Starters- en stimuleringsbeurzen zullen voor meer tijdelijke contracten zorgen

Opinie | door gastauteurs
6 juli 2022 | Alhoewel het idee van gratis geld voor iedereen op het eerste gezicht sympathiek lijkt, kleven er een aantal ernstige bezwaren aan de zogenaamde ‘rolling grants’. Meer volwaardige vaste aanstellingen zouden een betere oplossing voor de problemen van het WO zijn, schrijven Carlo Ierna (WOinActie), Tim de Winkel (0.7), Lotje Siffels (0.7) en Flora Lysen (Casual Academy).
Tijdelijke docenten demonstreerden voorafgaand aan de CAO-onderhandelingen bij het Academiegebouw van de Universiteit Utrecht.

Wim van Saarloos lanceerde het idee van ‘rolling grants’ in zijn KNAW-jaarrede van 2019. Deze beurzen zouden meer ruimte en rust in het Nederlandse wetenschapssysteem kunnen brengen, dankzij een sterkere onderzoeksbasis. Dit idee werd overgenomen in het KNAW-rapport “Evenwicht in het Wetenschapssysteem”; rolling grants zouden projectificering bestrijden, ongebonden onderzoek bevorderen en de druk verminderen door “wetenschappers gedurende hun gehele wetenschappelijke loopbaan te ondersteunen”. 

Een geïnstitutionaliseerd Mattheus-effect 

De uitwerking van het plan volgde in 2020 met het KNAW-rapport van de commissie Weckhuysen. Het leek veelbelovend maar kende ook ernstige beperkingen. Slechts een minderheid van het wetenschappelijk personeel zou überhaupt in aanmerking komen en meer dan de helft van het geld zou naar hoogleraren gaan. Rolling grants waren alleen voorzien voor vast personeel met een aanstelling van minstens 0.8 fte en het functieprofiel van UD of hoger. Dat sloot al onmiddellijk ongeveer de helft van het wetenschappelijk personeel uit: postdocs en docenten. Daarnaast vielen wetenschappers met tijdelijke aanstellingen buiten de boot, onder andere een ruim kwart van de UDs.  

Van de begrote 500 miljoen per jaar zou 300 voor de hooglerarenmoeten zijn; bijna 60 procent van het budget naar ongeveer 10 procent van het wetenschappelijk personeel. Een geïnstitutionaliseerd Mattheus-effect: wie al had, zou nog meer krijgen. Volgens het KNAW-plan zou dus het meeste geld naar al gevestigde en niet naar jonge, beginnende wetenschappers gaan. Het merendeel van de academici onder de 40 zou vanwege hun functie niet eens aanspraak kunnen maken op een rolling grant.  

Draaideurpraktijk voorspelt weinig goed 

Dit plan is nu herzien en aangepast in de beleidsbrief van minister Dijkgraaf. Neemt de nieuwe variant dan ook de bovengenoemde beperkingen weg? Slechts zeer ten dele. Ze heten nu ‘startersbeurzen’ en ‘stimuleringsbeurzen’ voor 300 in plaats van 500 miljoen per jaar; “een persoonlijk werkkapitaal voor (jonge) onderzoekers”. Dit kan besteed worden aan “onderzoekstijd voor zichzelf en teamgenoten, nieuwe collega’s en aanschaf en gebruik van (kleinschalige) onderzoeksfaciliteiten.”  



Het doel is om aanvraagdruk te verlagen en honoreringspercentages bij NWO kunstmatig te verhogen door ontvangers van rolling grants uit te sluiten. Vers aangestelde UD’s hebben daarmee de loterij gewonnen, maar het is twijfelachtig of de gestelde doelen zullen worden gehaald. Als je tot de geprivilegieerde groep hoort, wat ga je er dan mee doen? Je kunt promovendi of postdocs aanstellen of zelf meer onderzoek gaan doen. Om zelf meer onderzoek te doen ten koste van je onderwijs heb je tijdelijke docenten nodig als vervanger, en om onderzoek te laten doen heb je tijdelijke promovendi of postdocs nodig. Dit betekent dus in beide gevallen méér tijdelijke aanstellingen, juist in de groepen die zelf geen recht op een startersbeurs hebben. Dit zou allicht tot een verhoging van de aanvraagdruk kunnen leiden: hoe komen al deze extra postdocs en docenten anders aan een vervolgbaan?  

Volgens het KNAW-advies over rolling grants zelf is het sowieso al het geval dat “succes in het verkrijgen van onderzoekssubsidies de belangrijkste of zelfs enige maat [is] voor een aanstelling of bevordering.” Gaan instellingen door deze tijdelijke beurzen tijdelijk personeel dan toch vast in dienst nemen? De praktijk van draaideur- en wegwerpdocenten voorspelt weinig goeds. 

Beurzen zullen voor tijdelijke aanstellingen zorgen 

De nieuwe plannen komen aan een aantal bezwaren tegemoet; het geld is nu evenwichtiger verdeeld over ‘startende’ en gearriveerde wetenschappers. Tegelijkertijd vallen nog steeds zeer grote groepen buiten de boot: juist de startersfuncties van docent en postdoc. Hoewel de vereiste omvang van de onderzoeksaanstelling is aangepast naar 0.6 fte, zijn deze beurzen niet beschikbaar voor tijdelijke medewerkers.  

Ondanks de eis dat de ontvanger minstens 0.2 fte aan onderwijs blijft besteden en onderwijsvervangers twintig procent van het onderzoekstijd krijgen (hetgeen sowieso al in de CAO vastligt), lost dit het belangrijkste probleem van het WO op dit moment, de tijdelijke docenten zonder onderzoeksaanstelling, niet op. Het blijft tijdelijk geld dat voor tijdelijke aanstellingen zal zorgen. Er komen niet meer vaste banen bij, dus lost het ook niets op voor studentrijke disciplines waarbij onderwijs alle overige tijd in beslag neemt en er amper tijd is voor het onderzoek dat binnen de aanstelling hoort.  

Waarom zouden we 300 miljoen per jaar uitdelen aan degenen die al een vast contract met onderzoekstijd hebben, om dat geld dan eigenlijk vooral aan tijdelijke aanstellingen te besteden? Voor meer rust en ruimte kunnen we beter een paar duizend docenten in vaste dienst nemen als UDs. 

Carlo Ierna (WOinActie), Tim de Winkel (0.7), Lotje Siffels (0.7) en Flora Lysen (Casual Academy)


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK