Kader voor taalvaardigheid in hoger onderwijs gaat niet over d’s en t’s

Nieuws | door Janneke Adema
24 januari 2023 | In het nieuwe kader voor taalcompetentie in het hoger onderwijs staan geen leerdoelen uitgestippeld; opleidingen moeten zelf inschatten wat het belangrijkst is. Hoewel het kader nu nog dient als een richtlijn, kan het in de toekomst een rol gaan spelen bij accreditatie. 
Beeld: VD Photography (Unsplash)

Op de Hogeschool Rotterdam presenteerden Jacqueline van Kruiningen en Leonie Wulftange, leden van de werkgroep ‘Taalcompetentie in het hoger onderwijs’ van de Taalunie, het nieuwe kader voor taalcompetentie in het hoger onderwijs. In dat kader staan geen specifieke leerdoelen, maar wel een overzicht van de verschillende vaardigheden waaraan een opleiding aandacht moet besteden. Voor een goede implementatie van het kader moeten ook de vakdocenten bewust zijn van het belang van taalvaardigheid. 

Engelstalige studies 

Volgens de bestuursvoorzitter van de Hogeschool Rotterdam, Ron Bormans, is er veel te verbeteren aan de manier waarop taal wordt behandeld in het hoger onderwijs. Het belang van correct taalgebruik wordt vaak op de achtergrond geschoven, vindt hij. Het voordeel daaraan is dat veel mensen de ruimte krijgen, ook als ze minder taalvaardig zijn, maar daardoor zijn de verwachtingen laag. “Het is evident dat hoge verwachtingen goed werken in het onderwijs”, vertelt Bormans. “Vanuit de beste bedoelingen zijn de verwachtingen echter niet hoog, maar juist laag. Het is ons niet gelukt om taal de positie te geven die het verdient in het hoger onderwijs.” 

Naar aanleiding van zorgen vanuit het ministerie van OCW over de taalvaardigheid van Nederlandse studenten richtte de Taalunie in 2019 de werkgroep ‘Taalcompetentie in het hoger onderwijs’ op. Door het groeiende aanbod Engelstalige studies zou de aandacht voor de Nederlandse taal verslappen, vertelt Wulftange. Een betere ontwikkeling van de zogenaamde ‘uitdrukkingsvaardigheid’ zou daarnaast de aansluiting op de arbeidsmarkt beter borgen. 

Taalvaardigheid is een middel 

“Het is moeilijk om een vereist niveau te formuleren voor alle studenten in alle onderwijsvormen”, vertelt Wulftange. De werkgroep stelde daarom een kader op om studenten in alle opleidingen kansen te bieden om te werken aan de Nederlandse taalcompetentie. In het kader wordt daarom bewust geen gewenst start- of eindniveau genoemd, maar wel beschreven van wat idealiter bij iedere opleiding aan bod komt. 

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

De nieuwsbrief is exclusief toegankelijk voor medewerkers van onze partners.

Veel taal in hoger onderwijs

Volgens Van Kruiningen, lector bij de Hogeschool Rotterdam, is het belangrijk om niet te veel nadruk te leggen op specifieke taalvaardigheden. De mogelijkheden voor taalontwikkeling moeten in de didactiek van de opleiding verwerkt worden. Taal is immers een middel om te kunnen leren en om studiesucces te boeken, aldus Van Kruiningen. Voor een goede implementatie moeten daarom niet alleen taaldocenten meedoen, maar ook vakdocenten. Beide leden van de werkgroep benadrukken dat het niet nodig is om op tentamens alle d’s en t’s te corrigeren; taalvaardigheid gaat ook over doelgerichte communicatie en informatieverwerking. 

Het kader bestaat uit vier punten waarin de receptieve en producerende vaardigheden aan bod komen, evenals het bewustzijn van de student. Volgens Van Kruiningen is het belangrijk dat studenten een open en positieve houding hebben om adequaat te reflecteren op het eigen competentieniveau. Om de taalvaardigheid daadwerkelijk te verbeteren, moeten studenten vooral kilometers maken. Het is belangrijker dat er voldoende aandacht wordt besteed aan taalvaardigheid dan dat een specifiek einddoel wordt gehaald, meent de lector. 

Voor een opleiding waarin studenten werken met complexe academische teksten is het bijvoorbeeld belangrijk om na te denken wanneer aandacht wordt besteed aan leesvaardigheid en in hoeverre (nieuwe) studenten daarbij worden begeleid. Opleidingen kunnen ook overwegen extra aandacht te besteden aan het maken van aantekeningen of de woordenschat van studenten. 

Een belangrijk deel van de taalontwikkeling ligt in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs, maar in het hoger onderwijs is verdere ontwikkeling wel nodig. “In het hoger onderwijs krijgen studenten met zoveel informatieve input te maken”, vertelt Van Kruiningen. Ze wijst erop dat studenten werken met academische taal en vaktaal, die onderling kunnen verschillen en heel anders zijn dan alledaags taalgebruik. Het navigeren van die verschillen vergt competenties die niet per se aan bod komen in het voortgezet onderwijs. 

Taal kan een rol gaan spelen bij accreditaties 

Van Kruiningen geeft toe dat het praktischer was geweest als de werkgroep een specifiek einddoel voor de taalvaardigheid van studenten had geformuleerd. Echter, een afgebakend einddoel doet geen recht aan de grote verscheidenheid aan niveaus, opleidingen en studenten met verschillende behoeften op het gebied van taal. Het is daarom niet wenselijk om op nationaal niveau een kant en klare doelstelling te formuleren. Daarnaast zet Van Kruiningen vraagtekens bij de behoefte van veel instellingen om alles meetbaar te maken voor een resultaat dat in cijfers wordt uitgedrukt. 

Het kader is bedoeld om houvast te bieden aan instellingen en opleidingen wanneer die de taalvaardigheid van studenten willen verbeteren. Zij kunnen invulling geven aan die richtlijnen door eventueel zelf een einddoel te formuleren of lessen te geven die draaien om verschillende vaardigheden. Volgens Van Kruiningen is er echter een kans dat het kader in de toekomst een formelere rol gaat spelen bij accreditatie. Het gaat dan wel om wat de opleiding doet voor de ontwikkeling op het gebied van taal van de studenten en niet om de resultaten die studenten individueel boeken. 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK