kwijt. Als ik het vak slimmer opzet, ben ik elke week in een uurtje klaar.” Maar hoe?  



“Op de eerste maandag introduceer ik het vak natuurlijk, maar begin ik ook meteen met het behandelen van nieuwe, relevante lesstof. Daarbij geef ik de studenten een challenge mee waarin ze de theorie moeten toepassen en testen in meerdere casussen. Daarnaast moeten ze spelen met de mogelijkheden, bijvoorbeeld door variabelen aan te passen en te zien wat er dan gebeurt. De resultaten moeten ze beschrijven in een kort verslag van zo’n twee à drie kantjes.” 

Als docent onvoorbereid naar college kunnen komen

Daarnaast vindt elke donderdag een drie uur durend vrijwillig werkcollege plaats waarin studenten vragen kunnen stellen over hun challenge. “Studenten komen alleen als ze denken dat ze er iets aan hebben”, vertelt Kuttenkeuler. “Sommigen komen gewoon zitten en gaan stil aan de slag, anderen werken in groepjes samen en komen met gezamenlijke vragen. Als docent hoef ik alleen naar het werkcollege te komen, eigenlijk zonder voorbereiding; ik weet immers waarover ik het heb. Dat is een erg leuke manier van lesgeven.” 

Als de volgende maandag alle verslagen zijn ingeleverd, vindt tijdens het college een feedback-sessie plaats. Iedere student voorziet een verslag van een andere student van geschreven terugkoppeling, waarna de studenten daarover in gesprek kunnen gaan met elkaar. Als er daarna nog vragen of onduidelijkheden zijn, worden die klassikaal besproken. “Vervolgens geef ik mijn college, geef ik hen de nieuwe uitdaging, neem ik hun verslagen mee naar huis en volgen we de cyclus opnieuw.” 

Een driepunts-beoordeling is veel efficiënter 

Natuurlijk zit Kuttenkeuler zelf dan nog met die stapel verslagen die hij moet lezen en beoordelen, maar ook dat doet hij efficiënt. “Ik gebruik een driepunts-beoordeling: nul punten als het onvoldoende is, één punt als het goed is en twee punten als het briljant is. Het is veel makkelijker om het verschil te zien tussen een nul, een één en een twee dan tussen een 6,5 en een zeven. In deze opzet ben ik ongeveer een uur bezig met het beoordelen van vijfentwintig verslagen; het kost met dus maar een paar minuten per verslag.” 

Naast punten voor het verslag kunnen studenten punten verdienen voor de terugkoppeling die ze aan medestudenten geven. “Die terugkoppeling schrijven ze op elkaars verslagen, dus die kan ik gewoon teruglezen als ik bezig ben met het beoordelen”, legt Kuttenkeuler uit. “Bij het eerste verslag geef ik dat punt nog vrij gemakkelijk, maar vanaf de tweede cyclus word ik strenger omdat ik dan beter heb aangegeven wat ik verwacht. Tijdens de colleges leg ik namelijk steeds uit wat ik verwacht van de feedback, waarop studenten moeten letten.” 

Zo gaan de zes weken van het vak voorbij. Aan het eind van het vak wordt het cijfer van de studenten berekend aan de hand van de punten die ze hebben behaald met de verslagen en de terugkoppeling die ze hebben gegeven. Dat cijfer wordt aangevuld met het cijfer voor een kennistoets. 

Ook voor een docent met een grotere groep studenten is deze aanpak bruikbaar, benadrukt Edström. “Tijdens de werkcolleges kun je promovendi laten bijspringen, net als bij het beoordelen van de verslagen. Houd wel rekening met het feit dat de terugkoppeling wat minder persoonlijk wordt als een groep groter is. Dat zie je vooral bij groepen van meer dan honderd studenten.” 

Maar wat nu als de peer feedback slecht is? 

“Ik weet zeker dat jullie nu allemaal dezelfde zorg hebben”, zegt Edström na het voorbeeld van Kuttenkeuler. “Wat nu als de kwaliteit van de feedback die studenten elkaar geven niet goed is? Is het niet beter dat de mensen met kennis feedback geven? Welnu, laten we ons dan die vraag stellen. Kunnen we het feedback geven door studenten verdedigen vanuit het perspectief van het leren van studenten?” 

Verrassend is het niet, maar het antwoord is ‘ja’. Het moet een docent immers niet te doen zijn om de kwaliteit van de feedback, het gaat veeleer om de kwaliteit van het leren van studenten. “Als we onze energie besteden aan het verbeteren van die feedback, richten we ons op het verkeerde. We moeten ons juist richten op het leren van studenten”, benadrukt Edström.  

Het moet een docent niet te doen zijn om de kwaliteit van de feedback, het gaat om de kwaliteit van het leren van studenten.

En wat nu als de terugkoppeling van studenten inderdaad slecht is? “Dan heeft de student die de terugkoppeling ontvangt er alsnog geen last van, want het is de docent die de uiteindelijke beoordeling doet, niet de medestudent”, legt Edström uit. “Daarnaast kan een meningsverschil over de terugkoppeling er juist toe leiden dat studenten onderling het gesprek over de theorie aangaan en samen met hun vraag bij de leraar komen. Die leraar moet er wel voor zorgen dat studenten elke week van een andere medestudent terugkoppeling krijgen; zo verminder je het negatieve effect van studenten wiens terugkoppeling niet verbetert.” 

Docent moet zich alleen bezighouden met formatieve beoordeling 

In de onderwijskundige en pedagogische theorie zijn waarschijnlijk honderd manieren te vinden om formatieve beoordeling efficiënter te maken, sluit Edström af, maar ook de summatieve beoordeling kan dus veel efficiënter. “De truc is het scheiden van de processen – processen die het leren van de student stimuleren en de processen die met beoordeling te maken hebben. Peer feedback, betrokkenheid bij de les, onderlinge discussies en motivatie horen allemaal bij die eerste categorie; alleen het beoordelen van de verslagen is iets wat de docent echt zelf moet doen, en ook dat kan zo efficiënt mogelijk.” 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK