Leer studenten zich kritisch tot neoliberale ideologie te verhouden

Opinie | door Jeroen van Deel
10 maart 2022 | Iedere ideologie vormt een gevaar voor de open en vrije samenleving; ook het neoliberalisme, dat misschien moeilijker herkenbaar is als politieke ideologie maar dat nochtans is, waarschuwt Jeroen van Deel. Hij betoogt dat het de taak van hoger onderwijsinstellingen is om hun studenten aan te leren zich kritisch te verhouden tot ideologische paradigma's en kaders waarbinnen ze zich bevinden.
“Laten we onze jongeren de mogelijkheid niet ontzeggen om zelf te bepalen welke ballonnen ze willen doorprikken en welke ze willen oplaten”, betoogt Jeroen van Deel. Beeld: Dominic Robinson (CC-BY-SA-2.0)


Dit artikel is een verkorte versie van het essay ‘het meisje met de ballon’ door Jeroen van Deel. Het volledige essay is hier te vinden. 


De Britse kunstenaar Banksy wilde dat zijn schilderij ‘Meisje met ballon’ zichzelf geheel vernietigde zodra het op een veiling werd verkocht. Daarmee wilde de maker de absurditeit laten zien van de gigantische bedragen die voor kunst worden betaald. Zijn opzet mislukte echter, waardoor het schilderij slechts half vernietigd werd. Ironisch genoeg is de waarde ervan alleen maar hoger geworden. Het kunstwerk werd onlangs opnieuw verkocht voor een veelvoud van het bedrag waarvoor het op de bewuste veiling werd verkocht. 

Dit verhaal lijkt exemplarisch te zijn voor de neoliberale vrijemarktsamenleving. Telkens als er, met weer een crisis die erger is dan de vorige, gedacht wordt dat het systeem nu toch wel ‘overleden’ is (Stiglitz), herrijst dat systeem in iets aangepaste vorm weer als een feniks uit de as. 

De open samenleving: belang en bedreiging 

Voordat ik verder in ga op de neoliberale vrijemarktsamenleving en de rol van het hoger onderwijs, sta ik kort stil bij het belang van vrijheid en een open samenleving. Dat doe ik aan de hand van twee filosofen, Karl Popper en Hannah Arendt. 

In zijn hoofdwerk ‘De open samenleving en haar vijanden’ houdt Popper een vurig pleidooi voor de open samenleving vanuit de gedachte dat democratie de enige staatsvorm is waarin de menselijke rede zich kan ontplooien en waarin geweldloze hervormingen tot stand kunnen worden gebracht. De open samenleving is een samenleving die, in tegenstelling tot een gesloten samenleving, open staat voor verandering en correctie. De ontwikkeling van een open samenleving is echter inherent onzeker en voltrekt zich niet, zoals bij een gesloten samenleving, langs de lijnen van (vermeende) eeuwige waarheden en een blauwdruk van een ideale staat.  

Onze beschaving komt voort uit een gesloten tribale samenleving en is doorgegroeid naar een open samenleving. Er zijn echter steeds tendensen die proberen terug te keren naar de gesloten samenleving. Door historicisme, totalitarisme, utopisme en tribalisme nader te bezien, toont Popper dat ideologieën die zijn gebouwd op het streven naar een (onbereikbaar) ideaal in hun streven juist precies hun tegendeel realiseren en daarmee gevaarlijk zijn.  

Popper stelt: “In plaats van ons voor te doen als profeten, moeten we ons lot in eigen hand nemen.” Dat ter hand nemen van het lot behelst bij Popper het hanteren van de kritische methode. Niet proberen de hemel op aarde te bewerkstelligen, maar stapsgewijs (trial and error) die zaken aanpakken die de open samenleving bedreigen. 

Gesloten ideologie 

Hannah Arendt beschrijft in haar boek ‘Totalitarisme’ hoe totalitaire systemen werken en waar ze vandaan komen. Haar boek, kort na de tweede wereldoorlog geschreven, leest niet alleen als een historische analyse van nazisme en communisme, maar ook als een waarschuwing en een pleidooi voor de open samenleving. Totalitaire bewegingen, zo schrijft Arendt, maken gebruik van ideologieën, ontdoen die van hun utilitaire inhoud en presenteren ze als onfeilbare voorspellingen, gebaseerd op veronderstelde wetten van de geschiedenis of de natuur.  



Het falen van dergelijke voorspellingen is onmogelijk omdat ze gericht zijn op de verre toekomst. Zo kan een afwijkende huidige situatie altijd geduid worden als het nog niet bereikt hebben van de ideaalsituatie. Zodoende wordt een fictief wereldbeeld gecreëerd dat, in tegenstelling tot de werkelijke wereld, gehoorzaamt aan de wetten van logica, consistentie en organisatie. De idee van de ideologie is daarmee feitelijk ondergeschikt aan de ‘dwangbuis van de logica’.  

Gevoelens van afzondering, eenzaamheid, verlatenheid, ontworteling en overbodigheid maken mensen vatbaar voor schijnbaar logische grond waarop totalitaire bewegingen zich bouwen, schetst Arendt. De totalitaire ideologie wordt dan de enige betrouwbare ‘waarheid’ waarop mensen kunnen terugvallen. 

Neoliberalisme is ideologie 

De open samenleving is een verworvenheid die de menselijke rede en het samenleven in vrijheid mogelijk maakt, maar onder constante druk staat van ideologieën die de rede en de vrijheid proberen te beperken. Is de neoliberale vrijemarktsamenleving ook zo’n ideologie? De Duitse politicoloog Thomas Biebricher heeft met zijn boek ‘Onvermoed en onvermijdelijk’ een mooie beschouwing gegeven van de vele gezichten van het neoliberalisme. Biebricher stelt dat het neoliberalisme meer is dan een economisch gedachtegoed, omdat het ook een wezenlijke politieke dimensie heeft.  

De verhouding van het neoliberalisme tot de staat is problematisch. Enerzijds vormt het neoliberalisme een ideologie die uitgaat van begrippen als vrijheid, groei en ondernemerschap. Daarbij stoelt het op de klassiek liberale theorie dat de omvang van de staat slechts groot genoeg moet zijn om een vrije markt te kunnen garanderen. Anderzijds heeft het neoliberalisme in de praktijk de paradoxale neiging om juist de vrijheid die het nastreeft teniet te doen. Deze tegengestelde beweging toont zich wanneer de staat wordt ingezet om nieuwe ‘neoliberaliseringsrondes’ uit te voeren.  

Deze technocratische ingrepen die worden gedaan op het niveau van bijvoorbeeld Europese bestuursorganen bewegen buiten het democratische proces om. In zijn boek noemt Biebricher als voorbeeld de zogenaamde Trojka (IMF, de Europese Centrale bank en de Europese Commissie) die de voorwaarden formuleren en de vooruitgang controleren inzake financiele ondersteuning van landen zoals Griekenland.  

Biebricher pleit daarom voor een kritische houding ten opzichte van zowel de neoliberale theorie als de praktijk. De theorie van de ideologie mag nooit boven alle twijfel verheven zijn, zou niet als onafwendbare lotsbestemming moeten worden beschouwd en dient telkens weer kritisch benaderd te worden. Ook de (onbedoelde) effecten van implementatie in de praktijk verdienen onze kritische houding, om zo te voorkomen dat we vanuit een gerichtheid op het ideaal van vrijheid en een open samenleving afglijden richting een autoritaire of zelfs totalitaire praktijk. Laten we, om met Arendt te spreken, onze vrijheid van denken niet inruilen voor de dwangbuis van de logica. 

Ook hoger onderwijs vaart op neoliberale drijvers 

Ook het hoger onderwijs is doordrenkt van een neoliberaal discours. Van de financiering van instellingen op basis van studentaantallen, marktaandeel en diplomabonussen, tot het leenstelsel dat een opleiding ziet als een investering in de eigen toekomst die zich letterlijk terugbetaalt en als effect heeft dat de student zich als consument opstelt. Instellingen en opleidingen die in toenemende mate te maken krijgen met controle en regeldruk, prestatieafspraken en rankings. Concurrentie, competitie, doelmatigheid en schaalvergroting in plaats van samenwerking, publieke taak, ontwikkeling en menselijke maat. 

Maar is dit erg? Vanuit verschillende perspectieven is hierop de afgelopen jaren gereflecteerd. Zo stellen Jelmer Evers en Rene Kneyber in ‘Het alternatief’ dat de afrekencultuur in het onderwijs schade toebrengt aan zowel de motivatie van docenten als de ontwikkeling van leerlingen. Kees Boele stelt in zijn boek ‘Onderwijsheid’ dat de nadruk op managementinformatie afleidt van de kerntaak van het onderwijs: onder-wijzen, zodat jongeren wijzer worden. De school moet niet als een bedrijf worden geleid, maar de inhoud van het onderwijs en de passie van docenten moet centraal staan.  

Martha Nussbaum stelt in haar boek ‘Niet voor de winst’ dat onderwijs dat vooral gericht is op het afleveren van economisch bruikbare leerlingen ons vermogen om ons kritisch te verhouden tot autoriteit aantast, onze sympathie voor mensen die anders zijn reduceert en ons vermogen om complexe grootschalige vraagstukken te beoordelen beschadigt. Onderwijs in het neoliberale paradigma, waarin deze vaardigheden verwaarloosd worden, is volgens Nussbaum een serieuze bedreiging voor de democratie. 

Rol van het hoger onderwijs 

Als we constateren dat het neoliberale vrijemarktparadigma een gevaar voor de open samenleving kan zijn en dat dit risico wellicht verminderd kan worden door in te zetten op onze vrijheid van denken, heeft het hoger onderwijs hierin dan een rol, om zo de open samenleving mogelijk te blijven maken? 

Zowel Karl Popper als Hannah Arendt zijn hierover volstrekt duidelijk. Het onderwijs en de politiek zijn twee aparte werelden. Zij staan wel met elkaar in verbinding, maar hebben niet dezelfde doelstelling. Waar Popper de doelstelling van de politieke wereld legt in het bestrijden van het kwaad en het mogelijk maken van de open samenleving, legt Arendt de nadruk op het garanderen van het politieke recht om deel te nemen aan publieke aangelegenheden en toegang tot de publieke ruimte. Zowel Popper als Arendt stellen dat onderwijs jongeren zou moeten voorbereiden op een leven in die wereld. Daarbij is het doel vooral dat zij deze wereld onafhankelijk moeten kunnen vormgeven, op basis van hun eigen nieuwe inzichten. 

Leer studenten zich te verhouden tot heersend ideologisch paradigma 

In ‘Het prachtige risico van onderwijs’ komt Gert Biesta, op basis van Arendt, tot een voor het onderwijs interessante conclusie. Arendt stelt dat politiek existeren gericht is op het met elkaar existeren en dat zodanig te doen dat pluraliteit in stand blijft, dus een situatie waarin we vreemden/anderen verdragen en zij ons verdragen. Dit wordt mogelijk gemaakt door de eerdergenoemde, ook door Biebricher gewenste, kritische houding te stimuleren.  

Zoals Biesta het verwoordt: om ”door je eigen ogen te kijken vanuit een positie die niet de jouwe is, of in een verhaal dat sterk verschilt van het jouwe.” Politiek existeren gaat dus niet om het “creëren van een gemeenschappelijk fundament, maar om een gemeenschappelijke wereld, ingegeven door het verlangen naar de ruimte waarin vrijheid kan verschijnen.” Biesta sluit af met: “Als er iets is wat onze speciale aandacht behoeft als onderwijzers, dan is dat het zorg dragen voor mogelijkheden om politiek te existeren oftewel een betrokkenheid bij het proberen thuis te zijn in de wereld en het verdragen van vreemden. Dit is tegelijkertijd zowel een onderwijspedagogische als een politieke verantwoordelijkheid, omdat wat hier op het spel staat de mogelijkheid van een menselijk bestaan in een gedeelde wereld is.”  

Het is de taak van hoger onderwijsinstellingen om na te denken over de manier waarop zij vorm willen geven aan de zodanige vorming van studenten dat zij ook in de toekomst een vrije, open samenleving mogelijk maakt. Dat het hoger onderwijs hierbij plaatsvindt binnen een heersend politiek-economisch paradigma is zowel een onvermijdelijk gegeven als iets waarvan we ons continu bewust moeten proberen te blijven, hoe lastig dat ook is. Niet om jongeren te sturen in de richting van een ‘wenselijke’ ontwikkeling, maar wel om ze bewust te maken van de kaders, de invloed die hiervan uitgaat, het belang van een open samenleving en hun rol hierin.  

Laten we onze jongeren de mogelijkheid niet ontzeggen om zelf te bepalen welke ballonnen ze willen doorprikken en welke ze willen oplaten.  

Jeroen van Deel : 

Strategisch adviseur bij NHL Stenden Hogeschool.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK