Het diversiteit-discours zit vol tegenstellingen

Nieuws | door Janneke Adema
1 juli 2022 | Wat is diversiteit in de academische context? Hoe worden problemen rondom diversiteit geformuleerd en benaderd? Volgens Zakia Essanhaji van de VU en Rogier van Reekum van de EUR is het belangrijk om deze vragen te beantwoorden voordat we kijken daar wat universiteiten kunnen doen aan diversiteit.
Foto: Cottonbro

Onderzoek naar diversiteit slaat vaak een cruciale vraag over; wat is diversiteit in de academische context? Essanhaji en Van Reekum onderzochten hoe het discours eruitziet. Op diversiteit gericht-beleid bevestigt vaak de norm van de witte man terwijl het de verantwoordelijkheid voor integratie bij de vrouwen of niet-witte mensen legt. Interviews gingen daarnaast vaak over de achtergrond en de ervaringen van een van de onderzoekers; de deelnemers zagen haar enerzijds als een belangrijke kennisbron en bevroegen anderzijds haar objectiviteit.

In hun case-study onderzochten Essanhaji en Reekum de diversiteitsdiscussie op de Erasmus Universiteit Rotterdam. In 2015 startte de EUR een nieuw programma voor meer diversiteit; er werd onder andere een chief diversity officer ingezet en later opende de EUR een diversity and inclusion office (D&I Office).  Essanhaji en Van Reekum bestudeerden beleidsdocumenten en artikels in Erasmus Magazine, bezochten evenementen van de D&I Office en deden interviews met medewerkers van de universiteit.

Bevestigt het beleid de norm van de witte man

Beleidsdocumenten formuleren het diversiteitsprobleem als een onbalans tussen het aantal mannen en vrouwen en minder studiesucces studenten met een ‘niet-Westerse achtergrond’, schrijven de onderzoekers. Door de kwestie op deze manier te formuleren, bevestigt het beleid de norm van de witte man, beargumenteren ze; het legt de nadruk op het betrekken van vrouwen en niet-Westerse mensen in een gemeenschap waar hun deelname niet vanzelfsprekend is. Daarnaast laat het geen ruimte voor non-binaire academici of intersectionaliteit.



Een van de D&I beleidsmedewerkers wees wel op een verschuiving in het beleid; waar diversiteit vroeger een probleem van vrouwen was, benadrukt men nu de algemene toegevoegde waarde van diversiteit. Het discours van ‘toegevoegde waarde’ past goed bij de zeer competitieve aard van de Nederlandse wetenschap en de logica van de meritocratie, schrijven de onderzoekers. Je krijgt een plek in de academische wereld wanneer je goed genoeg bevonden wordt en de positie van de universiteit verbetert dankzij goede wetenschappers.

Echter, ook wanneer het gesprek draait om de toegevoegde waarde van diversiteit, bevestigt men de status quo, beargumenteren Essanhaji en Van Reekum. De toegevoegde waarde van diversiteit komt namelijk bovenop wat al gewaardeerd wordt; de waarde van diversiteit wordt getoetst aan bestaande standaarden. “Bepaalde mensen (namelijk vrouwen en niet-witte mensen) nemen deel aan de universiteit indien ze toegevoegde waarde hebben”, schrijven de onderzoekers.

Zo ontstaat een paradox

Essanhaji en Van Reekum zien hier een overeenkomst met de manier waarop men omgaat met het integreren van immigranten in Nederland. “Het integratieproces wordt gezien als de toevoeging van buitenstaanders aan een bestaand geheel”, zeggen de onderzoekers. “Dat impliceert niet alleen dat de verantwoordelijkheid voor integratie bij de buitenstaanders zelf ligt, maar ook dat sommigen het beter zullen doen dan anderen.” Een succesvolle integratie wordt gemeten aan de hand van de sociale afstand die de ‘buitenstaander’ heeft.

Zo ontstaat een paradox: het probleem van diversiteit ligt aan de ene kant binnen de universiteit – in de samenstelling van de gemeenschap – maar aan de andere kant wordt het geformuleerd als de afstand die iemand heeft tot die gemeenschap. Juist door het te hebben over ‘toegevoegde waarde’ schildert de universiteit het beeld van een probleemloze organisatie waar alleen maar aan toegevoegd kan worden en niets gewijzigd. De buitenstaander heeft zelf de verantwoordelijkheid om aan de gevestigde standaarden te voldoen.

ScienceGuide schreef eerder over de positie van gevluchte academici in Nederland. Door de competitieve cultuur van de Nederlandse wetenschap, waar veel Nederlandse wetenschappers mee worstelen, wordt deze groep extra benadeeld.

Meer twistpunten

Wanneer de discussie over diversiteit wordt gelinkt aan wetenschappelijke kwaliteit verschijnen er meer twistpunten, schrijven Essanhaji en Van Reekum. Dit werd onder andere duidelijk bij een discussie in Erasmus Magazine. Medewerkers stuurden een open brief naar het blad waarin ze om meer diversiteit vroegen omwille van de wetenschappelijke kwaliteit. Weinig diversiteit zou leiden tot eenzijdige en beperkte kennis; verschillende mensen met uiteenlopende ervaringen kunnen bijdragen aan de gezamenlijke kennis.

De toenmalige voorzitter van de JOVD (Jongeren Organisatie Vrijheid en Democratie) reageerde op de brief. Maatregelen om diversiteit te verbeteren zouden ‘onnodig en onwenselijk zijn’ omdat ze volgens haar een bedreiging vormen voor de wetenschappelijke kwaliteit. Het ‘politieke’ ideaal van diversiteit zou geen plek hebben in de interne discussie over wetenschap. Een van de schrijvers van de open brief reageerde dat de reactie van de JOVD misplaatst was omdat diversiteit op de universiteit geen partij-politieke aangelegenheid is; het is politiek in de zin dat het de interne politiek van de organisatie aangaat. Ook in deze discussie herkennen Essanhaji en Van Reekum de tegenstelling tussen wat als ‘binnen de universiteit’ en als ‘buiten de universiteit’ wordt beschouwd.

Uiteindelijk besluiten de wetenschappers wat wetenschappelijke kwaliteit is

In de interviews vroegen de onderzoekers aan verschillende medewerkers wat volgens hen wetenschappelijke kwaliteit is. Opvallend genoeg vonden de beleidsmedewerkers, die specifiek met het onderwerp diversiteit werkten, dat ze niet in de positie waren om te definiëren wat wetenschappelijke kwaliteit is. Ze gaven aan dat het uiteindelijk de academici zijn die daar iets over mogen zeggen. “We kunnen begeleiding bieden doormiddel van een toolkit voor werving en selectie en workshops over onbedoelde vooroordelen, maar dat is alles”, zei een projectmanager van de D&I Office. “Uiteindelijk besluiten de wetenschappers wat wetenschappelijke kwaliteit is en hoe dat beoordeeld moet worden.”

Echter, wanneer dezelfde vraag aan onderzoekers werden gesteld, konden die ook geen antwoord geven. Sommigen konden wel voorbeelden van bepaalde indicatoren geven, zoals aantal publicaties en citaties of deelname aan panels, maar het was lastig om een precieze definitie te geven. Een onderzoeker zei dat, hoewel hij geen complete lijst aan vereisten kon geven, kwaliteit wel herkend wordt door de meerderheid, bijvoorbeeld bij conferenties.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK