Onderwijsraad: inzet EdTech geen vrijbrief om te besparen op docenten

Nieuws | de redactie
28 september 2022 | De inzet van technologie, al helemaal als die ‘intelligent’ genoemd wordt, wordt niet zelden gebruikt als argument om in het personeelsbestand te snoeien. Dat mag in het onderwijs niet het geval zijn, benadrukt de Onderwijsraad in een rapport over de inzet van ‘intelligente technologie'.
Beeld: Christina Morillo

De opkomst van digitale technologie in het onderwijs is niet tegen te houden en brengt zowel kansen voor verrijking als gevaren van verschraling en verlies van autonomie voor docenten met zich mee. Zo luidt de weinig opzienbarende conclusie in het rapport ‘Inzet van intelligente technologie’ dat de Onderwijsraad opstelde in opdracht van het ministerie van OCW. 

Onderwijsraad waarschuwt voor gevaren 

Met de zogeheten ‘intelligente’ technologie worden “adaptieve leermaterialen, automatische nakijkprogramma’s, dashboards die onderwijs- en leerprocessen weergeven en interpreteren, en simulaties die begeleiding bieden bij het (leren) uitvoeren van beroepshandelingen” en soortgelijke fenomenen bedoeld. Door de inzet van deze hulpmiddelen kunnen zowel docenten als studenten worden ondersteund, maar tegelijkertijd is er het risico van “een gebrek aan persoonlijk contact, ontmoediging van eigen initiatief en onwenselijke vormen van standaardisering, monitoring, differentiatie en profilering”, aldus de Onderwijsraad. 

Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de technologie geen besparing oplevert in de zin dat er minder leraren en docenten nodig zijn

In het rapport benadrukt de Onderwijsraad meermaals dat de technologische middelen alleen ten dienste van het onderwijs en de docent moeten staan. “Onderwijs geven vergt immers kwaliteiten die computers missen, zoals een brede opmerkzaamheid, pedagogische sensitiviteit en didactisch inspelen op specifieke en onverwachte situaties”, schrijft de raad. De intelligente technologie kan dan wel een grotere rol gaan spelen in onderwijsprocessen, die rol moet altijd onderschikt zijn aan de rol van docenten. 

“Belangrijk uitgangspunt daarbij is dat de technologie geen besparing oplevert in de zin dat er minder leraren en docenten nodig zijn”, staat in het rapport. “Integendeel: een goed inzet van intelligente technologie in onderwijs vraagt stevige voorbereiding en doordenking van alle facetten van het onderwijs, variërend van het leerklimaat tot de toetsing en feedback.” 

Collaborative Trust Framework als goed voorbeeld 

De borging van die verhouding is aan bestuurders en opleidingsdirecteuren, die tevens moeten zorgen voor een voldoende digitale geletterdheid bij zowel studenten als docenten. Schiet die digitale geletterdheid bij docenten tekort, dan kan de inzet van technologie onzinnig of onverantwoord zijn. Studenten met een gebrekkige digitale geletterdheid zullen minder van de technologie kunnen profiteren dan hun beter digitaal geletterde studiegenoten. 

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

De nieuwsbrief is exclusief toegankelijk voor medewerkers van onze partners.

Voor het gewenste niveau van digitale geletterdheid bij docenten en studenten kijkt de Onderwijsraad naar de overheid. Daarnaast wordt van de overheid verwacht dat ze kaders voor de waarborging van privacy en dataveiligheid opstelt en de markt voor intelligente onderwijstechnologie zo open mogelijk houdt. Een markt met slechts enkele, dominante aanbieders moet worden voorkomen, vindt de Onderwijsraad 

Ook het stimuleren onderwijstechnologie die in gezamenlijkheid door de aanbieders en de beroepsgroep wordt ontwikkeld is een taak van de overheid. Zulke afstemming begint echter buitenom initiatief van de overheid al vorm te krijgen middels het Collaborative Trust Framework, dat is ontwikkeld door meerdere hogescholen, SURF en EdTech-aanbieder FeedbackFruits.  

Onderwijsraad wil proctoring alleen in uitzonderingssituaties 

Verder valt op dat de Onderwijsraad de inzet van intelligente technologie bij proctoring “hooguit in uitzonderingssituaties” geschikt acht vanwege de privacy, de betrouwbaarheid van de fraudedetectie en de pedagogische relatie tussen studenten en docenten. Daarnaast is de raad huiverig voor het analyseren van data die zulke proctoringsoftware levert, bijvoorbeeld gezichtsuitdrukkingen, oogbewegingen en lichaamshouding. Die data zouden kunnen worden gebruikt voor pogingen het welbevinden van studenten in kaart te brengen.  

Hoewel de privacywetgeving van de Europese Unie het gebruik van dergelijke data voor praktijktoepassingen reeds verbiedt, voegt de Onderwijsraad daaraan toe dat het ook onnodig is. Daarbij wordt opnieuw de rol van de docent benadrukt. “Met hun pedagogische en didactische sensitiviteit kunnen docenten immers afgaan op eigen observaties. En via het persoonlijke contact kunnen ze doorgronden waarom leerlingen en studenten in een bepaalde stemming verkeren en in hoeverre ze werkelijk inzicht in de stof hebben”, aldus de raad.