Nederlandse universiteiten bedienen nu vooral zichzelf  

Nieuws | de redactie
27 augustus 2025 | Werk als universiteit ook samen met vrije en conservatieve onderzoekers zoals Maurice de Hond, Arnout Jaspers en Jan van de Beek om zo te voorkomen dat de kloof in de samenleving verder verdiept. Dat betoogt de Utrechtse hoogleraar Thomas Schillemans. Het opleidingsniveau is immers uitgegroeid tot de meest bepalende politieke breuklijn in Nederland, waardoor universiteiten ongewild aan één zijde van de grootste maatschappelijke tegenstelling zijn beland, schrijft hij.
Beeld: Gerd Altmann

Hoogleraar bestuurskunde Thomas Schillemans van de Universiteit Utrecht onderzocht de positie van Nederlandse universiteiten in het huidige politieke en maatschappelijke landschap. Binnenkort verschijnt in het tijdschrift ‘Beleid & Maatschappij’ een essay van Thomas Schillemans, hoogleraar Bestuurskunde bij de Universiteit Utrecht, waarin hij de positie van Nederlandse universiteiten in het politieke en maatschappelijke landschap analyseert. Schillemans is daarbij geïnspireerd door de afscheidsrede van UU-hoogleraar Mark Bovens, die daarin sprak over ‘opleiding als nieuwe verzuiling’. 

Bovens betoogt volgens Schillemans dat opleidingsverschillen inmiddels op dezelfde wijze segregeren als ideologische overtuigingen dat in het verleden deden. “Iedere opleidingszuil heeft eigen waarden, eigen woorden, eigen probleempercepties, eigen politieke partijen, eigen media en eigen clubjes voor vrijetijdsbesteding. De meeste mensen leven, trouwen en werken in bubbels die naar opleidingsniveau gescheiden zijn”, schrijft hij. 

Het ontstaan van deze ‘diplomademocratie’ roept “belangrijke en ingewikkelde vragen op voor universiteiten”, ziet Schillemans. “Universiteiten zijn ongewild en onbedoeld aan één zijde van de belangrijkste politieke breuklijn terecht gekomen en daarmee in het voor hen oneigenlijke domein van politieke strijd.” 

Hoe profileren universiteiten zich? 

Om hun zelfpresentaties en strategische kernthema’s in kaart te brengen analyseerde Schillemans de corporate websites, missies en strategische documenten van de negen Nederlandse algemene universiteiten. Hij onderzocht daarbij welke thema’s en kernwoorden universiteiten gebruiken om zich te profileren en hoe deze zich verhouden tot het bredere politieke spectrum. 

Deze analyse werd gekoppeld aan bestaand onderzoek over politieke voorkeuren van academici versus niet-academici en zogenoemd ‘issue-ownership’ van politieke partijen. 

Universiteiten doen aan na-apen 

“De wat amusante eerste conclusie daaruit is dat al die universiteiten in hun drang om zich op kernthema’s te profileren in sterk vergelijkbare woorden grotendeels dezelfde thema’s benoemen”, constateert Schillemans. Dit illustreert volgens hem klassieke organisatiesociologische inzichten over mimetisch isomorfisme, “of in eenvoudiger Nederlands: ‘na-apen’”. 

Alle universiteiten benoemen duurzaamheid als een kernthema dat hen onderscheidt, en alle universiteiten onderstrepen diversiteit en inclusie op de centrale pagina waar zij zich presenteren. “Vrijwel alle universiteiten positioneren zich vrijwel direct met een internationale oriëntatie, soms met lokale worteling, maar nergens als universiteit voor Nederland.” 

De auteur illustreert dit met concrete voorbeelden. De Universiteit Utrecht zegt: “Thema’s als klimaatverandering, welvaartsdeling en gezond leven vereisen een interdisciplinaire aanpak.” Tilburg University geeft aan: “We werken interdisciplinair samen aan oplossingen voor maatschappelijke vraagstukken zoals honger, armoede, brede welvaart, klimaat & energie.” 

De thema’s van universiteiten zie je terug bij Volt, D66 en GroenLinks-PvdA 

Deze thema’s zijn “een-op-een verbonden met de politieke partijen waar relatief veel academici op stemmen. Sterker nog, een fictief Volt-D66-GroenLinks-PvdA kabinet zou precies zo’n motto kunnen hebben: ‘duurzaamheid en diversiteit in de open samenleving'”, stelt Schillemans. 

Ook in de ogen van Schillemans zelf, (die zich omschrijft als hoogopgeleide kosmopoliet met een migratieachtergrond en een verleden bij GroenLinks en PvdA) zijn dit belangrijke onderwerpen waar collega’s goed werk verrichten. Toch wijst hij erop dat deze oriëntatie universiteiten nadrukkelijk verbindt met slechts één zijde van het politieke spectrum.

Tevens valt op dat veel onderwerpen die universiteiten niet noemen óók thema’s zijn waarover academici zich minder druk maken. “Er staat niets over criminaliteit. Het gaat niet over voorbeelden van falend overheidsbeleid. Er staat niets over sociale samenhang in de migratiesamenleving. Onderwerpen waar juist niet-academisch geschoolden zich zorgen over maken”, aldus de auteur. “Ook staat er niets over de schaduwzijden van de thema’s die wel worden genoemd, zoals de (verdeling van) kosten van klimaatmaatregelen, verliesgevoelens door maatschappelijke veranderingen of problemen door globalisering.” 

Universiteiten zijn daardoor direct verbonden met de leefwereld van academici, constateert Schillemans. Ongewild en onbedoeld, maar ook onvermijdelijk, staan zij aan de ene zijde van de belangrijkste politieke scheidslijn. Dat heeft als risico dat onderwijs en onderzoek geen recht doen aan alle legitieme zorgen en vragen in de samenleving.  

“Politisering van universiteiten is problematisch. Het ondergraaft het gezag van de wetenschap en maakt het moeilijker om kennis een goede rol te laten vervullen in de samenleving”, waarschuwt Schillemans. “Ook dreigt voor universiteiten ‘bubbelbias’ wanneer zij zich maatschappelijk engageren.” Deze processen kunnen vervolgens leiden tot een verdieping van de scheidslijnen.  

Concrete aanbevelingen en strategieën 

Op individueel niveau vraagt de diplomademocratie in tijden van polarisatie vooral om meer zelfreflectie op de politiek-sociologische condities waarbinnen universiteiten opereren. Bestuurders, communicatieadviseurs, onderzoekers en docenten lopen daarbij risico op bubbelbias, aldus Schillemans. “De opdracht om impact te maken met kennis dient daarom vergezeld te gaan van serieuze reflectie op de politieke positionaliteit van die kennis.” 

De vraag moet volgens de Utrechtse hoogleraar steeds zijn: “Hoe ‘past’ wat we doceren, onderzoeken en communiceren in de maatschappelijke verhoudingen? Met wat en wie associeer ik me, en hoe kan wat ik te vertellen heb zo goed mogelijk over het voetlicht worden gebracht in een samenleving waarin veel mensen heel anders naar de wereld kijken?” Beproefde recepten als tegenlezers, focusgroepen en online response trackers kunnen daarbij helpen. 

Verbreding diversiteitsbeleid 

Een cruciaal punt in zijn betoog betreft de verbreding van diversiteitsbeleid. “In de eerste plaats ontbreekt de in de diplomademocratie belangrijkste groep: niet-academici”, constateert Schillemans. Hij wijst erop dat “duizenden mensen zonder academische opleiding aan universiteiten werken, zowel bij de eigen staf als in outsourcingconstructies met vaak slechtere arbeidsvoorwaarden.” 

Daarnaast hebben “veel niet-academici sociaal-cultureel rechtsere politieke voorkeuren dan academici. Veel niet-academici hechten aan conservatieve sociaal-culturele thema’s: tradities, man-vrouwrollen, trotse nationale gevoelens, ongemak (of meer) met globalisering en migratie.” Voor universitaire medewerkers geldt juist dat zij “op sociaal-cultureel vlak overwegend progressief zijn.” 

Die tegenstelling maakt het volgens Schillemans belangrijk om te zorgen dat politiek rechtse en sociaal-conservatieve mensen met de cognitieve vaardigheden en intellectuele ambities om bij universiteiten horen, zich daar ook thuis kunnen blijven voelen. 

Scheidslijnoverstijgende samenwerking maar geen Kuifje op het ROC 

De Utrechtse hoogleraar pleit verder voor concrete samenwerkingsvormen die de maatschappelijke scheidslijnen kunnen verzachten. Voor universitaire opleidingen zijn daarbij “vormen van beroepsketensamenwerking denkbaar met gerelateerd werk op mbo-niveau”, oppert hij. “Het is daarbij niet de bedoeling om de waarden en ideeën uit de academische bubbel aan anderen op te leggen of het ‘ze’ eens even uit te komen leggen. Het moet geen Kuifje op het ROC worden”, geeft hij meteen richting. Betekenisvolle samenwerking over scheidslijnen heen is volgens Schillemans alleen zinvol en kansrijk als die aan beide zijden als betekenisvol wordt ervaren. 

Voor onderzoekers wijst hij op het belang van ‘buitenbubbelige onderzoekssamenwerking’. “Onderzoekers die sociaal overeen lijken te komen met de mensen die zij onderzoeken, krijgen meer betekenisvolle antwoorden dan onderzoekers die als ‘anders’ worden beleefd”, citeert hij uit onderzoek. 

Schillemans stelt daarnaast voor dat instellingen “actief kunnen zoeken naar unusual suspects om hun samenwerkingsportfolio mee te diversifiëren. Samenwerking met unusual suspects die andere waarden en probleempercepties vertegenwoordigen is niet makkelijk, maar biedt kansen tot het verbreden van inzicht en reikwijdte.” 

Laat NWO en ZonMw samenwerken met niet-wetenschappelijke klankbordgroepen 

Op organisatieniveau en bij NWO en ZonMw zouden niet-wetenschappelijke klankbordgroepen of adviesraden kunnen helpen om academische bubbelbias te vermijden, denkt Schillemans. 

“Het is een kleine moeite om op corporate websites duidelijk aan te geven dat universiteiten ook onderzoek doen naar voor niet-academici belangrijke thema’s zoals de kosten van klimaatbeleid, criminaliteit of sociale spanningen in de migratiesamenleving”, stelt hij praktisch voor. “Ook zou wat mij betreft De Telegraaf een plaatsje moeten krijgen op onze ontvangstbalie naast de Volkskrant en NRC.” 

Adversarial collaborations 

Voor gepolitiseerde onderwerpen beveelt Schillemans ‘adversarial collaborations’ aan – “samenwerking tussen tegenstanders”. Dit vergt volgens hem wel “scherpe spelregels die de kwaliteit van onderzoek bewaken; alsof het een sportwedstrijd is tussen rivaliserende teams.” 

Hij wijst erop dat “mensen met andere politieke opvattingen andere vragen stellen, andere bedenkingen hebben, andere gevolgen zien en andere interpretaties geven aan zelfs de meeste ‘harde’ wetenschappelijke resultaten. Een verbreding van diversiteit in het wetenschappelijk proces kan tot eenvoudigweg betere wetenschap leiden.” 

Concreet oppert de hoogleraar om bij onderzoek rond gepolitiseerde onderwerpen samen te werken met ‘vrije onderzoekers’ zoals Arnout Jaspers, Maurice de Hond of Jan van de Beek. Maurice de Hond (1947) is vooral bekend als opiniepeiler en zendbuis van omstreden opvattingen over onderwijs en coronabeleid. Arnout Jaspers (1958) is natuurkundige en wetenschapsjournalist, met publicaties over energie- en het stikstofbeleid, en Jan van de Beek (1968) is wiskundige en demograaf die voortdurend wijst op de maatschappelijke en economische gevolgen van immigratie. 

De Utrechtse hoogleraar hoopt in elk geval dat zijn essay bijdraagt “aan zelfreflectie op de politieke positionaliteit van docenten, onderzoekers en universiteiten en aan het vinden van concrete maatregelen die helpen om maatschappelijke scheidslijnen te verzachten en kennis zo goed mogelijk te laten ‘werken’ in deze tijd.” 


«
ScienceGuide is bij wet verplicht je toestemming te vragen voor het gebruik van cookies.
Lees hier over ons cookiebeleid en klik op OK om akkoord te gaan
OK