‘Als je om studenten en personeel geeft, geef je om de medezeggenschap’

Interview | door Michiel Bakker
16 oktober 2023 | De medezeggenschap is geen hinderlijk obstakel voor bestuur. Dat moeten bestuurders inzien, maar ook de medezeggenschap zelf, zegt Rien Wijnhoven – en hij kan het weten. De vertrekkend voorzitter van LOVUM kent het medezeggenschapswerk van binnen en van buiten. Hij is bezorgd over de staat van de medezeggenschap, teleurgesteld in het ministerie van OCW en UNL, maar niet verstoken van een oplossing. “Misschien moeten we wat vaker bijten.”
Rien Wijnhoven, kenner van de medezeggenschap, tijdens een vergadering van de Tilburgse universiteitsraad.
Rien Wijnhoven. Beeld: Erik van der Burgt / VRBLD

“Pas sprak ik met een collega over de ontwikkeling van de medezeggenschap in de afgelopen jaren. Het is een beetje vooruitgegaan, zeiden we toen tegen elkaar; drie stappen vooruit, twee achteruit. Een paar maanden geleden las ik echter een rapport van CHEPS uit 2005, waarin ze rapporteren over onderzoek naar de overgang van medebestuur naar medezeggenschap in de jaren ’90. Het is nu bijna twintig jaar later, en waar staan we? Eigenlijk nog op dezelfde plek.” 

Wie duidelijke vooruitgang en snelle resultaten wil zien, kan beter niet naar het verleden van de universitaire medezeggenschap kijken, blijkt uit het verhaal van Rien Wijnhoven. Hij loopt al even mee in de universitaire wereld. Wijnhoven begon in 1996 als hoofd planning en control bij de Universiteit van Tilburg en werd in 1998 afdelingsdirecteur bij diezelfde instelling. Daarvoor werkte hij als wetenschapper bij de Radboud Universiteit. In 2010 verkaste hij naar SURF, om in 2014 deeltijds terug te keren in Tilburg als voorzitter van de universiteitsraad.  

De andere helft van zijn tijd werkt hij als zelfstandig adviseur in allerlei projecten bij andere universiteiten. Daarnaast was hij afgelopen anderhalf jaar extern voorzitter en adviseur van de ondernemingsraad van de Radboud Universiteit en is hij sinds 2016 formeel voorzitter van LOVUM de nationale organisatie van studenten en personeel in de universitaire medezeggenschap.  

Medezeggenschap moet wat meer bijten 

Het gaat niet erg goed met de universitaire medezeggenschap, schetst Wijnhoven. De opkomstcijfers bij verkiezingen lopen terug – bij studentverkiezingen op sommige universiteiten zelfs tot ver onder de tien procent – en het wordt lastiger om kandidaten te vinden. Daardoor zijn universiteitsraden soms onderbezet.

Wijnhoven denkt dat het probleem van de medezeggenschap voor een belangrijk deel in het ontbreken van zichtbaarheid ligt. “Worden we zichtbaarder, dan worden we interessanter, en hoe worden we zichtbaarder? Nou, misschien door toch wat vaker te bijten. Niet als pr-stunt, maar om serieus te worden genomen.”  

De medezeggenschap hoeft zich niet de mindere te voelen, houdt hij medezeggenschapsorganen dan ook voor tijdens trainingen. “Je hebt rechten en bevoegdheden die je bij wet zijn gegeven. Je hebt een beschermde positie en mag in principe, binnen het betamelijke, alles zeggen en vragen wat je wil. We mogen dus wel wat schroom van ons afwerpen.”  

Constructief maar kritisch 

Zelf kwam Wijnhoven ook niet slechts op de winkel passen en vooral zorgen dat alles in de plooi valt, maakte hij bij zijn aanstelling in Tilburg duidelijk. “Ik hou af en toe wel van een beetje reuring.” Niettemin werkt hij vanuit een constructief kritisch principe, legt hij uit.  

“Je kunt niet elke week reuring maken. Zo werkt het niet. Uiteindelijk heb je allemaal hetzelfde doel: je wilt de organisatie beter maken, ervoor zorgen dat studenten goed en prettig kunnen studeren en het personeel prettig kan werken. Dat hebben bestuur en medezeggenschap gemeen. Tegelijkertijd moet iedereen goed diens rol kunnen spelen. Zo moeten er bijvoorbeeld wel een veilige omgeving, wederzijds respect en een goede informatievoorziening zijn. Dat laatste is nog altijd een van de moeilijkste punten.” 

Zo gebeurde het de afgelopen jaren vaker dat bestuurders eerst afspraken maakten binnen koepelorganisatie UNL en pas daarna naar de eigen medezeggenschap kwamen. “Bij UNL is er geen tegenspraak, want daar zijn wij niet vertegenwoordigd. Stellen we dan aan onze eigen bestuurders vragen, dan zeggen ze: ‘ja, maar dat hebben we zo met andere instellingen afgesproken’, of ‘we worden door het ministerie met de rug tegen de muur gezet’.” 

UNL bekommert zich niet om medezeggenschap 

Op pogingen vanuit LOVUM om regelmatig contact te hebben met bestuurders vanuit UNL wordt ook weinig enthousiast gereageerd. “We zouden twee keer per jaar bestuurlijk overleg hebben met twee of drie bestuurders. Toen daarin de klad kwam, hebben we bijna een jaar tevergeefs gevraagd om een nieuwe afspraak.”  

Bij inschrijving ga je akkoord met onze privacy-voorwaarden. Deze voorwaarden zijn hier te lezen.

De wekelijkse nieuwsbrief is nog korte tijd gratis te ontvangen. De voorwaarden vindt u hier.

Na een boze e-mail kreeg LOVUM in december twee voorstellen voor een afspraak: online van acht tot negen uur op een woensdagochtend in mei, of hetzelfde marginale tijdstip op een woensdagochtend in september. Oftewel, meer dan vijf of negen maanden later. “‘Dit kan niet’, heb ik toen gezegd. Als je niet in staat ben om twee keer per jaar een uurtje vrij te maken voor de medezeggenschap, neem je ons niet serieus. Maar nee, het was lastig om iedereen bij elkaar te krijgen, zeiden ze. Daar was ik echt boos over.” 

Het overleg vond uiteindelijk enkele weken geleden plaats. “Toen zaten we deels weer met andere bestuurders dan eerst, en moesten we weer uitleggen wie we zijn en wat we willen. Daar zit dus geen continuïteit en ook geen vooruitgang in.”  

Vroege betrokkenheid medezeggenschap voor iedereen zinvol 

In Tilburg proberen bestuur en medezeggenschap het accent wat te verleggen. “Wij hebben twee keer per jaar een overleg waarin we samen wat verder in de toekomst kijken. Welke grote uitdagingen komen op ons af, en wat vinden we daarvan? We hebben het bijvoorbeeld over internationalisering gehad, maar ook over digitalisering en kunstmatige intelligentie. Hoe gaan we daarmee om als universiteit? Hoe maken we dat deel van onderwijs en object van onderzoek? Welke sturingsinstrumenten hebben we?”  

Zulke gesprekken zijn erg zinvol, weet Wijnhoven. Het bestuurscollege kan die inbreng meenemen naar overleggen binnen UNL of gesprekken met de minister. Daarenboven hebben bestuurders zo al in een vroeg stadium van visievorming zicht op hetgeen leeft binnen de gemeenschap waarvan zij onderdeel uitmaken. Ook de medezeggenschap is gebaat bij zulk contact.  

“Als politicoloog heb ik vroeger geleerd dat tachtig procent van de eerste inbreng voor een nieuwe strategie uiteindelijk blijft staan. Als je aan het begin meepraat, kun je daaraan een bijdrage leveren. Als je alleen aan het eind meepraat, kun je misschien nog vijf procent veranderen.”  

De verzakelijking van de universiteit 

Veel problemen van Nederlandse universiteiten zijn gegrond in de verzakelijking van de academie. Wijnhoven heeft dat proces van dichtbij meegemaakt. “Die verzakelijking is op zich niet eens zo erg, maar het heeft ook geleid tot onderlinge concurrentie, interne competitie en marktdenken – echt het marktdenken waarbij je eigen doelen ten koste van een ander wilt realiseren. Dat zit nog steeds in ons landelijk bekostigingsmodel en leidt tot perverse prikkels. Overal wordt op geconcurreerd: studenten, opleidingen, onderzoekers, onderzoeksfondsen, enzovoorts.” 

Over die problemen wordt al vier jaar gepraat, maar er is nog totaal geen zicht op verandering, aldus Wijnhoven. “Veel heeft met bekostiging en regelgeving te maken. We houden elkaar gevangen in een systeem waarin die verkeerde prikkels werkzaam zijn. Bestuurders zien in hun hart af en toe ook wel dat dit niet is wat ze willen, maar ze worden min of meer gedwongen om toch mee te doen.” 

Teleurgesteld in het ministerie 

Er is lef nodig om uit die impasse te breken, en precies dat ontbreekt bij bestuurders en de medezeggenschap, ziet Wijnhoven. “We zouden meer moeten durven. Durf uit die verkeerde systemen te stappen. Ik zag een goed voorbeeld bij de Universiteit Utrecht, die gewoon niet meer meedoet met de ranking van de Times Higher Education. Dat verdient navolging.” 

De stap uit verkeerde systemen vereist wel een ministerie van OCW en een koepelorganisatie die eveneens lef tonen. “Ik ben teleurgesteld in het ministerie. Niets ten nadele van de jonge, hardwerkende ambtenaren, maar er is daar sprake van onderbezetting en een gebrek aan historische kennis en continuïteit. We roepen al jarenlang: betrek het LOVUM bij het maken van plannen en doe er je voordeel mee, want vaak moeten ze toch aan ons worden voorgelegd. Dat komt er echter zelden van. Ondertussen lopen het ISO en de LSVb de deur plat bij het ministerie.”

Intussen blijft de politiek taken naar de medezeggenschap schuiven, die echter nu al met gebrek aan tijd en menskracht kampt. “GroenLinks heeft daarom bijna twee jaar geleden een motie ingediend over sterkere betrokkenheid, betere compensatie en informatievoorziening van de medezeggenschap. Die motie is van april 2022. De Tweede Kamer wacht nog steeds op uitwerking.”

Van externe adviseurs (“want dat is vaak het eerste wat het ministerie doet als er een probleem is: een externe partij inhuren”) kwam het advies dat de medezeggenschap meer contact zou moeten hebben met de achterban in verschillende lagen van de organisatie en zich breder moet oriënteren. “Het probleem is juist dat we daarvoor niet de tijd en de middelen hebben”, legt Wijnhoven uit. “Ze verwachten dus dat wij onszelf als een soort Baron van Münchhausen uit het moeras trekken. Dat gaat niet gebeuren.”  

Ik benijd bestuurders niet 

Een verstandige bestuurder koestert een kritische medezeggenschap, benadrukt de vertrekkende medezeggenschapskenner. “Het is één van hun belangrijkste informatiekanalen uit de gemeenschap waarvan zijzelf onderdeel zijn. Als er iets wordt gezegd dat hen onwelgevallig is, laat ze er dan hun voordeel mee doen. Een geluid dat leeft, gaat niet weg als je het negeert. Organiseer je interne tegenspraak en maak die sterk; dat heb je als bestuurder nodig.” 

Tegelijkertijd weet Wijnhoven dat het besturen van een universiteit geen sinecure is. “De universiteit is een complexe gemeenschap van mensen met soms dezelfde maar vaak ook verschillende belangen, wisselende posities, wisselende coalities, ingewikkelde opdrachten en een sterke hiërarchie. Die overlappen en versterken elkaar vaak, en zowel faculteiten, departementen en individuele wetenschappers zien zichzelf nogal als autonoom. Het is lastig om daaraan richting te geven. Ik heb momenten waarop ik bestuurders niet benijd; daarin ben ik eerlijk. Overigens heb ik ook geen medelijden met ze, hoor, want ze worden goed beloond.”


«
Schrijf je in voor onze nieuwsbrief
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK