Dovemansoren en internationalisering

Opinie | door Sander van den Eijnden
5 december 2022 | Het gesprek over internationalisering is de afgelopen dertig jaar weinig opgeschoten, merkt Sander van den Eijnden, voormalig directeur Internationaal Beleid bij het ministerie van OCW. Beleidsmakers in de politiek en het hoger onderwijs moeten eerst verhelderen wat ze precies willen met internationalisering; pas daarna kan men zinnige uitspraken doen over benodigde instrumenten en de verdeling van taken en verantwoordelijkheden.
Het ‘Drielandenpunt’ waar de grenzen van België, Duitsland en Nederland elkaar raken. Beeld: Frans Berkelaar (cc-by-sa-2.0)

Zo’n dertig jaar geleden besloot een hogeschoolbestuurder uit Venlo een Duitstalige variant van de opleiding Verpleegkunde te starten. De studenten zouden uit het naast gelegen Nordrhein Westfalen komen en daar ook naar terug keren. Zo hielp de hogeschool het tekort aan verpleegkundigen in de Duitse grensregio op te lossen.  

Op het ministerie van OCW – waar ik destijds werkte – hadden we onze bedenkingen. Was dit de internationalisering die we wilden? En wie ‘ging eigenlijk over’ zo’n opleiding voor Duitse studenten met Nederlands geld? De Venlose bestuurder had daar weinig geduld mee. Het besluit viel binnen de autonomie van de hogeschool en wie over geld begon had de Europese gedachte niet begrepen. 

Aan goede motieven voor internationalisering een gebrek 

Eind vorige maand zagen we een politieke patstelling over diezelfde internationalisering. De Tweede Kamer wil een pas op de plaats afdwingen, de minister vindt het te vroeg, de hogescholen begrijpen het niet en de universiteiten zwijgen. We zijn in dertig jaar niet veel opgeschoten in het gesprek over internationalisering. Hoe komt dat toch? 

Aan goede motieven voor internationalisering geen gebrek. Het begon in de jaren ‘50 als een vorm van ontwikkelingssamenwerking. Door het Erasmusprogramma kwam internationalisering ook in dienst van Europees burgerschap te staan. Vervolgens brak met de opkomst van het marktdenken het idee door dat we concurreren op een wereldwijde kennismarkt waar we de ‘brains’ en ‘ambassadeurs’ voor onze economie aan de haak moeten slaan. En toen daarna serieuze tekorten op de arbeidsmarkt zichtbaar werden kregen we becijferingen waarin ‘stay rates’ van internationale studenten centraal stonden.  

Internationalisering nooit bij de horens gevat 

Goede motieven te over, maar ook een beetje een potpourri. De vraag wat echt werkt in internationalisering heeft weinig aandacht gehad en is nooit volledig uitgewerkt. Dat valt onze universiteiten en hogescholen aan te rekenen, denk ik – maar zeker ook de overheid. Na minister Ritzen is het internationaliseringsbeleid van OCW een ondiepe, meanderende stroom geworden die meebeweegt op sentimenten en incidenten. 

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

De nieuwsbrief is exclusief toegankelijk voor medewerkers van onze partners.

Het hielp OCW ook niet dat in de wet op het hoger onderwijs (de WHW) geen rekening was gehouden met open grenzen. Vrij verkeer van studenten was niet voorzien, zeker niet dat dit door de belastingbetaler opgebracht zou gaan worden. Gek genoeg is het ook nooit geproblematiseerd. Universiteiten en hogescholen vonden het denkelijk wel best, ze waren toch autonoom, er was toch de Europese gedachte en we worden er toch allemaal beter van. 

In eerste instantie gold die manier van denken ook studenten van buiten Europa, maar later gingen die het volle pond betalen en werd het beleid selectiever. OCW intussen meanderde mee. Ministers leken het niet als hun verantwoordelijkheid te zien hoe de voortgaande internationalisering uitpakte, als de bedoeling maar goed was. Alleen wanneer er problemen waren met de Nederlandse taal, verdringing van Nederlandse studenten en tegenwoordig huisvesting kwamen ze in actie. Dat zijn belangrijke onderwerpen, maar vanuit de vraag wat we met internationalisering willen en wie erover gaat toch een beetje ‘beside the point’

Verduidelijk eerst wat je wilt

De afgelopen vier jaar begon de wal het schip te keren, waarop universiteiten hebben gevraagd om ‘instrumenten’ om de instroom te beheersen. Instrumenten voor henzelf, wel te verstaan, maar zonder vooraf duidelijk te maken wat ze daar dan mee gaan doen. De hogescholen intussen hebben het over krimp, tekorten en internationale studenten die hier later belasting gaan betalen.  

Ik heb sympathie voor de Tweede Kamer die het allemaal niet meer gelooft, naast deernis met de zittende minister. Hij lijkt me de eerste in lange tijd die met een steekhoudend verhaal kan komen. En zo’n verhaal is nodig, want ondanks mijn kritiek begrijp ik heel goed dat de Technische Universiteit Eindhoven moet groeien, dat Maastricht een internationale universiteit is, dat Europees burgerschap onder druk staat, de arbeidsmarkt deels internationaal is en open grenzen Godlof een feit zijn. 

In de afgelopen veertig jaar heb ik me o.a. beziggehouden met internationalisering van ons hoger onderwijs. Het gebrek aan voortgang in het denken en samen optrekken heeft me verbaasd en soms gefrustreerd. Je hoeft er helemaal niet voor of tegen te zijn, je kunt er gewoon over nadenken en erover praten. Begin dan wel met de vraag wat we willen. Pas daarna komt de vraag wat daarvoor nodig is, daarna wie waar over gaat en uiteindelijk pas wie wat gaat doen. Orde helpt.

Sander van den Eijnden : 

Werkte binnen het hoger onderwijs als directeur Internationaal Beleid bij het ministerie van OCW, algemeen directeur van Nuffic, voorzitter van Neth-er, bestuursvoorzitter van de Hogeschool Leiden, vice-voorzitter van de Vereniging Hogescholen en bestuursvoorzitter van de NVAO.


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK