De wetenschap krijgt water uit een halfvol glas

Nieuws | de redactie
24 maart 2022 | 'Het water staat ons aan de lippen', was de boodschap van de wetenschap; er zou ieder jaar één miljard euro extra nodig zijn. Het nieuwe kabinet investeert nu vijf miljard euro extra, maar wel over een looptijd van tien jaar. Hoe moet dat geld worden besteed? “Wellicht denkt men nu dat er ruimte is om nieuwe dingen te gaan doen of een nieuw gebouw neer te zetten. Dat geld is echter nodig om het onderzoek dat wij nu in het weekend en in de avonduren doen te kunnen blijven doen", zegt Casper Albers in gesprek met de minister en andere belanghebbenden.
Minister Dijkgraaf in gesprek met gespreksleider Jaap Jansen en UNL-voorzitter Pieter Duisenberg. Beeld: UNL.

Hoe investeren we het beste in de universiteiten? Onlangs bogen minister Dijkgraaf, NWO-voorzitter Marcel Levi, adjunct-hoogleraar Casper Albers en enkele anderen zich over deze vraag tijdens het Samen Slimmer Café van de Universiteiten van Nederland. Daarbij worden twee dingen duidelijk: het tekort aan geld wordt niet opgelost, en de verdeling van de schaarste wordt een lastig proces; eigenlijk is al het geld nodig om het huidige werk aan universiteiten te bekostigen. 

Het glas is half gevuld 

Al vroeg in het gesprek wordt minister Dijkgraaf eraan herinnerd dat hij, voordat hij minister werd, grote verwachtingen had van ‘een volgend kabinet’. Zo stond hij ook vierkant achter de eis om tenminste één miljard extra te investeren in onderzoek en onderwijs. “Nu hebben we vijf miljard te verdelen over tien jaar”, bekende Dijkgraaf. “Langs die maat gemeten is het glas dus half gevuld.” 

Omdat het glas maar voor de helft gevuld is en het wetenschappelijk veld altijd meer ideeën heeft die meer geld vragen, heeft de minister een wensenlijstje gekregen dat hij onmogelijk geheel kan inwilligen. “De rij voor het loket is lang. Als departement moeten we echter kijken naar het hele stelsel; dát moeten we optimaliseren, wat betekent dat je niet noodzakelijkerwijs ieder element van het systeem moet optimaliseren. Dat zou ook niet kunnen; daarvoor hebben we niet genoeg middelen. Het gaat dus om de randvoorwaarden waarmee we dat kunnen doen. Zijn er instrumenten met een bewezen succesvolle werking? Is het beleid langdurig?” 

De verdeling moet gebaseerd zijn op principes 

Waar Dijkgraaf al snel na zijn aanstelling als minister zei dat het systeem meer lucht nodig heeft, betekent dit volgens hem niet dat overal een beetje bij moet. “Er zijn een paar plekken waar dat het hardst nodig is en waarmee Nederland het meest opschiet. Er zijn veel dingen die we met elkaar kunnen doen. Als we daar wat winst kunnen boeken, optimaliseren we het systeem op een manier waarop individuele instellingen dat niet kunnen.” 



Uiteindelijk zal de strategie uit die houding moeten voortspruiten; tot een verdeling komen op basis van principes en randvoorwaarden, niet op basis van scherpe onderhandelingen, aldus Dijkgraaf. “Ik vind trouwens dat onze zorgen niet alleen van materiële aard zijn”, voegt hij daaraan toe. “We hebben ook immateriële zorgen. Het zou mooi zijn als we die twee elementen kunnen meenemen in een visie voor de langere termijn.” 

Eerst zal hierover worden gediscussieerd in de ministerraad. Daarna zal Dijkgraaf een hoofdlijnenbrief naar de Tweede Kamer sturen, in de hoop voor de zomer concrete plannen te hebben. Of bijvoorbeeld de Van Rijn-gelden, die werden weggehaald bij brede universiteiten om ten goede te komen aan technische universiteiten, de omgekeerde weg zullen bewandelen, wilde de minister niet zeggen. “Ook dat zit in het mandje met boodschappen dat ik heb opgehaald”, zei hij wel. 

Topprestaties + onderfinanciering = enorme werkdruk 

Nadat UNL-voorzitter Pieter Duisenberg benadrukt dat het water aan de lippen van de universiteiten staat en minister Dijkgraaf schetst dat de Nederlandse wetenschap in het buitenland hoog aangeschreven staat, komt de paradox naar boven die steeds meer wringt. Een bestel dat in de breedte goede prestaties levert maar tegelijkertijd kampt met onderfinanciering, trekt een zware wissel op degenen die het onderzoek uitvoeren. “De druk op onderzoekers is veel te hoog”, weet ook Dijkgraaf. 

Daar moet dan ook de eerste prioriteit liggen, betoogt Casper Albers, adjunct-hoogleraar Toegepaste Statistiek & Datavisualisatie bij de Rijksuniversiteit Groningen, namens WOinActie. “Heel simpel: meer mensen voor dezelfde hoeveelheid werk. Tien jaar geleden bleek al dat men bij ons gemiddeld 6,8 uur per week overwerkt en dat de helft van de mensen toch naar het werk komt als ze ziek zijn. In de jaren daarna is dat nog verergerd. Die 1,1 miljard extra per jaar is nodig om het niveau dat we nu leveren te kunnen behouden.” 

Dit geld is nodig voor het werk dat we nu in de avonduren doen 

Het is daarom fijn dat er meer geld beschikbaar komt, maar dat brengt ook het risico op hogere verwachtingen met zich mee, schetst Albers. “Wellicht denkt men nu dat er ruimte is om nieuwe dingen te gaan doen of een nieuw gebouw neer te zetten. Dat geld is echter nodig om het onderzoek dat wij nu in het weekend en in de avonduren doen te kunnen blijven doen.” 

De meest verregaande oplossing zou een vermindering van het aantal studenten kunnen zijn. “Als je alle studenten die nu aan de universiteit studeren goed onderwijs wilt aanbieden, kost dat tijd. Die tijd is er niet, want de werkdruk is te hoog. Of er moeten meer mensen bijkomen om het werk gedaan te krijgen, of er moet minder werk zijn. Een eenvoudige manier om minder werk te hebben is het toelaten van minder studenten. Vanzelfsprekend heeft dat niet onze voorkeur, maar het helpt wel met het omlaag brengen van de werkdruk.” 

Werkdruk is niet ons beste argument 

Toch is een te hoge werkdruk wellicht niet het beste argument om meer geld aan te trekken, vermoedt Marcel Levi, voorzitter van NWO. ” Een klein beetje stress is, zoals een klein beetje van alles, niet verkeerd, maar ik denk dat mensen aan de universiteit lijden onder stress die uit de hand is gelopen. Precies zoals Casper zegt: te veel studenten en te weinig mensen. Als die balans zoek is, is het goed om daarover eens een échte discussie te voeren. Toch is er geen sector in Nederland zonder werkdruk; kijk maar naar de politie, de zorg, het onderwijs. Daarom is ‘werkdruk’ misschien niet ons meest overtuigende argument.” 

Vanuit de kenniscoalitie, die Levi voorzit, heeft men in het afgelopen jaar een succesvolle lobby voor inversteringen in de wetenschap gevoerd op basis van andere argumenten, vertelt Levi. “Argumenten die aantonen dat het goed is voor dit land, voor onze maatschappij en voor onze economie. Daarop zullen we worden afgerekend. Als we het geld nu haphazard verdelen en een beetje geven aan iedereen, want iedereen is goed, dan weet ik nu al dat er over een aantal jaar een rapport van de Rekenkamer ligt waarin wordt geconstateerd dat het geld is verdampt. We moeten dus heel goed nadenken waaraan we dit geld gaan besteden om zowel dit land als de universiteiten met hun studenten en medewerkers vooruit te helpen.” 

Dat zal moeten gebeuren binnen een model van krapte en schaarste, want ook de investeringen van dit kabinet zullen niet toereikend zijn om het tekort aan geld goed te maken. “Er is gewoon niet genoeg geld voor iedereen, dus we zullen keuzes moeten maken. Gaan we de pieken op onze hoogvlakte stimuleren, waarvoor een goede argumentatie te vinden is, en wat doen dan in de tussentijd met de hoogvlakte?” 

Stuur de hele tweede geldstroom naar Veni, Vidi en Vici 

Ook aan de honoreringspercentages van NWO zou iets moeten gebeuren. Die liggen nu al laag, maar het zal nog veel erger worden, voorspelt Levi. “De geweldige mensen die nu met geld uit de sectorplannen worden aangenomen zullen allemaal aanvragen gaan doen. Natuurlijk kunnen we het proces van aanvragen makkelijker en eenvoudiger maken, maar elke zichzelf respecterende onderzoeksfinancier in Europa en daarbuiten heeft honoreringspercentages van twintig tot vijfentwintig procent. Dan zou ons systeem van competitie kunnen werken, maar met een honoreringsprecentage van tien procent kom je in de knel. Dan kun je veel excellent onderzoek niet honoreren. Natuurlijk zit daar een prijskaartje aan, en daar raken we in de problemen. We hebben niet voor alles genoeg geld.” 

Daarom moet goed worden gekeken naar andere manieren van financiering, zoals rolling grants, en de uitwerking daarvan op het systeem. “Je zou zelfs een model kunnen voorstellen waarin de hele tweede geldstroom in de talent-lijnen van de Veni-, Vidi- en Vici-programma’s wordt gestort. Dat is een bestaand mechanisme, dus we hoeven niets bijzonders te doen. Zo zouden we voor iedereen een honoreringspercentage van twintig à vijfentwintig procent kunnen halen.” 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK