Terugkeer naar loting gaat geneeskundeopleiding niet meteen divers maken

Nieuws | door Michiel Bakker
4 maart 2022 | De achtergrondkenmerken van aspirant-studenten zijn een grotere rol gaan spelen in de beweging van selectie en loting naar volledige selectie voor universitaire medisch georiënteerde opleidingen. De studentpopulatie van deze opleiding is daarom niet divers en representatief voor de samenleving. De terugkeer van loting als selectiemiddel zal dat echter niet veranderen, blijkt uit recent onderzoek. Het probleem ligt eerder in de onderwijskolom.
De terugkeer van loting als selectiemiddel gaat het probleem van een te weinig diverse studentenpopulatie niet oplossen, schrijven onderzoekers van de Vrije Universiteit en de Universiteit Utrecht. Beeld: Charlotte May.

 

Voor de excellentie van universitair medisch georiënteerde opleidingen (umgo’s) is het van fundamenteel belang dat de studentepopulatie divers is, schrijven onderzoekers van het Amsterdam UMC, de VU, de Universiteit Utrecht en het UMCG. De studenten zullen immers zorg verlenen in een diverse maatschappij. Als de opleiding een diverse omgeving vormt, zullen ze beter gewend zijn aan die diversiteit en zullen ze betere zorg kunnen leveren. Zo is reeds bekend dat diversiteit onder werknemers in de gezondheidszorg bijdraagt aan patiënttevredenheid en het begrip tussen patiënt en zorgverlener.  

Ook op het gebied van onderzoek is het van belang dat een studentenpopulatie divers is. Hoe groter de diversiteit, hoe vaker er onderzoek wordt gedaan naar bijvoorbeeld ziektes die voornamelijk minderheidsgroepen treffen. Een diverse gezondheidszorg vergroot daarnaast de toegankelijkheid van de zorg. “Diversiteit onder studenten van umgo’s is dus van groot belang voor de samenleving”, aldus de onderzoekers.  

Populatie zorgprofessionals in opleiding niet divers en representatief 

Echter, die studentpopulaties zijn vaak niet divers. “De cohorten van studenten die worden opgeleid tot zorgprofessionals zijn in veel landen niet representatief voor de groep aan wie zij zorg moeten verlenen”, schrijven de onderzoekers. Internationaal gezien behoren deze studenten vaak tot een etnische meerderheid en hebben meestal hoogopgeleide en financieel goed bedeelde ouders die vaker werkzaam zijn in de gezondheidszorg.  

In de wetenschap is een debat gaande over de vraag in hoeverre loting als selectiemiddel kan worden gebruikt om dat gebrek aan diversiteit (en de daarmee wellicht samenhangende kansenongelijkheid) tegen te gaan. Nederland biedt een uitgelezen kans om die proef op de som te nemen, aangezien men in het nabije verleden twee methodes van toelating heeft gebruikt: loting en selectie. “Waar men eerst gewogen loting gebruikte, werd vanaf het jaar 2000 een graduele beweging richting selectie ingezet. Sinds 2017 wordt honderd procent van de studenten bij universitaire medisch georiënteerde opleidingen middels selectie toegelaten.” 

Ontwikkeling van hybride naar volledige selectie 

In hun onderzoek hebben de onderzoekers bekeken welke demografische kenmerken samenhangen met de kans op toelating tot een umgo. Daarnaast is onderzocht of de representativiteit van de studentenpopulatie van deze opleidingen is veranderd tijdens de graduele beweging van loting en selectie naar volledige selectie. Die representativiteit werd gemeten ten opzichte van alle leeftijdsgenoten alsook ten opzichte van degenen die voldoen aan de voorwaarden om deel te nemen aan de selectie én de kandidaten die daadwerkelijk hebben deelgenomen aan de selectieprocedure. 



De dataset bestond uit drie cohorten van alle in Nederland geregistreerde zestienjarigen op 1 oktober 2008, 2012 en 2015 (N>600.000). Binnen deze cohorten werd zowel de groep geïdentificeerd die deel zou nemen aan de selectie (vwo-leerlingen met een NG, NT of NG/NT profiel) als de groep die zich daadwerkelijk kandidaat had gesteld voor Geneeskunde, Farmacie, Klinische Technologie of Tandheelkunde. Degenen die op negentien-jarige leeftijd inderdaad ingeschreven bleken te zijn bij een van deze opleidingen werden als studenten gezien. 

De achtergrondkenmerken die in het onderzoek zijn meegenomen betreffen geslacht, het aantal ouders dat BIG-geregistreerd was (en dus werkzaam is in de gezondheidszorg als zorgverlener), een eventuele migratieachtergrond en drie indicatoren voor sociaaleconomische status (SES): het inkomens- en welvaartspercentiel van de ouders en het aantal ouders dat een bijstandsuitkering ontving.  

Achtergrondkenmerken steeds bepalender 

Bij hybride selectie (selectie en loting) bleken twee achtergrondkenmerken van significante invloed op de kans op toelating: gender en het welvaartspercentiel van ouders. Na de beweging richting volledige selectie blijken vier achtergrondkenmerken van significante invloed; nog altijd gender en het welvaartspercentiel van ouders, maar nu ook een eventuele migratieachtergrond en het aantal ouders dat BIG-geregistreerd was. 

Hoewel de drie onderzochte cohorten voor ongeveer de helft uit vrouwen bestonden, waren vrouwen oververtegenwoordigd in zowel de groep kandidaten die meedeed aan de selectie als de groep die toegelaten werd. Zo was het aandeel mannen in de studentpopulatie van cohort 2008 slechts 34 procent. In cohort 2015 lag dit nog lager, op bijna negenentwintig procent.  

Hoge SES en ouders in de gezondheidszorg verhogen kans 

Ook studenten met een of twee ouders die werkzaam zijn als BIG-geregistreerd zorgverlener bleken oververtegenwoordigd te zijn. Hun aandeel in de studentpopulatie nam tussen 2008 en 2015 wel af, maar de oververtegenwoordiging bleef. Studenten uit cohort 2015 wier ouders niet in de gezondheidszorg werkten vormden 83 procent van de groep vwo’ers die in aanmerking kwam om deel te nemen aan de selectie, maar slechts 78 procent van de groep die zich daadwerkelijk kandidaat stelde, en 75,7 procent van de toegelaten studenten.  

Studenten met ouders die werkzaam zijn als zorgverlener bleken oververtegenwoordigd te zijn. Voor studenten met ouders die behoren tot de meest welvarende tien procent van de bevolking geldt hetzelfde als voor studenten wier ouders werkzaam zijn in de gezondheidzorg; hun aandeel nam tussen 2008 en 2015 iets af, maar ze bleven oververtegenwoordigd in vergelijking met de groep kandidaten, de groep die aan de voorwaarden om deel te nemen aan de selectie voldeed, en al hun leeftijdsgenoten.  

Studenten met een lagere of gemiddelde SES waren daarentegen ondervertegenwoordigd binnen de studie. Zij deden wel bovengemiddeld vaak mee aan de selectie in vergelijking met hun aandeel in de vwo-populatie, maar werden significant minder vaak dan gemiddeld toegelaten tot de opleiding. Kandidaten met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Caribisch-Nederlandse migratieachtergrond meldden zich ook in hogere proporties aan voor de selectie dan hun aandeel in de vwo-populatie, maar hadden significant lagere kansen om toegelaten te worden. Mede daardoor waren zij behoorlijk ondervertegenwoordigd binnen de studie, zeker in vergelijking met hun aandeel in de leeftijdscohorten.  

Bij elke stap minder divers

In meerdere stappen richting toelating tot een universitaire medisch georiënteerde opleiding gaat er diversiteit verloren, schetsen de onderzoekers. Zo kent het vwo een oververtegenwoordiging van leerlingen zonder Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Caribisch-Nederlandse migratieachtergrond en leerlingen uit gezinnen met een hoge SES. Zodoende is de groep die in aanmerking komt voor selectie al niet representatief voor het gehele cohort. “Het verlies aan etnische en sociaaleconomische diversiteit in deze fase is veel groter dan het verlies aan diversiteit gedurende verdere stappen richting toelating; ongeacht of er hybride of volledige selectie gebruikt wordt”, schrijven de onderzoekers.  

Zolang de groep die zich kandidaat kan stellen voor een universitaire medisch georiënteerde opleiding niet representatief is, gaat de terugkeer van volledige loting het gebrek aan diversiteit niet oplossen 

Echter, ook in het daadwerkelijke proces van selectie gaat aan diversiteit verloren. Met de overstap naar volledige selectie namen dat verlies en de kansenongelijkheid zelfs toe. Waren het in 2008 nog vooral vrouwen en jongeren uit de 10 procent meest welvarende gezinnen van Nederland die meer kans maakten op toelating, in 2015 kon een aspirant-student het best vrouw zijn, geen Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Caribisch-Nederlandse migratieachtergrond hebben, afkomstig zijn uit een van de tien procent meest welvarende gezinnen van Nederland en ouders hebben die werkzaam waren als zorgverlener. Deze achtergrondkenmerken verhoogden de kans op toelating significant. De lagere kansen op toelating voor kandidaten met een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Caribisch-Nederlandse migratieachtergrond konden niet verklaard worden door SES.  

Terugkeer van loting gaat maakt niet meteen divers

Toch hangt de representativiteit van de studentenpopulatie in umgo’s niet in de eerste plaats af van het gebruikte selectiemiddel, concluderen de onderzoekers. Zolang de groep die in aanmerking komt om zich kandidaat te stellen, of de groep kandidaten die daadwerkelijk meedoet aan de selectie, niet divers en representatief is voor hun leeftijdsgenoten, zal de geselecteerde groep dat waarschijnlijk ook niet zijn.  

Ook de terugkeer van loting als selectiemiddel, wat het kabinet middels een wetsvoorstel in voorbereiding heeft, zal dat niet automatisch veranderen. “Een systeem van loting kent geen mechanisme waarmee een gelijk speelveld wordt gecreëerd voor degenen die wegens een lagere SES of een migratieachtergrond al ondervertegenwoordigd zijn in de groep die zich kandidaat zou kunnen stellen of dat daadwerkelijk doet”, schrijven de onderzoekers. Jongeren uit deze groepen lopen reeds in het voortgezet onderwijs aan tegen barrières zoals een laag verwachtingspatroon, discriminatie of het gebrek aan toegang tot de beste scholen.  

Maak voortrekken van sommige groepen wettelijk mogelijk 

Zolang de groep die zich kandidaat kan stellen voor een universitaire medisch georiënteerde opleiding niet representatief en divers is, gaat de terugkeer van volledige loting het gebrek aan diversiteit niet oplossen, aldus de onderzoekers. Het zou daarom wettelijk mogelijk moeten worden om mannen en aspirant-studenten met een lage SES, een ondervertegenwoordigde migratieachtergrond of ouders die niet werkzaam zijn als zorgverlener meer kansen te geven in de selectieprocedures.  

De onderzoekers roepen beleidsmakers daarbij op om oog te hebben voor de intersectionaliteit van bovengenoemde achtergrondkenmerken. Een mannelijke aspirant-student met een lage SES én een ondervertegenwoordigde migratieachtergrond zal nog minder kans maken op uiteindelijke toelating dan een aspirant-student die slechts aan één van die kenmerken voldoet.  

De belangrijkste interventies zullen echter op de basisschool en middelbare school moeten plaatsvinden. Daar moeten kinderen met een lage of gemiddelde SES en een Turkse, Marokkaanse, Surinaamse of Caribisch-Nederlandse migratieachtergrond beter worden ondersteund om succesvol het vwo (met een Natuurprofiel) te kunnen afronden, zodat de groep (mogelijke) kandidaten voor een umgo een betere afspiegeling kan worden van hun leeftijdsgenoten. Op de middelbare school moeten bovendien jongens en leerlingen wier ouders niet in de gezondheidszorg werkzaam zijn extra worden aangemoedigd om voor universitaire medisch georiënteerde opleidingen te kiezen.  


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK