• A
  • A
  • Theorie laten leven

    - “De scheidslijnen tussen universiteit, overheid en het bedrijfsleven beginnen te vervagen, en dat is ook nodig.” Kort geleden begon Ronald de Jong als Professor of Practice aan de Tilburg University. Hij moet de brug slaan tussen praktijk en theorie.

    Wat precies de verhouding is tussen wat studenten aan theorievorming meekrijgen in het curriculum, en wat ze daar in hun werkend leven mee kunnen is lang niet altijd duidelijk. Rector Magnificus van de Tilburg University Emile Aarts vindt dat daar verandering in moet komen. Daarom benoemde het bestuur van de universiteit afgelopen juli Ronald de Jong, Executive Vice President and Chief HR Officer van Philips, als distinguished professor of practice. ScienceGuide sprak hen beiden over de doelstelling en invulling van deze in Nederland nog onbekende functie.

    Duale ladders

    Het is een concept dat in het buitenland, met name in de VS, al veel langer bekend is maar in Nederland is De Jong de eerste in zijn soort: een professor of practice. Deze functie onderscheidt zich volgens Aarts op een aantal vlakken van het normale hoogleraarschap “De opdracht van de professor of practice is anders dan gebruikelijk. Zo’n hoogleraar krijgt de leeropdracht mee vanuit de praktijk en moet die praktijk nadrukkelijk verbinden met het onderwijs en het onderzoek.”

    Een benoeming als deze is een voorbeeld van het systeem van duale ladders. Aarts: “Deze ladder staat naast die van de gebruikelijke ‘tenure’ ladder, die van promovendus tot aan universiteitshoogleraar loopt. Parallel daaraan benoemen wij Ronald nu op de hoogste sport van de andere ladder, wat ook betekent dat deze op andere prestaties wordt afgerekend.” Een ander feitelijk verschil is dat de professor of practice geen promotierecht heeft, “Alhoewel deze natuurlijk wel kan optreden als begeleider,” voegt Aarts daaraan toe.

    Praktijk de klas in brengen

    De Jong heeft inmiddels zijn eerste colleges al gegeven, namelijk bij de bacheloropleidingen van de School of Management & Economics. Ook verderop in het curriculum zijn er vakken waar hij aan bij zal gaan dragen. “Denk aan een vak als management van innovatie. Daar hebben wij bij Philips natuurlijk een lange geschiedenis in, in vele landen. Ik wil die ervaring en kennis meenemen de klas in zodat studenten hun theorie er op toe kunnen passen.”

    Aarts valt zijn collega hierin bij: “Wij worden door de studenten en promovendi uitgedaagd om ze meer ervaring met de praktijk mee te geven. Zij vragen ons terecht: ‘waartoe zijn wij op aarde?’ en ze willen weten waarom ze leren wat ze leren. Met dit soort initiatieven formuleren wij hier een antwoord op” Wat dat betreft wil Aarts met deze benoeming zijn credo voor de Tilburg University: Advancing Society kracht bijzetten. “Wij willen een bijdrage leveren aan de maatschappij.”

    “Vanuit de leiding zien wij in Ronald een rolmodel waarmee we de studenten graag in contact brengen.” Aarts ziet de professor of practice dan ook niet als een ‘pendant’ van de traditionele hoogleraar. “Het moet echt een nieuwe dimensie openen.” Onderdeel daarvan is ook dat ervaringen met het toepassen van een theoretisch kader, bijvoorbeeld in het bedrijfsleven, hun weg weer terug gaan vinden naar de opleiding.

    Business and Society

    De Jong constateert vanuit ervaring dat je de grote uitdagingen van deze tijd niet vanuit een isolement aan kunt pakken. Volgens hem zijn de vraagstukken, bijvoorbeeld in de gezondheidszorg, simpelweg te groot om bij een enkele partij neer te leggen. “De scheidslijnen tussen universiteit, overheid en het bedrijfsleven beginnen hierdoor wat te vervagen, en dat is ook nodig om de samenleving verder te brengen.”

    Een vierde pilaar die daarbij hoort is de burger zelf. Waar een bedrijf als Philips traditioneel gezien de feedback op hun product moest krijgen via enquêtes of interviews, is dat nu helemaal veranderd. “In onze consumententak hebben wij nu al contact met een kwart miljard huishoudens per jaar,” vertelt De Jong. The internet of things en andere toepassingen waarbij data over het gebruik direct terugvloeit naar de producent zijn relatief nieuw maar zullen volgens beiden de nieuwe standaard worden.

    De Jong ziet er ook naar uit om studenten te prikkelen met de vragen die gepaard gaan met dergelijke technologie. “Als je kijkt naar de potentie van dit soort technologie en hoe snel die ontwikkelingen gaan dan denk ik dat er binnenkort afwegingen gemaakt moeten worden. We moeten bepalen wat zwaarder weegt: privacy of wat het delen van deze informatie het individu oplevert.”

    Nederland loopt achter

    Nationaal en internationaal zwelt de roep aan voor het bedrijfsleven en het onderzoek om elkaar meer te vinden. Wel zien sommigen dit type publiek-private samenwerkingen als een bedreiging voor de academische vrijheid. “Ja, dat mag dan niet,” valt Aarts in, “dat komt voort uit de overtuiging dat begrijpen an sich dan waardevrij zou zijn” Dat laatste betwijfelt Aarts ten zeerste. Wat hem betreft is de academische vrijheid prima gewaarborgd.

    “Je ziet ook dat de internationale tendens op dit terrein steeds meer neigt naar samenwerking” Aarts doelt daarmee op de nadruk die beursverstrekkers leggen op het werken binnen consortia en de herhaaldelijke oproepen, waaronder die van de KNAW, om de handen ineen te slaan. “Nederland loopt ook gewoon een klein beetje achter op dit terrein, in ieder geval qua beeldvorming. En ik vraag me af of ze bij de KNAW ook echt begrijpen wat dit inhoudt.”

    Ook voor De Jong is het vanzelfsprekend dat het bedrijfsleven en de academie moeten samenwerken om verder te komen. “Naar mijn weten is het bij Philips ook nooit anders geweest dan dat er goede relaties waren tussen ons en de instellingen” De eerste overeenkomsten daarvoor werden al kort na oprichting gesloten. “Wij hebben altijd al een warme relatie gehad met de academie, in Nederland maar ook daarbuiten”.

    Het is uiteindelijk de resultaatgerichte blik die De Jong mee wil brengen naar het onderwijs en het onderzoek aan de Tilburg University. “Dat is er over de jaren heen wel ingesleten bij mij, en dus is het de primaire lens waarmee ik naar dit soort zaken kijk. Dat betekent niet dat het voor de universiteit het primaire uitgangspunt moet zijn, laten we zeggen dat het een additionele lens is die ik toevoeg om de theorie te laten leven .”