‘Verhalen over werkdruk maken het onderwijs onaantrekkelijk’

Nieuws | door Janneke Adema
7 juni 2022 | Onderzoek en onderwijs moeten beter met elkaar samenwerken, maar daar hebben leraren helemaal geen tijd voor. “Het onderwijs moet uit een negatieve spiraal komen”, verklaart Gillian Garritzen, directeur van basisschool De Lindegaerd. “Dat maakt onze baan ontzettend onaantrekkelijk. We zullen weer moeten aantonen hoe leuk het is om in het onderwijs te werken.”
Trudie Schils, Mélanie Monfrance, Gillian Garritzen en Marlou Jenneskens, resp.

Tijdens een debat over kansenongelijkheid in het onderwijs, georganiseerd door Studium Generale van de Universiteit Maastricht, gingen drie mensen uit het onderzoek, de onderwijspraktijk en de beleidskant met elkaar in gesprek. Trudie Schils, hoogleraar onderwijseconomie bij de UM, waarschuwt dat onderzoekers te weinig bruikbare resultaten leveren. Volgens Mélanie Monfrance, onderzoeker van de Universiteit Maastricht, moet de samenwerking tussen onderzoekers en leraren daarom beter. Echter, daar hebben leraren veel te weinig tijd voor, beklaagt Garritzen. Volgens haar moet het onderwijs uit een negatieve spiraal komen. 

Onderzoekers vaak pas achteraf betrokken 

Volgens Monfrance is er al veel onderzoek gedaan naar kansenongelijkheid in het onderwijs. Vooral in harde data als toetsresultaten en data over de doorstroom van leerlingen is kansenongelijkheid te zien. Echter, er is een stuk minder bekend over de zachte uitkomsten en vaardigheden die invloed hebben op de resultaten van een leerling, zoals sociaalemotionele ontwikkeling. “Het is van belang om meer samen te werken met de praktijk om daar meer zicht op te krijgen”, zegt Monfrance. 



Monfrance is aangesloten bij verschillende initiatieven om die samenwerking te verbeteren. “We moeten nog wat stappen maken om die processen beter gelijk te laten lopen, zodat ze elkaar nog beter kunnen aanvullen”, zegt ze. “Leraren zijn vaak heel bevlogen en gaan enthousiast van start met nieuwe initiatieven. Er worden dan heel snel stappen gemaakt, maar in de wetenschap gaan we niet zo snel.” Monfrance vertelt dat onderzoekers vaak pas achteraf betrokken zijn bij het proces. “De doelen van projecten zijn ook niet altijd even concreet, wat het moeilijk maakt om onderzoek daarop te laten aansluiten.” Volgens Mofrance is het beter als onderzoekers vanaf het begin betrokken zijn bij nieuwe projecten. 

Menukaart met interventies 

Vanuit de praktijk ziet Garritzen ook ruimte voor verbetering. Volgens haar moeten leerkrachten eraan wennen om naar de wetenschap te kijken voordat zij een interventie doen. Vaak ligt er namelijk al veel data. “Dan komt het volgende: hoe wordt die data aangeboden en kunnen leraren er iets mee? Ik denk dat die data beter beschreven kan worden en wij kunnen leren die data beter te interpreteren.” Garritzen betoogt dat aankomende leerkrachten op de pabo al leren om onderzoek te interpreteren. “Daar zit nog een systeemfout.” 

Toch is het niet zo dat het alleen ligt aan het overbrengen van onderzoeksresultaten. “We gaan ervan uit dat die resultaten maar voor handen liggen”, waarschuwt Schils. “Wij als onderzoekers produceren veel te weinig data waar leraren wat mee kunnen. Daar ligt een behoorlijke opdracht voor ons. Het ministerie maakt zich schuldig aan het conserveren van die gedachte door 8,5 miljard het onderwijs in te slingeren. Vervolgens bieden ze een menukaart aan met verschillende interventies die bewezen zijn onder reguliere omstandigheden. Ik weet niet of die bewezen interventies ook effectief zijn wanneer de maatschappij op zijn kop staat.” 

“Je kan een leraar wel vragen om onderzoeksresultaten te gebruiken, maar waar moet die dan naar kijken? In de eerste coronagolf kregen we de ene webinar na de andere en allemaal toolkits die moesten helpen. Maar leraren hadden in de eerste plaats geen tijd om naar al die webinars te kijken en het was onduidelijk welke informatie betrouwbaar was. Waarom maken wij het ze zo ingewikkeld? Kunnen we die kennis niet op een simpelere manier ontsluiten? Dat kan alleen door het gesprek aan te gaan, maar dat is erg tijdsintensief.” 

Het aanzien van een leraar 

Die tijd is er helemaal niet voor leerkrachten, volgens Garritzen. “Ik durf voor een groot deel van mijn collega’s te zeggen dat daar veel te weinig tijd voor is.” Door het personeelstekort in de sector staan bestuursleden van scholen voor harde keuzes. “Dat leidt tot nieuwe discussies over onderwijskwaliteit. Ik kan wel kwaliteitseisen stellen, maar dat betekent dat ik vacatures niet invul omdat de mensen die reageren niet aan die eisen voldoen. Dan maak je de keuze om een groep van dertig kinderen onbemand te laten. Die keuze maak je dan toch echt niet.” 

“Collega’s die een dergelijke keuze wel durven maken blijven met een chronisch personeelstekort zitten. Aan die leraren ga je geen moeilijke ‘waarom’-vragen stellen, want je wil ze niet dusdanig opjagen dat ze de volgende dag ook niet meer komen. Die scheidslijn wordt steeds ingewikkelder.” Volgens Garritzen heeft dat niet alleen maar met geld te maken. “Wij doen dit werk uit passie en van honderd of tweehonderd euro per maand gaan we niet harder of minder hard voor die kinderen lopen. Het heeft te maken met het aanzien van ons beroep.” 

“Het onderwijs moet uit een negatieve spiraal komen”, verklaart Garritzen. “Het gaat telkens over de werkdruk en hoe zwaar we het hebben. Dat maakt onze baan ontzettend onaantrekkelijk. We komen zo mensen tekort; het kost ons mensen op de werkvloer.” Hierdoor is er nog minder tijd om aan de samenwerking met de onderzoekssector te werken, stelt Garritzen. “We zullen als beroepsgroep weer moeten aantonen hoe leuk het is om in het onderwijs te werken.” 

Beleid kopiëren 

Volgens hoogleraar Schils zijn Zweden en Finland voorbeelden van landen waar het leraarschap beter is geregeld. “Leraren worden daar beter beloond. In die landen is leraar nog steeds een statusberoep. Ik sprak vorige week nog iemand uit Finland en daar betekent het nog echt iets om leraar te zijn. Dat is hier in Nederland niet meer het geval”, verklaart ze. Echter, het onderwijs in deze landen kent ook uitdagingen. “Kinderen krijgen daar tot een bepaalde leeftijd generiek onderwijs en moeten op 16-jarige leeftijd de keuze maken over waar ze naartoe willen. Voor sommige kinderen is dat te laat. De overgang van het onderwijs naar de arbeidsmarkt is in Finland ook vele malen slechter dan in Nederland.” 

“Dat willen we niet graag horen, want we zien Finland als het beste jongetje van de klas, maar je kunt landen niet zomaar vergelijken.” Schils pleit ervoor om te leren van landen als Zweden en Finland, maar waarschuwt ook dat we bepaald beleid niet zomaar kunnen kopiëren. Hetzelfde geld voor verschillende scholen in Nederland; wat op de ene school werkt, is niet altijd van toegevoegde waarde voor andere scholen. 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK