Nederlandse hogescholen zijn slecht in het aanvragen van Europese onderzoeksbeurzen 

Nieuws | door Frans van Heest
31 augustus 2023 | Nederlandse hogescholen lijken, in vergelijking met een aantal Europese tegenhangers, moeite te hebben met het verwerven van Europese onderzoekssubsidies. Dat blijkt uit een grondige internationale studie. Om dit te verbeteren moet er een nauwere samenwerking tot stand komen tussen hogescholen en universiteiten, dienen hogescholen hun internationale betrokkenheid te vergroten en moet het onderzoek zelf wetenschappelijker van aard zijn en beter gefinancierd worden.
Verdeling van Europese beurzen over Noorse, Britse en Nederlandse hogescholen.
Verdeling van Europese beurzen over Noorse, Britse en Nederlandse hogescholen

De bevindingen van onderzoeker Marco Cavallaro van de Università della Svizzera Italiana wijzen op een belangrijke oorzaak voor de geringe participatie van Nederlandse hogescholen in Europese onderzoeksprogramma’s. Het Nederlandse hoger onderwijs toont namelijk een opvallende tweedeling tussen onderzoeksuniversiteiten en hogescholen. Deze discrepantie vertaalt zich in een aanzienlijk lagere deelname van Nederlandse hogescholen aan het Europese Horizon-onderzoeksprogramma wanneer zij worden vergeleken met instellingen uit Zwitserland, Noorwegen en Engeland.  

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

Van de 37 onderzochte hogescholen in Nederland blijken er slechts vijft deel te nemen aan het Europese Horizon-programma. Intrigerend genoeg waren 26 van deze 32 hogescholen kleinschalige onderzoeksinstellingen met minder dan 300 academische medewerkers, zoals aangetoond in het onderzoek van Marco Cavallaro. De krappe onderzoeksfinanciering vanuit de overheid voor hogescholen speelt eveneens een rol in de beperkte toegang tot Europese onderzoeksfinanciering. 

In Nederland weinig integratie 

Hogescholen, die in Europees verband ook wel Universities of Applied Sciences (UAS) worden genoemd, vormen een significant onderdeel van het Europese hoger onderwijslandschap. Ze vertegenwoordigen meer dan een derde van alle ingeschreven bachelorstudenten in landen zoals Denemarken, Ierland, Nederland, Portugal en Zwitserland. Hoewel ze in eerste instantie werden opgericht als onderwijsinstellingen, hebben diverse hogescholen gaandeweg een officieel mandaat voor onderzoek verkregen en zijn ze formeel erkend als universiteiten. In Nederland is dat, los van de technische universiteiten, overigens niet zo.  

De ontwikkeling van diverse hogeronderwijsstelsels in Europa, die toegepast en praktijkgericht onderzoek en onderwijs integreren, begon in de jaren zestig, schetst de onderzoeker. Dit fenomeen werd ingeluid door de oprichting van ‘polytechnics’ in het Verenigd Koninkrijk en ‘Fachhochschulen’ in Duitsland in de jaren zestig, gevolgd door Noorse regionale hogescholen en Ierse technologie-instituten in de jaren zeventig. Nederlandse hogescholen en de Portugese polytechnics volgden in de jaren tachtig, terwijl Finland en Zwitserland dit pad pas bewandelden in de jaren negentig. 

Hbo-bestuurders wilden concurreren met universiteiten 

In de afgelopen decennia hebben steeds meer hogescholen in de EU onderzoeksactiviteiten ontplooid. Deze opkomende interesse in onderzoek werd gestimuleerd door het streven van hogeschoolbestuurders naar een verhoogde status in een competitieve hoger onderwijsmarkt. Ook groeide de behoefte onder studenten aan geavanceerde graden. De Nederlandse overheid introduceerde bijvoorbeeld in de jaren 2000 de positie van lector en richtte in 2005 het gerichte onderzoeksfinancieringsinstrument Regieorgaan SIA op. Hoewel er een algemene roep was om meer onderzoek bij hogescholen, varieerden de middelen die aan onderzoeksactiviteiten werden toegewezen sterk per land. 

Terwijl het Bologna-proces en de implementatie van het bachelor-mastermodel de grenzen tussen universitair en niet-universitair hoger onderwijs in Duitsland, Nederland en Frankrijk enigszins hebben vervaagd, handhaafden de meeste landen met hogescholen toch hun binaire stelsels, zij het in verschillende gradaties. In landen zoals Finland, Duitsland, Zwitserland en Nederland hebben hogescholen ernaar gestreefd zich te onderscheiden van universiteiten door zich te specialiseren in toegepast onderzoek, regionale samenwerking en industriële partnerschappen. 

Nederland presteert ondermaats 

Een vergelijking van participatieniveaus in het Horizon 2020-programma binnen de vier genoemde landen onthult opmerkelijke verschillen. In het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland, waar voormalige en huidige UAS’en meer middelen voor onderzoek en een sterke STEM-oriëntatie hebben, zijn de deelnemingsniveaus aanzienlijk hoger dan in Noorwegen en Nederland. De betrokkenheid van Nederlandse hogescholen bij dit Europese onderzoeksprogramma is marginaal. Dit kan deels worden toegeschreven aan de hoge focus op onderwijs in Nederland, wat mogelijk resulteert in beperktere middelen voor onderzoeksactiviteiten. 

Binnen het Nederlandse hoger onderwijsstelsel is er ook een aanzienlijke differentiatie tussen universiteiten en hogescholen, in tegenstelling tot de andere onderzochte landen. Nederlandse hogescholen hebben hun primaire aandacht gericht op regionale en lokale behoeften. Hoewel hogescholen in 1986 wettelijk werden verplicht tot onderzoek, begon financiële steun pas in 2001 beschikbaar te komen. Onderzoek aan Nederlandse hogescholen is vaak praktijkgericht, waardoor het een uitdaging is om wetenschappelijke erkenning te verkrijgen, wat ook niet helpt in het aanvragen van Europees onderzoeksgeld. 

Nederlandse hogescholen zijn onderwijsintensief 

Cavallaro merkt op dat Zwitserse en Britse hogescholen opmerkelijk meer academisch personeel hebben dan de hogescholen in andere landen. Onderwijsintensiteit was het hoogst in Nederland en het laagst in Zwitserland. Britse en Zwitserse voormalige hogescholen (nu universities) hadden een significant grotere nadruk op STEM-gebieden, vaak rond de 45 procent. Daarentegen hadden de meeste Noorse en Nederlandse hogescholen weinig tot geen studenten in STEM-disciplines.  

In termen van onderzoeksoutput presteerden Britse huidige en voormalige hogescholen beter: zij leverden meer publicaties en patenten. Nederlandse en huidige Noorse hogescholen rapporteerden doorgaans minder publicaties en patenten. Dit kan deels worden verklaard door het relatief geringe aantal Nederlandse hogeschoolstudenten in STEM-opleidingen. 

Deze vergelijking van landen laat ook zien hoe de variatie in de positionering van voormalige en huidige hogescholen verband houdt met hun niveau van deelname aan Europese onderzoeksprogramma’s. In landen waar weinig tot geen onderscheid wordt gemaakt tussen universiteiten en voormalige hogescholen, zoals het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen, slaagden voormalige hogescholen erin aanzienlijk meer Europese onderzoekssubsidies binnen te halen. 

Van de 37 onderzochte Nederlandse hogescholen namen er 32 niet deel aan Horizon 2020. Onder deze 32 hogescholen hadden er 26 minder dan 300 wetenschappelijke medewerkers in dienst. 

Nationale financiering cruciaal 

De analyse van de onderzoeker onderstreept het verband tussen de mate van nationale onderzoeksfinanciering en de mogelijkheid om succesvol Europese onderzoeksfinanciering aan te trekken. 

Daarom doet de onderzoeker enkele suggesties om onderzoek aan hogescholen te stimuleren en hun aantrekkelijkheid als onderzoeksinstellingen te vergroten. Hij suggereert dat nationale overheden een deel van de kernfinanciering voor onderzoek kunnen toewijzen op basis van prestatiecriteria die nauw verbonden zijn met toegepast onderzoek en de unieke bijdragen van hogescholen op dat gebied. Dit kan worden gerealiseerd door onderzoek vaker te financieren op basis van samenwerking met bedrijven en overheidsinstanties en door het aantal afgestudeerden in professionele programma’s mee te nemen in de bepaling van de bekostiging. 

Daarnaast kunnen samenwerkingsprogramma’s tussen hogescholen en universiteiten, zoals die in Zwitserland en Duitsland bestaan, de onderzoeksintensiteit van hogescholen vergroten. In Oostenrijk zijn bijvoorbeeld ‘Wissenstransferzentren’ opgericht om de samenwerking tussen hogescholen en universiteiten te bevorderen. 

Eerst een goed debat over het binaire stelsel 

Deze maatregelen dienen echter wel voort te komen uit nationale beleidsdiscussies over de gewenste mate van onderscheid tussen universiteiten en onderzoeksactiviteiten aan hogescholen, benadrukt de onderzoeker. 

Om de vaardigheden van onderzoeks- en leidinggevend personeel aan hogescholen te verbeteren, zou internationale uitwisseling ook moeten worden bevorderd. In Duitsland is er een speciaal programma geïmplementeerd in samenwerking met de internationale organisatie DAAD, vergelijkbaar met Nuffic in Nederland. Dit programma ondersteunt hbo-onderzoekers die bereid zijn om onderzoek in het buitenland uit te voeren. 

Dergelijke maatregelen zouden niet alleen aantrekkelijk zijn voor wetenschappelijk personeel aan hogescholen, maar zouden ook kunnen bijdragen aan het vergroten van het begrip voor toegepaste wetenschap, industriële samenwerking en regionale ontwikkeling onder universitair personeel. Tevens zouden hogescholen kunnen profiteren van de uitwisseling van kennis en verdere bevordering van hun onderzoek op zowel nationaal als Europees niveau. 


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK