Het 'volk van het boek' las nauwelijks
"Onder vakgenoten wordt de bijbel benaderd als
literatuur. We kijken toch vaak naar de bijbel alsof het gaat om
literatuur zoals we die kennen uit de romantische periode. In die
literatuur heeft de auteur een heel belangrijke rol, auteursrecht
is heel belangrijk, het boek wordt gereproduceerd, er is een
markt voor. Bij de Bijbel is dat zo compleet anders geweest! Heel
deze zoektocht ben ik begonnen met een paradoxale constatering: wij
kennen het Joodse volk als 'het volk van het boek'. Dat boek is
onze toegangsweg tot dat volk, terwijl je het hebt over een orale
cultuur. Mensen die konden lezen vormden maar een heel beperkt deel
van de bevolking.
Als je je vervolgens gaat afvragen hoe 'literatuur' werkt in die
tijd, dan stuit je op heel materiële dingen. Je moet dan rekening
houden met vragen als: wat is het materiaal waarop wordt
geschreven, hoe wordt dat verspreid, waarom zou je iets schrijven?
Als het grootste deel van de bevolking ongeletterd is en er geen
commerciële markt is voor boeken, dan hoef je het daar dus al niet
voor te doen. Dan moet er iets anders zijn. Maar wat was dat
dan?"
Auteursrecht bestond nog niet
In de meeste Bijbelboeken wordt wel een auteur genoemd.
Aan Mozes worden de eerste vijf boeken van de bijbel toegeschreven.
Koning Salomo wordt opgevoerd als auteur van het boek Prediker. In
de bijbelwetenschappen is algemeen bekend dat zulke aanduidingen
niet betrouwbaar zijn, in de zin van een authentiek 'historisch
feit'. De Troonrede wordt ook niet door Beatrix zelf geschreven,
toch geeft de verbinding met haar de speech zijn
gezag. Auteurschap was zeker in vroeger tijden vooral een
label van autoriteit. Door het boek Prediker aan koning Salomo toe
te schrijven, werd het gezag ervan verhoogd.
Op zoek naar de 'echte auteurs' van de boeken in de Bijbel,
vestigt Van der Toorn de aandacht op motieven om te schrijven.
"Allereerst was er het schrijven als geheugensteun, dat was
administratief erg belangrijk. Dat geldt ook voor wetsteksten. Ten
tweede heb je schrift nodig om een tekst van a naar b te krijgen."
Schrijven was een middel om eigendom vast te leggen, maar hielp
koningen ook om de communicatie met onderdanen veel efficiënter te
maken.
Hoe schrift gezag kreeg
Toch denkt Van der Toorn niet dat de Bijbel door
medewerkers van het hof van de koningen in Jeruzalem is geschreven.
De Bijbel, zo stelt hij, is geschreven door groepen schrijvers
die daar gedurende meerdere generaties aan werkten. Die schrijvers
waren vooral aan de tempel verbonden. De Tempel in
Jeruzalem was typisch de plek waar deze Bijbelboeken werden
gebruikt voor de opleiding van priesters en debat, maar ook waar de
moederafschriften van deze Bijbelboeken bewaard werden in een
bibliotheekje.
Als die moederafschriften na een jaar of 40 vanwege slijtage
vervangen moesten worden, debatteerden de schrijvers over
verbeteringen of aanvullingen die in de nieuwe schriftrol
aangebracht zouden moeten worden. In zijn boek reconstureert Van
der Toorn bijvoorbeeld dat het Bijbelboek Deuteronomium -met
een belangrijke reeks wetgevingsteksten voor het Joodse geloof en
leven- op die manier in vier achtervolgende
ronden is ontstaan in zijn huidige vorm.
Naarmate de tijd voortschrijdt, groeit de verzameling van
heilige overleveringen. Op een gegeven moment moet er gekozen
worden uit concurrerende tradities. "Voor de ballingschap van het
Joodse volk in Babylon -toen Jeruzalem belegerd en veroverd werd en
het volk afgevoerd naar Mesopotamie- wordt ten tijde van
koning Josia, in het boek 2 Koningen, hoofdstuk 22 en
23, gezegd dat er een wet is gevonden in de tempel.
En die zegt dat er maar één tempel mag zijn. Dit laat zien dat
er twee tradities waren. Volgens de mondelinge overlevering was er
ruimte voor meerdere tempels, maar de geschreven tekst zegt
dat er maar ruimte is voor één tempel."
"Op grond daarvan schuift de koning de mondelinge traditie opzij.
In het begin heeft de mondelinge traditie het meeste gezag, maar
vanaf het moment dat die is opgeschreven, wordt de schriftelijke
overlevering steeds belangrijk. Die schriftelijke overlevering
krijgt daarna een status die groter is dan die mondelinge
overlevering, waardoor de schriftgeleerdheid belangrijker wordt."
Bij de keuze tussen tradities was dus ook sprake van een
'wereldlijke' machtsstrijd. "De overlevering dat Yahweh één is en
dus maar één tempel wil, is bijvoorbeeld wel heel erg in het belang
van de koning van Jeruzalem." Ook heeft de schriftelijke
vastlegging van de canon de positie van de schriftgeleerden
behoorlijk versterkt.
Profetische kritiek
Maar hoe zat het dan met de profeten? Hoe is het te
verklaren dat schrijvers binnen de tempel hun orakels op schrift
stelden en bewaarden, terwijl de profeten vaak heel kritisch waren
over tempel en hof? Van der Toorn constateert allereerst dat er
onder de koningen behoefte was om te weten wat er over hen gezegd
werd, ook als het ging om opruiende taal. Dat was een van de
motieven om profetieën vast te leggen.
Toch verklaart dat nog niet dat profetieën zo'n belangrijk deel
zijn geworden van de Hebreeuwse traditie en het geloof van de
kerken in de Bijbel. Hoe is dat gelopen? "We hebben hier te maken
met een cultuur, ook politiek, waarin geen legitieme oppositie is.
Er is wel tegengeluid, maar dat kan alleen worden verkondigd als
daar een gezag aan zit dat boven het menselijke uitstijgt. Het is
onverstandig als de koning een orakel negeert. Daarom worden die
ook geboekstaafd, want het is belangrijk dat een koning daarvan op
de hoogte is."
Overigens treffen we in de bijbel een perspectief aan waarin
teruggekeken wordt op het koningschap. Het koningschap in Israël is
in de 6e eeuw voor Christus namelijk voorbij, het drama van de
overheersing door Babylon is uitgelopen in
een massale ballingschap. "In de Hebreeuwse bijbel treffen we
daarom een heel kritisch perspectief aan op het koningschap. Niet
dat het koningschap helemaal heeft afgedaan - met de messiaanse
verwachting is er nog hoop dat de glorietijd van David weer terug
zal keren. Maar de enige profeten die het bij het rechte eind
hebben gehad, zijn de profeten die kritisch zijn geweest. Gunstige
profetieën zijn weggefilterd."
Het einde van de canon
Op een gegeven moment is de canon afgesloten. Hoe
gebeurde dat? Lang werd aangenomen dat Joodse rabbijnen de canon
van de Hebreeuwse Bijbel afsloten tijdens een soort van een
'concilie' in het stadje Jamnia, ongeveer in het
jaar 100 voor Christus.
Van der Toorn wijst er echter op dat vakgenoten inmiddels de
conclusie hebben getrokken dat dit concilie een verzinsel is van
christenen. Wel ziet hij twee motieven waarom de canon
destijds afgesloten werd. Het eerste is de openbaarmaking van
de Torah, de vijf eerste Bijbelboeken, als wet van het land.
Deze werd gezien als gegeven door God, gelegitimeerd door de koning
en opgelegd door de profeten Ezra en Nehemia. Dat had een duidelijk
politiek motief.
Het tweede motief is de leer van het profetische tijdperk, die
twee eeuwen later werd afgekondigd. Daarmee werden mensen die
daarna nog zeiden door God geïnspireerd te zijn, de mond gesnoerd.
De canon was immers afgesloten. De echte profeten stonden in de
profetische boeken en alleen de schriftgeleerden wisten hoe je die
moest interpreteren.
"Voordat je 'een bijbel' hebt, moet ook het idee bestaan dat de
tijd van de openbaring is afgesloten. Dat zie je zo rond
300 voor Christus in de Hellenistische periode -na de
verovering door Alexander de Grote en zijn opvolgers- dat de
gedachte dat God zich te kennen heeft gegeven is afgesloten met de
ballingschap. Dat is ook het criterium dat wordt gebruikt om vast
te stellen of een boek geïnspireerd is of alleen maar menselijk.
Daniël wordt als goddelijk boek gezien, omdat men in die tijd - ten
onrechte - dacht dat het uit de tijd van de ballingschap kwam."
Karel van der Toorn, Wie schreef de Bijbel? De
ontstaansgeschiedenis van het Oude Testament.